Nieuwsbrief Nr. 103 - januari 2018

Begraafplaats Lier veel volk en gids Brigitte Schorrewegen in topvorm


Voor het eerst in lange tijd moest er volk geweigerd worden. Brigitte Schorrewegen had vooraf, zoals ze beloofde, haar zonnedans gedaan en het lukte nog ook: de weergoden waren onze groep goed gezind en het was koud maar droog. Brigitte begon haar betoog met het feit dat slechts vijf grafmonumenten het predikaat “beschermd” opgekleefd gekregen en hoe de stad Lier daarmee omgaat zullen we later wel merken. Op de Mechelsesteenweg wordt enkel nog “bijbegraven”. 
Over het eerste graf met de vermelding “Elisabethville club” had onze gids nog geen informatie kunnen achterhalen. Cornils was directeur van de Lierse jongensschool. Leuk was dat onze gids bijna van elke grafmonument een afbeelding van de “bewoner” had. Edward Careels was architect. Heel veel Lierse gebouwen zijn van zijn hand. Op de laatste rustplaats Verrijdt – Van Pelt toonde Brigitte ons de symbolen die rijkelijk aanwezig zijn. Bovenaan de gesluierde urne en iets lager uiteenglijdende handjes en de zandloper met vleugels. 
Bij de enige grafkapel, Cools , die deze begraafplaats rijk is stonden we letterlijk voor een gesloten deur. De oorspronkelijke bronzen deur bleek gestolen te zijn. Wie, de familie of de stad Lier heeft recent de ingang dichtgemetseld. Het is gewoon schandalig dat een beschermd monument niet fatsoenlijk gerestaureerd kan worden. Brigitte had een resem foto’s bij met afbeeldingen van de mozaïeken vloer en de prachtige glas-in-loodramen. 
Arnold Leroi overleed in Lier tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het duurde een hele tijd vooraleer de Limburgse familie te weten kwam dat Arnold hier begraven werd want in de archieven stond verkeerdelijk Leroy. De familie Berckmans was eigenaar van het Hof van Ringen. Momenteel is modeontwerper Dries van Noten eigenaar. Een monument met een duif doorboort met een pijl. Bij het graf Schul kregen we de uitleg over de afgeknotte zuil. Hier zegde Brigitte dat er een oude man aan het werk was op de begraafplaats die, letterlijk, met een grove borstel monumenten wilde opknappen. De familie Bergmann is hier met vier graven vertegenwoordigd. George Bergmann was liberaal burgemeester. Hij werd burgerlijk begraven wat in die tijd, 1893, niet gebruikelijk was. Daarnaast ligt zijn zoon Anton Bergmann . Hij was advocaat en schrijver van “Ernest Staas” en “Geschiedenis van de stad Lier”. Hij huwde met een notarisdochter Elisa Van Acker. Anton Bergmann stierf in 1874, amper 38 jaar oud. Een pracht van een graf met de uil als teken van wijsheid maar de uil had ook een derde oog en dat bleek volgens Brigitte een verwijzing naar de vrijmetselarij te zijn. Elisa Van Acker huwde na zijn dood met de broer Ernest Bergmann . Die was senator en consul van België te Buenos Aires. Marie Bergmann , zuster, kreeg een eenvoudige grafsteen. Zij was gehuwd met de broer van Jan Frans Willems.
De Kinder nog een voorbeeld van hoe de stad Lier met zijn beschermd erfgoed omgaat. Het kruis is al lang verdwenen. Schandalig! Op het graf Van Acker, de ouders van Elisa, een prachtige bronzen krans misschien wel een werk van Lodewijk Van Boeckel, de kunstsmid. De Strijcker was chirurg te zien aan de symbolen vooraan het graf. Achteraan de zandloper met vleugels en de zeis. Vier van de kinderen stierven op jonge leeftijd, vóór hun ouders. De twee overige zonen deden, dixit Brigitte, goed hun best want samen kregen ze maar liefst 14 kinderen.
. Kunstsmid Lodewijk Van Boeckel had nogal een felbewogen liefdesleven. Zijn eerst echtgenote stierf heel jong en Lodewijk bleef achter met een éénjarig kind. Hij hertrouwde met een dame die goed voor het kind zorgde maar nam wel Rozeke Grandry als minnares. Frederick Pelzer zat in het verzet en hij werd in 1943 in Brasschaat gefusilleerd. De familie Vermaelen bezat een ijsblokkenfabriek. Een zoon zou, volgens de kranten, in 1922 de eerste zelfmoordpiloot geweest zijn. We passeerden het schreeuwlelijk medaillon voor Arthur Vanderpoorten , minister. De familie Van Engelen waren instrumentenbouwers. Bij het buitengaan een gigantische sarcofaag voor de heer en mevrouw Verberckt , fabrikanten van een fabriek van stof per meter. 

Brigitte Schorrewegen kon ons bijna twee uur bekoren met haar verhalen. Na afloop genoten een aantal van ons nog van een felgesmaakte maaltijd.

Jacques Buermans

Foto’s: Leen Otte en Daniëlle Schijn.

In Memoriam Willem Houbrechts Een van de stichters van vzw Grafzerkje is niet meer


Ik kende Willem Houbrechts al van tijdens een van mijn vorige levens. Ik werkte als losse medewerker bij De Nieuwe Gazet maar gaf ook berichten door aan Radio2, Antwerpen. Willem was er verantwoordelijk voor de regionale programma’s in Antwerpen. Hij had, zoals ik, interesse in het funeraire en zo kwamen we in contact. In november 2000 werd, omwille van de “afbraakpolitiek” op begraafplaatsen door de stad Antwerpen, de “Vrienden van het Schoonselhof” opgericht om daar iets aan te doen. Die “vrienden” kwamen een aantal keren samen met Willem Houbrechts als voorzitter maar de “vrienden” was spijtig genoeg geen lang leven beschoren maar we bleven contact houden. Op 7 juli 2001 was de eerste begraafplaats-rondwandeling van Grafzerkje met Willem, echtgenote Mick en Willem’s zuster Frieda als vaste deelnemers aan de tweemaandelijkse rondleidingen. Toen in november 2004 beslist werd om een vzw op te richten was Willem de aangewezen persoon om secretaris te worden in vzw Grafzerkje. 
In 2007 gaf hij om persoonlijke reden zijn ontslag in vzw Grafzerkje en zagen we hem ook niet meer tijdens onze rondleidingen. Sporadisch kwam ik hem nog eens tegen in een of andere Antwerpse drankgelegenheid. Op 11 januari overleed Willem Houbrechts aan een herseninfarct.
 
Onder de naam Rudy Witse schreef Willem een aantal dichtbundels waaronder “Père Lachaise – Schoonselhof, een confrontatie” met gedichten over personen die op deze beide dodenakkers liggen.
 
In naam van het bestuur vzw Grafzerkje en in mijn persoonlijke naam betuigde ik mijn medeleven aan de familie in deze moeilijke periode. Ik zal Willem altijd herdenken als een correct man en zal onze talrijke drankmomenten niet licht vergeten. 
 
Jacques Buermans, voorzitter.

Funeraire symboliek: Ouroboros De in funeraire context meest voorkomende slang is ongetwijfeld ‘Ouroboros’ (Uroborus)


Een foto van kunstenaar Walter Brems

Deze slang is één van de oudste mythische symbolen ter wereld, waarschijnlijk afkomstig uit het oude Egypte (ca. 3600 vC.). Ze is alomtegenwoordig in de grafcultuur, ook en vrij vaak afgebeeld met een drakenhoofd. Haar cirkelvorm verwijst naar de kringloop van de natuur, naar schepping en destructie. De ouroboros die in zijn eigen staart bijt om het leven in een eeuwige cyclus van vernieuwing te bestendigen. “Symbool van zelfbevruchting en van de eenheid van de kosmos; de cirkel die de zon om de aarde beschrijft...”(Timmers). Zinnebeeld bij uitstek van de ultieme onsterfelijkheidgedachte. Door de eigenschap haar huid te kunnen afwerpen, staat de slang symbool voor de cyclische tijd en reïncarnatie. 
De slang had in oorsprong een positieve weerklank. Het is pas sinds de 4e eeuw, toen de nog prille kerk haar met ontucht en zonden associeerde, dat de slang de ons vertrouwde negatieve connotatie werd aangemeten... Ook in de Noordse mythologie herkennen we haar, als Midgaardslang of Jormungandr, de slang die als een cirkel de wereld omvatte...  

www.walterbrems.be

Een kindergraf dat indruk maakte... Een foto van fotograaf Patrick Janssens


Het verhaal: Een heel bijzonder graf (toch wat mij betreft). De eerste foto is een overzicht van het graf, de tweede een detailfoto van de tekst die dit jaar nog bijgeplaatst werd.
 
Rikske stierf 50 jaar geleden. Hij is amper 5maand geworden. Ik tracht een beetje een analyse te maken vandeze communicatie:  Ze spreken Rikske aan als: “Ons klein lief zoontje”,tegelijkertijd zeggen ze: “Je werd 50 jaar”.Het is een beetje alsof hij nog leeft. Daar gaat het juist om. De wetenschap zegt dat er eenblijvende band is tussen de overledene en de nabestaanden. Die is hier zeer duidelijkaanwezig, ook na 50 jaar. De ouders moetenondertussen wel meer dan 70 jaar oud zijn.
Een gelijkaardig voorbeeld was onlangs op TV: ‘Die Huis’, waar Sabine Hagedoren het heeft over haar overleden man. Bij het eten plaatst
ze een glas wijn op de tafel samen met zijn foto. Hij zit in feite dus nog mee aan de tafel.
 
 www.janssens-patrick.com

Graftrommels niet zomaar een grafversiering!


Naast symbolen, epigrafieën en heel veel bloemen kan je op begraafplaatsen ook nog tal van ander funerair erfgoed vinden. Sommige vormen van erfgoed zijn vandaag in de vergetelheid geraakt, de tradities die ze vertegenwoordigden bestaan niet meer en de kennis over hun bestaan slinkt in de loop der tijd. Eén van die erfgoedpareltjes zijn graftrommels. Geen muzikale trommels, maar wel ‘dozen’ met bloemenkransen erin, die ons doen denken aan blikken koekentrommels met daarin kransen in metaal en porselein, maar dan met een afdekplaat in glas of een ander transparant materiaal (zodat we de krans kunnen zien). Graftrommels kunnen gezien worden als kransen (die we ook vandaag nog op graven leggen, maar dan met echte bloemen), die een duurzamere uitwerking kregen, zodat ze de tand des tijd langer konden doorstaan. Volgens Kennes  komen graftrommels courant voor vanaf 1870, maar zijn ze vooral in de eerste helft van de 20ste eeuw (tot voor de Tweede Wereldoorlog) erg populair. Sommigen zien deze trommels als een populair en volks gebruik, al bewijzen tal van oude foto’s van begraafplaatsen dat graftrommels op alle types van graven konden voorkomen (al zat er mogelijk wel verschil in de uitvoering ervan). Er is bijzonder weinig onderzoek en lectuur beschikbaar over graftrommels, waardoor we de datering en het gebruik maar moeilijk met zekerheid kunnen documenteren. Archiefdocumenten, reclamefolders en oude foto’s van begraafplaatsen zijn meestal nog de beste aanknopingspunten.
In Nederland lijkt het gebruik voor te komen op zowel protestantse als katholieke graven en begraafplaatsen, in België lijkt het gebruik vooral te kaderen in een katholieke traditiesfeer. Het einde van de traditie wordt gekoppeld aan diverse redenen. Zo werden er naar verluidt in Nederland al in 1920 maatregelen genomen tegen de ‘excessen’ van de graftrommels , maar ook tegen de verwaarlozing die toen al duidelijk zichtbaar was bij vele exemplaren. De komst van plastic kransen en bloemen en de beperkte concessietermijnen hebben het gebruik waarschijnlijk nog verder ondergraven. Het feit dat materialen zoals ijzer en zink onderhevig zijn aan corrosie onder invloed van de weersomstandigheden heeft ongetwijfeld een sterke impact gehad in het overleven van veel kransen, en maakt dat vandaag weinig exemplaren nog in aanmerking komen voor restauratie. Graftrommels zijn zeker bekend in Nederland en België, maar ook in verschillende andere landen in Europa is het gebruik gekend.
De ovale of ronde vorm, de diepe ijzeren of zinken dozen en de glazen afdekplaat deden velen denken aan een trommel of een doos, wat mogelijk de meest courante naam ‘graftrommel’ kan verklaren. Binnenin werden in de meeste gevallen kransen geplaatst, die vervaardigd waren uit zink, aluminium, stof, porselein of zelfs kraaltjes, al waren ook andere objecten zoals foto’s en beeldjes niet uitzonderlijk. De ovale vorm was naar alle waarschijnlijkheid de meest populaire, al zijn er andere vormen bekend (rond, hartvormig, kruisvormig, enz.). Er werden heel veel verschillende formaten teruggevonden, waardoor het onwaarschijnlijk is dat de trommels het resultaat waren van een grote industriële productie; sommige graftrommels die wel goed gedocumenteerd konden worden blijken gemaakt te zijn geweest door lokale ambachtslieden, zoals smeden of metaalbewerkers. De blaadjes in de kransen werden in veel gevallen met de hand beschilderd, en de kransen werden meestal op maat en op aanvraag vervaardigd. Bij latere exemplaren (vooral in de twintigste eeuw), werden zinken letters vaak vervangen door aluminium- of plasticletters. De trommel zelf kon gemaakt worden in ijzer (blik) of zink, maar mogelijk werden vroege negentiende-eeuwse exemplaren nog in hout gemaakt. 
De graftrommels konden diverse doelen dienen: in veel gevallen ofwel werden ze bij graven geplaatst, gehangen of gelegd, waardoor het gebruik sterk lijkt op het plaatsen van kransen die vervaardigd zijn van verse bloemen en bladeren of (latere) vervangers in kunststof. Er zijn echter ook voorbeelden van graftrommels bekend die als grafteken dienden – waaronder twee bijzondere exemplaren in Hallaar (bij Heist-op-den-Berg) .
De verkoopplaatsen van deze trommels zijn niet altijd bekend, uit verschillende voorbeelden weten we dat familieleden de trommels konden aankopen bij firma’s zoals ijzerwarenhandelaars, smederijen, bloemenverkopers of steenhouwers. Het feit dat bloemenverkopers deze kransen soms verkochten hoeft ons niet te verbazen. De bloemen, blaadjes en takken waaruit de kransen werden samengesteld verwezen naar specifieke funeraire symboliek. Zo zien we vaak hulst, eikenbladeren, wijnranken, palmtakken en roosjes terugkeren, stuk voor stuk planten die in de negentiende-eeuwse en vroeg twintigste-eeuwse symboliek verwezen naar de eeuwigheid, de trouw, de liefde en de verdienstelijkheid. Uit een studie van Bok en Halkus  blijkt dat er een heel scala aan bloemen en planten kon gekozen of vervaardigd worden, maar ook dat het soort bloemen of planten niet altijd met zekerheid te bepalen valt. Een zekere artistieke vrijheid staat dus buiten kijf. Naast de rijke plantensymboliek werden ook rouwlinten, spreuken en foto’s toegevoegd aan kransen, zodat elke krans een persoonlijke toets meekreeg. Sta ons toe u het verhaal te vertellen van een wel heel markante graftrommel.

Een graftrommel voor een gesneuvelde soldaat

In het voorjaar van 2015 werden twee oude graftrommels teruggevonden in Hallaar. Ze waren jaren geleden van het oude kerkhof weggenomen omdat ze in bijzonder slechte staat verkeerden: het glas was gebroken en de inhoud lag ten dele verspreid rond de graftrommels. Niemand kreeg het echter over het hart om de trommels definitief te vernietigen, en zo werden ze voor enkele decennia gestockeerd, in de hoop dat er ooit iemand gevonden werd die ze in ere kon herstellen. Beide graftrommels vertelden een tragisch verhaal: de grootste behoorde toe aan de gesneuvelde soldaat Jan Amand Verhaegen (1889-1916), de andere aan Joannes Jozef Ceulemans (1905-1929), die mogelijk aan TBC op veel te jonge leeftijd overleed. De dood van beide jonge mannen schokte het kleine dorp Hallaar en een lokale metaalbewerker (mogelijk de toenmalige lokale smid Van Leemputten, die echter moeilijk te documenteren valt) maakte naar alle waarschijnlijkheid beide graftrommels.  Beide graftrommels hadden nog één markante eigenschap gemeen: ze stonden niet op een stenen grafmonument als permanente bloemenkrans, maar ze vormden het effectieve grafmonument. Beiden waren gemonteerd op een staak, die het graf markeerde.

De graftrommel van Jan Amand Verhaegen

 en het verhaal erachter kon – mits enkele jaren speurwerk – uitvoerig gedocumenteerd worden. Een verhaal dat samenvalt met de Grote Oorlog en de nasleep ervan. Oude foto’s laten ons zien dat deze graftrommel (maar in feite ook die van J.J. Ceulemans) een goed zichtbare plaats had gekregen aan de voorzijde van het oude kerkhof, en in de onmiddellijke nabijheid stond van andere oorlog gerelateerde graven. De grafrommel kreeg een bijzonder groot formaat (meer dan 150 cm hoog, meer dan 100cm breed en 35 cm diep), en was duidelijk zo ontworpen dat voorbijgangers langs de straatkant nog steeds een glimp konden opvangen van het trieste aandenken aan de dood van een jonge man. Het bijzonder grote formaat en de – met eer verbonden – locatie, zorgde ervoor dat de graftrommel meermaals in beeld kwam bij het nemen van foto’s van het oude kerkhof en activiteiten die in de nabijgelegen straat plaatsvonden (en die op de achtergrond een zicht boden op het oude kerkhof). Figuur 3: De graftrommel (nu tussen nieuwe grafmonumenten in Belgische Blauwe Hardsteen) is opnieuw duidelijk zichtbaar op deze ongedateerde foto. De kap hangt schuin over het glas, dat reeds op dit ogenblik een grote barst lijkt te vertonen (foto: collectie Ludo Verhaert, Hallaar).
 De graftrommel is binnenin versierd met bladeren van de druivelaar, de beuk, blaadjes van hulst (allen in zink) en viooltjes  en roosjes in biscuit. De symboliek van deze blaadjes verwijst naar het overleven van de dood (de druivelaar lijkt in de winter dood, maar draagt elk jaar weer vruchten in de zomer), troost (beuk), de eeuwigheid (de groenblijvende hulst), de bescheidenheid en jeugdigheid (viooltje). De foto’s doen vermoeden dat de weinig blaadjes en bloemen die overgebleven zijn waarschijnlijk veel talrijker aanwezig waren dan vandaag het geval is. 
 
Maar wie was Jan Amand Verhaegen? En waarom kreeg hij zo’n grote graftrommel? Op zijn bidprentje, dat bewaard is gebleven zien de jongeman in uniform. Hij was soldaat bij de artillerie van het Belgisch leger en overleed te Dikkebus (nabij Ieper) op 4 mei 1916. Hij werd aanvankelijk begraven te Poperinge en na de oorlog op 14 oktober 1921 herbegraven in Hallaar. 
Pas als we inzage krijgen in zijn militair dossier komt een klein stukje van het verhaal naar boven. Zijn registratieformulier van het artillerieregiment geeft flink wat informatie. De jonge knaap met blauwe ogen en kastanjebruin haar was voordien tewerkgesteld geweest als landbouwer en trad in dienst op 8 juni 1909, bij het 4de regiment van de artillerie. Enkele maanden later, in oktober kwam hij effectief in actieve dienst. Gedurende zijn dienst werd hij verscheidene keren overgeplaatst: in 1910 naar het 2de  regiment, in 1913 naar het 1ste  regiment en in maart 1915 naar het 7de regiment van de artillerie, waar hij bij zijn dood behoorde tot de 1ste groep. 
Het dossier bevat tal van boeiende persoonlijke details. Voor de oorlog keerde hij verschillende keren opnieuw naar Hallaar, telkens voor een verblijf van 5 dagen tot enkele weken. Hij verbleef in november 1911 mogelijk enkele dagen in het ziekenhuis, en kort nadien, begin 1912, verblijft hij vijf maanden in het buitenland (de reden is onbekend, mogelijk gezondheidsredenen?). Hij kreeg tijdens zijn dienst voor de oorlog ook enkele keren arrest, meestal voor het te vroeg verlaten van zijn wachtdienst of zijn werk. Het kostte hem telkens 4 tot 8 dagen politiezaal. 
Op 1 augustus 1914 werd hij opgeroepen voor de oorlog. Zijn dossier geeft vanaf dan bijzonder weinig informatie vrij. Tijdens de oorlogsjaren staat er geen enkel verlof meer beschreven in zijn dossier, noch enige strafmaatregel. Bij zijn overlijden krijgen we in de documenten wat zicht op enkele andere persoonlijke gegevens. Op het ogenblik van zijn overlijden was hij ongehuwd, en had hij één jaar, negen maanden en 4 dagen anciënniteit opgebouwd in oorlogsdienst – en zoals zijn dossier doet vermoeden – was hij die 21 maanden waarschijnlijk in dienst zonder enige onderbreking. Zijn overlijdensakte werd op 4 mei opgemaakt om 13u, er is daar geen reden van overlijden genotuleerd. Er is wel een inventaris van de weinige objecten die hij bezat, waaronder sporen (voor paarden), een mondharmonica, sigaretten en een portefeuille met brieven en de geldsom van 31 frank en 20 centimen. Hij werd na zijn dood begraven op de (militaire) begraafplaats van Poperinge (au cimetière anglo-franco-belge).
De doodsoorzaak vonden we uiteindelijk ook, en wel in het dagboek van Achiel Van Walleghem, die pastoor was in de oorlogsjaren en nauwgezet een dagboek bijhield. Hij beschreef de dood van ‘onze soldaat’ als volgt: Om 1 ure namiddag wordt de hoeve van Maurits Lemahien geweldig gebombardeerd. Daar verblijven immers verschillige Belgische officieren van den 1ste groep, waaronder doktoors en aalmoezenier E.H. Peeters. (…) 25 bommen vallen op en rond de hoeve, waarvan 3 op de gebouwen. De soldaten komen met hunne peerden gevlucht tot bij de hoeve van Dalle. Ongelukkiglijk een belgisch soldaat wordt getroffen in de ’t deurgat van ’t huis en sterft eenige oogenblikken nadien . Vanaf 1919 deed zijn vader aanvragen om de ereonderscheidingen van zijn zoon alsnog postuum te mogen ontvangen: Ridder in de Leopold II orde met palm en het Oorlogskruis. Op 10/10/1921 werd hij officieel begraven in Hallaar , en kort nadien werd de grote graftrommel opgericht. Zijn graftrommel bevatte op het moment dat hij in 2015 gevonden werd geen foto meer (en het is de vraag of die er ooit was), maar bevatte wel grotendeels verteerde resten van een lint … met de Belgische driekleur.
 
 
 

foto 's :

Foto 1 :Tijdens de beruchte klokkenroof in Hallaar (1943-1944) werden foto’s genomen van de menigte vanop het oude kerkhof. Daarbij komt niet alleen de graftrommel van Jan Amand Verhaegen in beeld, maar ook die van Joannes Ceulemans (foto: collectie Ludo Verhaert, Hallaar)

Foto 2 : De graftrommel (nu tussen nieuwe grafmonumenten in Belgische Blauwe Hardsteen) is opnieuw duidelijk zichtbaar op deze ongedateerde foto. De kap hangt schuin over het glas, dat reeds op dit ogenblik een grote barst lijkt te vertonen (foto: collectie Ludo Verhaert, Hallaar).
 De graftrommel is binnenin versierd met bladeren van de druivelaar, de beuk, blaadjes van hulst (allen in zink) en viooltjes  en roosjes in biscuit. De symboliek van deze blaadjes verwijst naar het overleven van de dood (de druivelaar lijkt in de winter dood, maar draagt elk jaar weer vruchten in de zomer), troost (beuk), de eeuwigheid (de groenblijvende hulst), de bescheidenheid en jeugdigheid (viooltje). De foto’s doen vermoeden dat de weinig blaadjes en bloemen die overgebleven zijn waarschijnlijk veel talrijker aanwezig waren dan vandaag het geval is. 
Tamara Ingels en Lin Verbeemen

Het dagboek van de aalmoezenier


In het dagboek van Achiel Van Walleghem uit WOI heb ik onze soldaat weer teruggevonden… Zijn overlijden staat beschreven, hij kwam om bij een bombardement op de lokale Mauritshoeve tijdens een bombardement met maar liefst 25 bommen…

Wil je meer lezen? het is echt pakkend. Ik schrijf het even uit

http://http://www.inflandersfields.be/nl/04-05-2016

Om 1 ure namiddag wordt de hoeve van Maurits Lemahien geweldig gebombardeerd. Daar verblijven immers verschillige Belgische officieren van den 1ste groep, waaronder doktoors en aalmoezenier E.H. Peeters. (…) 25 bommen vallen op en rond de hoeve, waarvan 3 op de gebouwen. De soldaten
komen met hunne peerden gevlucht tot bij de hoeve van Dalle. Ongelukkiglijk
een belgisch soldaat wordt getroffen in de ’t deurgat van ’t huis en sterft eenige oogenblikken nadien.

De website linkt ook door naar de namenlijst, en die komt uit bij onze soldaat. En het klopt, want de overlijdensakte zegt ook Dikkebus, 13u…Pas als we inzage krijgen in zijn militair dossier komt een klein stukje van het verhaal
naar boven. Zijn registratieformulier van het artillerieregiment geeft flink wat informatie. De jonge knaap met blauwe ogen en kastanjebruin haar was voordien tewerkgesteld geweest als landbouwer en trad in dienst op 8 juni 1909, bij het 4de regiment van de artillerie. Enkele maanden later, in oktober kwam hij effectief in actieve dienst. Gedurende zijn dienst werd hij verscheidene keren overgeplaatst: in 1910 naar het 2de regiment, in 1913 naar het 1ste regiment en in maart 1915 naar het 7de regiment van de artillerie, waar hij bij zijn dood behoorde tot de 1ste groep.
 
 

Dossier

 
Het dossier bevat tal van boeiende persoonlijke details. Voor de oorlog keerde hij verschillende keren opnieuw naar Hallaar,telkens voor een verblijf van 5 dagen totenkele weken. Hij verbleef in november 1911 mogelijk enkele dagen in het ziekenhuis,en kort nadien, begin 1912, verblijft hij vijf maanden in het buitenland (de reden is onbekend, mogelijk gezondheidsredenen?).Hij kreeg tijdens zijn dienst voor de oorlog ook enkele keren arrest, meestal voor hette vroeg verlaten van zijn wachtdienst of zijn werk. Het kostte hem telkens 4 tot 8 dagen politiezaal.Op 1 augustus 1914 werd hij opgeroepen
voor de oorlog. Zijn dossier geeft vanaf dan bijzonder weinig informatie vrij. Tijdens de oorlogsjaren staat er geen enkel verlof meer beschreven in zijn dossier, noch enige strafmaatregel. Bij zijn overlijden krijgen we in de documenten wat zicht op enkele andere persoonlijke gegevens. Op het ogenblik van zijn overlijden was hij ongehuwd, en had hij één jaar, negen maanden en 4 dagen anciënniteit opgebouwd in oorlogsdienst – enzoals zijn dossier doet vermoeden – was hij die 21 maanden waarschijnlijk in dienst zonder enige onderbreking. Zijn overlijdensaktewerd op 4 mei opgemaakt om 13u, er is daar geen reden van overlijden genotuleerd.Er is wel een inventaris van de weinige objecten die hij bezat, waaronder sporen (voor paarden), een mondharmonica, sigaretten en een portefeuille met brieven en de geldsom van 31 frank en 20 centimen. Hijwerd na zijn dood begraven op de (militaire)
begraafplaats van Poperinge (au cimetière anglo-franco-belge). De doodsoorzaak vonden we uiteindelijkook, en wel in het dagboek van Achiel Van
Walleghem, die pastoor was in de oorlogsjaren en nauwgezet een dagboek bijhield. Hij beschreef de dood van ‘onze soldaat’ alsvolgt: Om 1 ure namiddag wordt de hoeve van Maurits Lemahien geweldig gebombardeerd.Daarverblijven immers verschillige Belgische officieren van den 1ste groep, waaronder doktoors en aalmoezenier E.H. Peeters. (…) 25 bommen vallen op en rond de hoeve, waarvan 3 op de gebouwen. De soldaten komen met hunne peerden gevlucht tot bij de hoeve van Dalle. Ongelukkiglijk een belgisch soldaat wordt getroffen in de ’t deurgat van ’t huis en sterft eenige oogenblikken nadien. Vanaf 1919 deed zijn vader aanvragen om de ereonderscheidingenvan zijn zoon alsnog postuum te mogenontvangen: Ridder in de Leopold II orde metpalm en het Oorlogskruis. Op 10/10/1921werd hij officieel begraven in Hallaar, en kortnadien werd de grote graftrommel opgericht. Zijn graftrommel bevatte op het moment dat
hij in 2015 gevonden werd geen foto meer (en het is de vraag of die er ooit was), maar bevatte wel grotendeels verteerde resten van een lint … met de Belgische driekleur.

Opmerking en bronnen:

Deze werden in 2015 per toeval teruggevonden in een heemkundige collectie en
werden goed gedocumenteerd in T. Ingels, R. Van Loo, e.a. Hallaar in dialoog met de dood. Een tentoonstelling over funeraire verhalen, gebruiken en tradities, Heist-op-den-Berg,
 
Intro Cultuur en Media, 2015.
L. Bok en E. J. Halkus. Graftrommels en (kunst)kransen in Nederland.
Historie van een bijzonder funerair object. Stichting Dodenakkers, 2013.

https://database.namenlijst.be/publicsearch/#/ person/

Nantes “Vers l’Infini” Tekst: Jenny Bonnast Foto: Jean Donny


We willen jullie volgend beeld niet onthouden, gespot aan de ingang van “Le
cimetière de la bouteillerie” tijdens onze citytrip Nantes. Het betreft een bas-relief in plaaster, noemt “Vers l’infini” en werd uitgevoerd door Blanche Adèle Moria in 1928. We zien een wanhopige moeder die tevergeefs de engel probeert te stoppen die haar kindje meeneemt naar de hemel.De begraafplaats zelf is trouwens ook een bezoek meer dan waard; ze is goed onderhouden en gedocumenteerd. Ze ligt in een mooi kader achter het station van Nantes enlangs een ronduit schitterende “Jardin des plantes”.

Blanche Adèle Moria

De kunstenares Blanche Moria is geboren te Parijs in 1859 en is er gestorven in 1926. Zij is er leerlinge van o.a. Chapu aan de Académie Julian. Zij geeft tekenles en beeldhouwen aan het lycée Molière. Blanche Moriais een militante feministe die ijvert voor gelijke rechten. Ze is lid van de “Ligue française pour le Droit des Femmes”. Zij realiseert bustes , medaillons, allegorische beeldhouwwerken en monumenten. Zij neemt deel aan verschillende tentoonstellingen en krijgt ook veel opdrachten van de staat.
Haar eigen graftombe is te bewonderen in Avon (Seine-et-Marne)

Bron

France-XVIIIe-XXe siècle door Sylvie Chaperon, Christine Bord. Presses Universitairesde France, 2017

Foto (links) Mémoire d’hommes, principalement artistes, liés à la Seine-et-Marne. Blog animé par Jean-Michel Saincierge

Proost ! Foto’s van onze Noorderbuur Wim Vlaanderen


Foto’s zijn gemaakt in Sankt Florian(Oostenrijk), het kerkhof bij de Augustiner Chorherrenstift.
Bij de poort staan twee geraamtes (in het Duits: Geripte) de ene met zandloper en de andere heeft een klok in de hand. Beide beelden symboliseren de vergankelijkheid....en op het eerste zicht lijkt het wel of de eerste het glas heft op nieuwe jaar, maar het is wel degelijk een zandloper!

Dog Cemetery, Corrigin, West-Australië


Uniek. Gestart in 1974 door een boer die zijn trouwe opgeleide hond een rustplaats wou geven. Meer dan 80 grafzerkjes met aandoenlijke inscripties en kleine attributen. 
Een hondenstandbeeld vooraan het kerkhofje.
Marie-Louise Franken & Leo Serneels

Japanese Cemetery in Broome, West-Australië


De Broome begraafplaats is ingedeeld in aparte perken volgens religie en/of nationaliteit en getuigt van een rijke en culturele geschiedenis. Aparte vakken zijn het Australian Cemetery/locals, Muslim Cemetery , Malai Cemetery , Jewish Cemetery, Chinese Cemetery  en het grootste, Japanese Cemetery .
Broome was een smeltkroes van nationaliteiten die hun geluk kwamen beproeven als parelduikers, hoofdzakelijk Japanners. De Chinezen hielden en houden zich hoofdzakelijk met de commerciële kant bezig. Vele Japanse parelduikers stierven door verdrinking of ziekten of lieten het leven bij de cyclonen van 1887, 1908 en 1935. De grafstenen zijn gehouwen uit kustrotsen (roze kleur).
 
Marie-Louise Franken & Leo Serneels