Nieuwsbrief Nr. 109 - januari 2019

Deze nieuwsbrief wordt binnenkort verder aangevuld.










.

Nieuwjaarswensen vanwege het bestuur


Welkom 2019! Vzw Grafzerkje wil aan al zijn leden de allerbeste wensen overmaken. Hopelijk wordt het op funerair vlak een jaar waarin we veel interessante bestemmingen in de kijker kunnen zetten.

Zoals reeds meermaals aangekondigd, plannen we om samen met onze leden het glas te heffen tijdens de ledenvergadering in Lier op zaterdag 26 januari. Daar zullen we ook het jaarprogramma toelichten, dat in 2019 opnieuw rijkelijk gevuld zal zijn. Het programma zal bestaan uit een divers aanbod van begraafplaatsbezoeken, museumbezoeken, een bezoek aan een begrafenisondernemer, een zoektocht langs funeraire parels en een aantal samenwerkingen met enkele externe partners. Het programma zal ons naar tal van grote en kleine bestemmingen voeren, waaronder Lier, Elsene, Herent, Antwerpen, Brugge, Grimde, Gent en Brussel – telkens onder leiding van gepassioneerde gidsen met een hart voor funerair erfgoed. In tegenstelling tot de vorige jaren zullen enkele bezoeken niet op zaterdagen vallen, dit ook op vraag van een aantal van onze leden.
Naar jaarlijkse gewoonte leggen we op de ledenvergadering voor iedereen ook een pakketje flyers klaar, om ze her en der in Vlaanderen te helpen verspreiden. Voor 2020 leggen we ons oor graag nu al te luisteren. Want uiteraard willen we inzetten op bestemmingen die onze leden met gids willen bezoeken.
Wat de Nieuwsbrief betreft: die zien we als een belangrijk communicatiemiddel naar onze leden toe. Maar belangrijker nog: het is ook een communicatiemiddel van onze leden naar elkaar toe. Informatie uitwisselen, ervaringen delen, verhalen samenbrengen, nieuwsjes aankondigen – het past perfect in ons tweemaandelijkse huiswerk. In 2019 zal de Nieuwsbrief ook naar enkele bibliotheken verspreid worden, zodat we hopelijk ons lezerspubliek nog wat kunnen uitbreiden. We zijn blij om vast te stellen dat velen van onze leden in 2018 prachtige artikels inzonden voor onze nieuwsbrief, en we hopen dat dit voor 2019 zeker het geval mag blijven. Ook onze digitale kanalen blijven uiteraard op post.
2019 brengt ook een bijzondere samenwerking met zich mee. Als vzw engageerden we ons twee jaar geleden al om mee het ASCE-congres in 2019 op de kaart te zetten, samen met enkele bijzondere partners. Het congres gaat door van 3 tot 5 oktober in Gent, en zal tal van interessante bijdragen van sprekers verzamelen, naast interessante werkbezoeken aan begraafplaatsen in Vlaanderen en Brussel. Onze leden zullen met een mooie korting kunnen inschrijven voor het congres. Meer details kan verderop in deze nieuwsbrief vinden. 
Ook in 2019 mogen we met vzw Grafzerkje rekenen op onze leden, zo wijzen de lidmaatschapsvernieuwingen nu al uit. We mochten de voorbije maanden ook heel wat nieuwe leden verwelkomen, en ook dat is een opsteker voor onze vereniging.
Als bestuur zijn we vastbesloten om ook in 2019 de kerntaken van de vzw verder te versterken en verder te blijven verzekeren. Want stuk voor stuk dragen we – samen met al onze leden – funerair erfgoed in al zijn diversiteit een bijzonder warm hart toe. We blijven rotsvast staan achter het harde werk dat verschillende bestuursteams voor ons al leverden om vzw Grafzerkje op de kaart te zetten.

Onze bestuurders:  
(v.l.n.r.) Veerle Audenaert (penningmeester), Frans Van de Vondel (ledenwerking), Lin Verbeemen (graftrommels), Mark Sweertvaegher (websitebeheerder), Tamara Ingels (voorzitter), Brigitte Schorrewegen (secretaris)

Gevraagd, gezocht, nog niet ontvangen...


Er zijn Pirelli-kalenders, maar ook andere... Wij - Grafzerkje - zijn op zoek naar 12 mooie begraafplaatsfoto’s, want we willen zelf een kalender in elkaar knutselen. Namelijk een Grafzerkjes-kalender 2020!
Heb je een mooie sfeerfoto van een begraafplaats in de sneeuw
of eentje met een mooie bloesemlaan op de achtergrond in de aanbieding...
Stuur maar door, wij zijn zeer benieuwd!

Eén adres: [email protected]

Funeraire symboliek: Rouwsluiers


Een foto van kunstenaar Walter Brems:

Rouw en droefheid worden vaak gesymboliseerd door mysterieus gesluierde vrouwenfiguren, het gelaat onherkenbaar met een flinterdun doorschijnend weefsel (voile) verhuld. Weduwen- of rouwsluiers, ook lamfer of floers genaamd, het zijn restanten van vroegere zichtbare rouw. Het verhullen, het zich afwenden van het leven waarbij symbolisch een scheiding ontstaat tussen de levenden en de doden, behoort reeds sinds de oudheid tot de rouwverwerking. Door het gelaat te omfloersen -daarbij ijdelheid en lijfelijkheid negerend- wordt een nederig en schroomvol beeld gecreëerd. Het sacraal verbond, gesloten tussen man en vrouw, dat vroeger bij de plechtige inzegening van het huwelijk gesymboliseerd werd door het ritueel opheffen van de gezichtssluier van de bruid, werd bij het overlijden van de echtgenoot verbroken door symbolisch het gelaat opnieuw af te schermen. Het gebruik van rouwsluiers vinden we reeds terug in een Assyrische wettekst uit de 13e eeuw V.Chr., waarbij het dragen ervan voorbehouden wordt aan adellijke dames.

www.walterbrems.be


24 november: rondleiding twee Leuvense begraafplaatsen


Leuven: Stedelijke begraafplaats


Tekst: Tamara Ingels
Fotos: Jean Donny,
Agnes Haesendonck
en Tamara Ingels

Echt kerkhofweer kan onze Grafzerkjes niet tegenhouden! Een verslag van een interessante (maar bijzonder regenachtige) voormiddag in Leuven.
Op 24 november jongstleden brachten we, in aanwezigheid van 21 deelnemers een bezoek aan de Stedelijke begraafplaats van Leuven (voormiddag) en de begraafplaats Abdij van ’t Park (namiddag), onder leiding van onze kundige gids Kathia Glabeke.
Met haar achtergrondkennis vanuit www.funerabilia.be bleek ze de aangewezen persoon om dit bezoek te begeleiden.
De weergoden waren ons jammer genoeg niet echt gunstig gezind, het typisch Belgische ‘kerkhofweer’ liet zich van zijn beste kant zien. Ondanks de druipende regen was er dus toch flink wat interesse voor de Leuvense funeraire geschiedenis en een dikke pluim voor onze gids, die het regenweer zeker niet aan het hart liet komen en ons met veel passie vertelde over het Leuvense erfgoed dat hier te vinden is. Ook aan fotografen was er – ondanks het weer – geen gebrek. Uw verslaggever voor het voormiddagprogramma dankt dan ook Agnes en Jean, die vlot en vlijtig camera’s mee inzetten om bij het donkere weer toch foto’s van een goede kwaliteit te kunnen tonen aan onze lezers.
 
De Stedelijke begraafplaats bestaat sinds 1785
De afscheidsruimte van de begraafplaats werd voor de gelegenheid omgetoverd tot verwelkomingsplaats voor onze Grafzerkjes. De twee begraafplaatsen liggen weliswaar vlakbij elkaar, maar tot op heden is er geen doorgang tussen beiden, al zijn er in het verleden al meermaals plannen geweest om die doorgang wel mogelijk te maken.
De stedelijke begraafplaats is in totaal zo’n 8.5 hectare groot. Ze opende in 1785, in feite dus vlak na het uitvaardigen van het edict van Jozef II in 1784, al duurde het nog tien jaar vooraleer de eerste begrafenis hier zou plaatsvinden. De site was aanvankelijk kleiner, maar in de loop der jaren werden tal van aanpalende stukken grond bij aangekocht. Tot op vandaag kan je die geschiedenis ook in de lay-out van de begraafplaats goed zien, onder meer aan de oriëntatie van de graven en de manier waarop de paden werden aangelegd (van een strak schema van rechte paden tot een kronkelende padenstructuur). Vlakbij de ingang was er ook een perk voor joodse en protestantse begravingen, maar die zijn vandaag volledig verdwenen door tal van ontruimingsacties. Deze ontruimingen zie je op deze begraafplaats hier en daar nog, in de vorm van verkleuringen en silhouetten van oude grafmonumenten die tegen de begraafplaatsmuur werden opgetrokken en reeds enige tijd werden weggehaald. Het geeft deze begraafplaats een bijzonder karakter.
Er is in het verleden reeds een inventaris opgemaakt van deze begraafplaats. Op enkele graven kan je hier de letter E vinden (een verwijzing naar vzw Epitaaf, die bij de inventarisatie betrokken zijn geweest).
Vandaag zijn op deze begraafplaats nog heel wat variaties in graftekens te vinden, ook in de recentere uitvoeringen. Op deze begraafplaats krijgen concessionarissen nog wat speelruimte om te variëren in grootte en vorm, maar op andere Leuvense begraafplaatsen is dat niet altijd het geval. Denk maar aan de dodenakker van Kessel-Lo, waar de graven veel uniformer zijn uitgevoerd. Er wordt een beleid gevoerd waarin gestreefd wordt naar een eigen sfeer op elke begraafplaats.
Onze gids vertelt dat de begraafplaats sinds enige tijd niet meer kan worden afgesloten. In een nabij verleden was één van de bezoekers blijkbaar net iets té enthousiast om te proberen om met de wagen de begraafplaats te betreden. Gevolg? Een stuk van de afsluitingsmuur én de toegangspoort werden daarbij omvergereden. De muur werd hersteld, maar de poort bleef sindsdien open.
De rondleiding gaat, gezellig onder tal van paraplu’s, verder langs wat ooit de ‘tumulus’ was die opgetrokken werd ter nagedachtenis van een golf van epidemieën die Leuven ooit hard trof. De epigrafie vertelt: ‘Ter herinnering aan de meer dan duizend Leuvense slachtoffers der negentiende-eeuwse choleraepidemiën 1832-1833, 1849, 1866. Ze stierven als gevolg van de ellendige leef- en woontoestanden van de arbeidersklasse’. Het is bijgevolg geen echte tumulus, maar wel een herdenkingsmonument. Of beter: dat was het ooit. De heuvel, waarop tal van oude gietijzeren kruisen werden gezet, blijkt immers niet meer op zijn oorspronkelijke plek te liggen. Erger nog… het gedenkteken werd niet alleen verplaatst, maar werd zelfs in drie delen opgedeeld en verspreid over de hoeken van een kruising van paden. Een heel vreemde constructie, dat is het minste wat we er van kunnen denken. De reden? De oorspronkelijke constructie lag in het midden van een pad, en bleek de doorgang voor zwaar materieel, dat vandaag op begraafplaatsen gebruikt wordt, te verhinderen.
 
Verderop zien we het graf van Felix Ackermans, dat naast een prachtig 19de-eeuwse uitvoering een mooi portretmedaillon in brons draagt. Helaas, een kleine stortbui onderweg verhindert ons van foto’s te nemen.
 
We stoppen bij het ‘Russische monument’ geschonken door het Sovjet Comité van Oorlogsveteranen geschonken, ter herdenking van de Russische soldaten die hier in de tweede wereldoorlog sneuvelden.
Het werk in Leuven werd ingehuldigd op 2 september 1990. Tijdens de tweede wereldoorlog waren duizenden Russen in België aanwezig. Het waren meestal krijgsgevangenen die door de bezetter als arbeidskrachten werden aangevoerd. De meesten werden tewerkgesteld in de Limburgse steenkoolmijnen. Velen wisten te ontsnappen, vaak met de hulp van Belgische verzetslui. Soms streden ze nadien met de partizanenkorpsen mee. Het beeldhouwwerk is van de hand van beeldhouwer Alexander Bourganov,
een  een Russisch kunstenaar geboren in 1935, die internationale erkenning geniet
(wil je meer weten: kijk dan zeker even op www.funerabilia.be).
 
Sterrenweide
Vlakbij ligt er een sterrenweide. Leuven was de eerste stad in Vlaanderen die in 2011 een dergelijke plek opende, en waar ouders zelf mee kunnen beslissen op welke manier ze afscheid wensen te nemen. Jaarlijks worden ook hier in december kaarsjes ontstoken voor Wereldlichtjesdag, een gebeurtenis die in het licht staat van overleden kinderen.
 
Tegenover de grote grafkapel van de familie Bossu staat er een andere bijzondere ‘kapel’. Een bijzonder vormgegeven kleine koperen kapel bekroont een graf dat door de overledene zelf ontworpen werd (en later als grafmonument is gaan dienen). De ontwerper was werkzaam als dakwerker/loodgieter. Het monument vormt een mooi voorbeeld van beroepen die je ook op begraafplaatsen kan terugvinden.
 
Collumbarium
Achteraan op de begraafplaats verwijst gids Kathia naar de toekomst. In een uitdovend columbarium werden alle vrijgekomen nissen opgevuld met hout en ander plantaardig materiaal, met het oog op het creëren van een groot bijenhotel. In de toekomst  zal de omliggende ruimte verder omgevormd worden tot een nieuw gedeelte, waarin veel aandacht zal zijn voor de vergroening van het landschap en het aantrekken van tal van vlinder- en bijensoorten.

 Aanpalend liggen er enkele graven met de zeer herkenbare grafzerken die toebehoren aan de begraafplaatsen in het beheer van Commonwealth War Graves Commission.
 
Op de begraafplaats zijn nog enkele grafmonumenten te vinden waar in de buurt een vlag prijkt. Eén ervan is het monument ter nagedachtenis van 18 april 1902, de ‘bloednacht’ van Leuven. De burgerwacht van Leuven schoot tijdens een betoging voor het enkelvoudig stemrecht met scherp, en er vielen zes slachtoffers te betreuren.
 
Werkliedenpartij
Vlakbij ligt het graf van Van Langendonck, die een actief lid was van de Belgische Werkliedenpartij. Tot 1907 was hij gemeenteraadslid te Leuven, nadien werd hij Volksvertegenwoordiger. Later in zijn leven verhuisde hij nog naar Sint-Jans-Molenbeek, waar hij van 1933 tot 1935 eveneens gemeenteraadslid werd. Na zijn dood werd hij volgens zijn wens in Leuven begraven.
 
Een tweede deel van het bezoek gaat door op het nieuwe deel van de begraafplaats. Hier valt het kronkelende grondplan van de toegangswegen sterk op. Het verschil tussen oud en nieuw is goed zichtbaar. Op dit deel kan je onder meer de anatomievelden vinden, de graven van mensen die hun lichaam aan de wetenschap schonken.
Aan het einde van het bezoek dalen we af in de grafgalerijen van het monument voor de gesneuvelde burgers en militairen van de Eerste Wereldoorlog. Het monument staat centraal op het nieuwe deel van de begraafplaats, en wordt aangeduid met een massief monument, ontworpen door Louis Jotthier. De gevleugelde vrouw vooraan symboliseert de stad; ze kan als een engel gezien worden, maar ook als de Griekse godin van de overwinning. Aan haar voeten bevinden zich twee gesneuvelden: links is een soldaat door een gasaanval om het leven gekomen, rechts ligt een neergeschoten, ineengedoken burger. Aan de linkerkant van het monument (noordzijde) wordt verder ingezoomd op het militaire leed. Aan de rechterkant (zuidzijde) komt het lijden van de Leuvense burgers aan bod. Op het reliëf aan de achterzijde rust het Leuvens wapenschild op eikenbladeren en lauweren, met daaronder de Belgische oorlogshelm, toorts en zwaard.
Om de galerijen te betreden dalen we af in een bevreemdende toegang, die ons dwingt om gebogen en voorzichtig af te dalen langs de steile treden. We schuifelen bijgevolg binnen, deels uit respect voor de vele burgerslachtoffers en gesneuvelde soldaten, deels uit schrik om van de toch wel steile en glibberige treden te schuiven.
Tijdens de middag konden we even opwarmen en opdrogen, daar was denkelijk niemand rouwig om… Wat niet wegneemt dat er duidelijk heel wat te vinden en te vertellen is op de stedelijke begraafplaats.
 
Petrus Florquin
Het graf van Petrus Florquin, een volksdichter en zanger die we vandaag helaas niet meer kennen. Zijn graf was volgens onze gids nochtans ooit het onderwerp voor een parlementaire vraag.
 
Vital De Coster
Het graf van Vital De Coster, een liberaal politicus, schepen van onderwijs en van 1901 tot aan zijn dood in 1904 burgemeester van de stad. In het Leuvense stratenplan vind je nog verwijzingen naar hem: een straat werd naar hem genoemd, en hij kreeg een standbeeld in de gelijknamige straat (al was het oorspronkelijk opgesteld in de voortuin van het muziekconservatorium in Craenendonck.  
 
 
Familie Stevens-Marneff
Op het bijzonder mooi uitgewerkte grafmonument van de familie Stevens-Marneff staan een uil en een haan, die dag en nacht het graf bewaken (maar ook als memento mori de dood voorspellen die dag en nacht kan toeslaan). Het monument staat ook op een cover van een boek van Jo Claes, de bekende Leuvense misdaadschrijver.   
 
 
Leopold Vander Kelen
Het graf van Leopold Vander Kelen, liberaal politicus en burgemeester van Leuven tussen 1872 en 1885, werd ontworpen door niemand minder dan Jef Lambeaux, met wie hij goed bevriend was. Het hoeft geen betoog dat de vochtige weersomstandigheden dit graf een bijzonder mooi uitgewerkte dramatiek meegaven.
 
 
Familie De Jonghe
Koperen kapel, gemaakt door de overledene zelf - bij leven werkzaam als loodgieter en dakwerker. Een voorbeeld van de vele beroepen die je op de begraafplaats kan terugvinden
 
 
Monument ter nagedachtenis van 18 april 1902, de ‘Bloednacht’ van Leuven

Abdij van ‘t Park, Heverlee


Tekst: Katharina Meulemans,
fotos: Jean Donny en Lin Verbeemen

Het tweede begraafplaatsbezoek was het kerkhof van de abdij van Park te Heverlee. Het kerkhof maakt deel uit van de abdijsite van de Norbertijnen en de hele site zit al een aantal jaren in restauratie. Het verfraaien van deze plaats gebeurt in samenwerking met de stad Leuven.
 
De abdij behoort tot de orde der Norbertijnen en is geen zelfstandige abdij meer maar afhankelijk van de abdij van Averbode, die hier drie paters huist daar de eigen paters allemaal gestorven zijn of elders in een seniorie zitten.
Het kerkhof ligt in de voormalige boomgaard van de abdij en dit verklaart waarom er op de poorttoegang “1723” vermeld staat. De voormalige dreef langs fruitbomen die naar het kerkportaal leidde, is nu het hoofdpad van het kerkhof. Het oudste graf op het kerkhof dateert van 1843.

Het kerkhof is opgedeeld in 4 gedeelten, waarvan het meest recente gedeelte de uitbreiding achter de abdijmuur is.
Voor WO II waren bijna 70% van de teksten op de zerken Franstalig, naast 5% Latijnse en een klein 20% Nederlandstalige teksten.
Crematie is bij wet in België sinds 1930 toegelaten maar door de katholieke kerk pas sinds 1963. De urne op graven heeft dus niets met crematie te maken maar geldt als een symbolisch teken.

deel B: het voormalige parochiekerkhof
Aan de rechterzijde liggen een aantal grafweiden van zusters en een grafkapel. Er zijn een 20-tal congregaties op het kerkhof gekend. Aan de linkerzijde liggen (familie)graven van vooraanstaanden. Deze  prominenten en religieuzen werden voordien in de kerk begraven en kozen na de wetswijziging als alternatief de abdijsite. Zo lagen de katholieken alsnog in de nabijheid van een kerk.  De witte kruisjes van de religieuzen van de abdij zelf liggen op een privéstuk achter het koor.
De grafkapel gold als een soort eigen kerkje waarin werd begraven. Zulke kapellen hadden een altaar en banken waar voor de overledenen kon worden gebeden.
Een familiegraf met twee wapenschilden waaronder het linkse een ovale vorm heeft en die zou van de vrouw geweest zijn.
Stèle van een dokter: uitbeelding van een slang die drinkt. Indien de slang in een spiegel zou kijken dan is de overledene een apotheker.
Hiernaast een stèle met een kruis in een cirkel. De cirkel symboliseert het eeuwige leven.
Wat verder staat een stèle met Maria als moedergodin, vrij van alle erfzonden.
Links van het kerkportaal :  stèle van J.B. David. Stichter van het Davidsfonds, eerste professor die in het Nederlands onderwees aan de KUL. Dit graf van 1866 was ook het eerste graf met een Nederlandse tekst. Hiernaast ligt de grafkelder van de familie de Bunswyck, de laatst begraven was een barones die woonde in het pand dat heden het gemeentehuis van Boutersem is. Zij werd op 60-jarige leeftijd vermoord.
Hiernaast ligt het graf van de geestelijke Ladeuze. Aan de hand van het aantal kwastjes op de zerk, kan je zijn plaats bepalen in de kerkelijke hiërarchie. Verder staat er een hoed op de zerk. Hij verschafte in 1920 meisjes de toegang tot de universiteit, doch zeer tegen zijn zin en hij hoopte dat de vrouwen een richting zouden kiezen die lag in “hun vrouwelijke geaardheid”.
Aan de overzijde van deze graven ligt op de hoek de zerk,  met een moderne pleurante, van Fryda Van Damme. Zij was de eerste vrouw van Edw. de Maerschalk en overleed in 1992 aan kanker. Ze heeft zelf dit beeld in het atelier van kunstenaar Bandini gekozen. Zij koos wel voor een witte sokkel waar de pleurante op rust, het blok was oorspronkelijk zwart maar ze wou een positieve toets geven aan haar zerk. Hiernaasst ligt een goede vriend van haar, prof. Boving, eveneens gestorven aan kanker. Zijn zerk werd gemaakt door zijn vrouw-kunstenares. Wat verder op dit pad is het graf van Freson, een notarisfamilie.
Op de achtergrond weerklinkt het vredeslied op de nieuwe vredesbeiaard o.l.v. de vaste Leuvense stadsbeiaardier Luc Rombouts. De nieuwe klokken werden op 11/11/2018 ingewijd en werden  bekostigd door de stad Leuven en het Duitse stadje Neuss. Neuss heeft na de oorlog zijn excuses voor het leed aangeboden en vriendschapsbanden met de stad opgebouwd, de nieuwe beiaard is daar een vervolg van. Het kadert in het project dat men van dit kerkhof een luisterbegraafplaats wenst te maken. Een heel programma met muziek wordt periodiek afgespeeld en wordt als meerwaarde aan de rouwenden aangeboden.
 
Deel A:
Grafzerk van J. Helleputte met zijn vrouw en moeder. Hij heeft in Gent gestudeerd maar kende carrière in Leuven. Hij was één van de stichters van de Boerenbond. Verder was hij hoogleraar en volksvertegenwoordiger en erg Vlaamsgezind. Als architect staat hij bekend voor zijn neogothische creaties. Verder was hij voorzitter van het Davidsfonds. Omwille van zijn katholieke achtergrond wou hij hier worden begraven.  Op de zerk staat het IHS teken.
Wat verder ligt de zerk van “Des Dames”. Het waren vier gezusters van Biervliet. Drie daarvan hebben een congregatie opgericht en zijn ingetreden. Ze hadden vier huizen verspreid over het land en boden een opleiding aan “deftige meisjes”. Ze waren vooral bekend voor de instelling in Tielt waar men een aggregaatopleiding kon volgen.
Wat verder ligt de zerk van voormalige rector Piet de Somer. Hij stierf tijdens zijn vierde ambtstermijn en was bijna 20 jaar rector van de KUL. Hij ligt hier samen met zijn moeder, zijn broer (of schoonbroer?) en echtgenote begraven.
De eerste grafkapel, van de familie Jaemart, verkeert in slechte staat daar de familieleden uitgestorven zijn. De andere grafkapel is in betere staat en werd een aantal jaren geleden opgeknapt en van een bloemenperk voorzien.
Tussen een aantal graven liggen kleinere urnenvelden, deze worden aangeplant telkens een graf wordt geruimd.
Wat verder ligt een omheinde graftuin; deze was oorspronkelijk voor zusters voorzien maar werd nadien verhuurd voor het begraven van paters.
Grafzerk van de Walque, bekend van zijn tuin in Leuven.
Een zerk met ogenzichtelijk breukstenen doch als men nader kijkt zijn dit brokstukken van graven. Dit graf van Van Goetsenhoven werd gemaakt met stukken van graven die geruimd werden bij de stopzetting van de concessies van het kerkhof van Sint-Lambertus in Heverlee. Een heel deel van de graven ging naar het kerkhof van de Jacht en deze zerk werd opgebouwd met stukken van een aantal graven.
 
Deel B:
Grafzerk van Irene de Snieders, staat plaatje bij voor ontruiming. Graf uit 1926 met swastika. De waarde van het graf ligt hierin dat de swastika nog niet het symbool voor het nazisme was maar het oude symbool voor Christus. Verder staan er in de hoeken van de grafzerk de afbeeldingen van alfa en omega/twee vissen/een drietand /een anker, allemaal religieuze symbolen.
De Lourdesgrot werd gemaakt op vraag van abt Versteylen. Was op een bepaald moment mode.
De grafplaat van abt Karel Vloeberghs die  niet tussen zijn paters wou worden begraven.
Het graf van van Uyttebroek met een mooi groot reliëf. Deze persoon werd gefusilleerd doch ligt begraven tussen de andere graven, er is geen speciaal ereteken aan deze slachtoffers gewijd.
Graf met engel in tegelmozaïek werd gemaakt door Max Vanderlinden voor een zekere Igor, gestorven in 1964.
We komen aan de koormuur waar een graf met calvarie is, de drielobbige achtergrond verwijst naar de deur naar de hemel.
Graf met een beeldhouwwerk van Elström (er was van deze kunstenaaar ook een bronzen  sculptuur op de stedelijke begraafplaats en verder zijn er van hem ook heel wat beelden aanwezig in de basiliek van Koekelberg).
 
Deel D:
Het recente deel van het kerkhof is te bereiken via een opening gemaakt in de voormalige abdijmuur. Links helemaal in het hoekje liggen de begijnen.
Verder werd er wat stilgestaan bij een aantal graven zoals het graf van de vader van Agnes Haesendonck, de slachtoffers van de busramp, de voormalige museumconservatrice Van de kerckhove, …

Haesendonck en Elström


In 1958 maakte beeldhouwer Harry Elström 2 zerken op de begraafplaats van Abdij van ‘t Park in Heverlee. Een voor de familie Nobel , die toen een kunstgalerij had in Leuven en een voor mijn vader . Enkele jaren geleden brak het lange kruis van zijn zerk onderaan af en werd er een vierkant kruis van gemaakt. Heel toevallig vond ik de rest in de vuilbak van het kerkhof.
Ik nam het mee naar huis en zette het enkele jaren in mijn tuin. In augustus ll  volgde ik een letterkapcursus bij Pieter en Kristoffel Boudens en hoopte met hen te proberen er een (funerair) symbool op te zetten zonder dat de steen zou splijten, daar hij dooraderd is met barsten. Gelukt! Ik koester die steen natuurlijk! Kristoffel, ik ben je heel erg dankbaar voor je hulp!
 
Agnes Haesendonnk, lid van 't Grafzerkje 


24 november: begraafplaats Abdij van ‘t Park Zusters van de Goede Herder



Tekst: Kathia Glabeke
foto: Lin Verbeemen

Eén van de congregaties die een concessie voor haar leden heeft op de begraafplaats van de Abdij van Park te Heverlee is die van de zusters van de Goede Herder.
 

Deze religieuzen kwamen naar Leuven in 1864. De congregatie was na de Franse Revolutie opnieuw opgericht in Angers (Frankrijk) en werd genoemd naar het refugehuis van Angers waar ze actief waren. Naar het voorbeeld van Christus die het verloren schaap liefdevol terugbracht, legden ze zich vooral toe op de opvang van weesmeisjes en de heropvoeding van jonge vrouwen die uit de gemeenschap gestoten waren.
In Leuven kwam de gemeenschap tot volle ontwikkeling onder leiding van Marie de St. Ignace de Jésus, afkomstig uit Koblenz. Deze overste had al eerder leidinggevende ervaring opgedaan en bleef ruim dertig jaar aan het hoofd van de groep in Leuven, tot aan haar dood in 1902. De gemeenschap woonde in de Minderbroedersstraat. Aanpalende terreinen werden voor de groeiende groep aangekocht en niemand minder dan Joris Helleputte tekende de plannen voor de nieuwbouw die voor het klooster gerealiseerd werd.
Er waren drie gescheiden afdelingen in de Leuvense instelling. Er was de groep “ontspoorde” vrouwen tussen 15 en 24 jaar die terug op het rechte pad gezet werden en hier eventueel ook konden bevallen (waarna ze hun kind ter adoptie afstonden), de klas met de jongere weesmeisjes, en ten slotte een communauteit Magdalenazusters, vooral samengesteld uit vrouwen uit de eerste groep die wensten te blijven en een religieus leven verkozen.
Na de tweede wereldoorlog werden de activiteiten van de gemeenschap geleidelijk aan afgebouwd. Eerst sloot de school voor de weeskinderen, in de jaren ’80 werd ook de beroepsschool stopgezet. De zusters leidden daarna nog een uitsluitend contemplatief leven. In 1994 vertrokken ze uit Leuven. Een deel van hen ging naar het provinciaal huis in Brussel en een ander deel naar het bijhuis in Bergen. De kloostergebouwen te Leuven werden heringericht als studentenresidentie.
Ook al zijn ze uit Leuven vertrokken, ze worden vandaag nog altijd bijgezet op hun begraafplaats te Leuven-Heverlee.

De eenvoud van een houten kruis Soms gaat hij zomaar over begraafplaatsen wandelen, soms met een doel en soms ook niet... Hij beschrijft zijn persoonlijke beleving.


Een foto van fotograaf Patrick Janssens:

Deze foto werd gemaakt op de begraafplaats van de Abdij van ‘t park Heverlee en dateert van december 2016. De foto werd zodanig bewerkt dat dat hij een oude ‘look’ kreeg
Waarom ik deze foto gekozen heb: welnu, omdat je zou kunnen zeggen dat dit graf, het toppunt van minimalisme is (althans voor een christelijk graf). Een zeer eenvoudig klein kruisje in het losse zand, een laatste teken van een volledig leven gewijd aan God.
Graag plaats ik bij deze foto een citaat van Joachim Hacker (1796), want het beschrijft perfect het gevoel, welk deze foto bij mij oproept. Het is een Duitse tekst, die ik zo goed mogelijk probeer te vertalen.
 
Die letzte Wohnung aller sterblichen ist das Grab. Die Leichname aller übrigen Kreaturen der Erde verdunsten auf ihrer Oberfläche; nur der Mensch wühlt seine Brüder unter die Erde, und will ihre Sterblichkeit verbergen, indem er ihnen ein Grab zurichtet. Und, weil er ihnen Unsterblichkeit wünscht, so setzt er ein Kreuz darauf, den Vorübergehenden ihren Namen zu nennen, bis er endlich auch unter der zermalmenden Hand der Zeit seine Endschaft findet.
 
Vertaling:
De laatste woning van alle sterfelijken is het graf. De lichamen van alle andere schepsels dezer aarde verdampen aan zijn oppervlakte. Enkel de mens woelt zijn broeders onder de grond en wil hun sterfelijkheid verbergen door hen een graf te geven. En, omdat we hen onsterfelijkheid wensen, plaatsen we er een kruis op, om de voorbijganger hun naam te noemen, tot ook dit door de  verbrijzelende hand van de tijd verdwijnt.

Wat doen Grafzerkjes zoal... Rob Cornelissen


Bekommert zich om de laatste rustplaats van onze gesneuvelde soldaten


Tekst en fotos: Rob Cornelissen
 en Lin Verbeemen

Ondanks dat de historische begraafplaats aan de Kwakkelstraat in Turnhout ondertussen al meer dan 200 jaar in gebruik is, nodigt ze op het eerste zicht niet echt uit tot een wandeling omdat ze een beetje verwaarloosd oogt. Maar... met de begeleiding van een fantastische gids gaat er een wereld voor je open! Een gids die zich niet alleen inzet voor de begraafplaats, maar ook voor de graven van de gesneuvelde soldaten.
 
Voor Rob Cornelissen (sinds een vijtal jaar lid van vzw Grafzerkje) begon het verhaal in 2012 wanneer zijn moeder kwam te overlijden. Hij vond het letterlijk geen gezicht dat zij op deze begraafplaats haar laatste rustplaats gevonden had.
Rob ging aan de slag om de meest verwaarloosde graven in kaart te brengen en eindigde met een lijstje van meer dan 400 graven (!?).
Tijdens deze inventarisatie kwam hij in contact met grafdelver Marc Van Hout (ondertussen gepensionneerd sinds 2016), en bloemendame Kristin Hendrickx.
Samen, met nog enkele vrijwilligers, gaan zij regelmatig aan de slag met restauratie- en opkuiswerk.
 
Belgische oorlogsgraven 14-18
Uiteindelijk kwam Rob dan terecht bij de graven van de veel te jong gesneuvelde soldaten en werd getriggerd door de verhalen achter deze jonge mensen.
Aan de ingangspoort van deze begraafplaats hangen ook twee gedenkplaatjes: Belgische oorlogsgraven 14-18 en Oorlogsgraven van het Gemenebest.
Omdat, jammer genoeg, deze graven niet echt in kaart werden gebracht ging Rob op zoek naar de exacte locatie.
Veertien Oud-strijders werden begraven of herbegraven in Turnhout waarvan ze er al acht van terugvonden! 

ANEKDOTE : Het raadsel van de verwisselde kruisen....

Oorspronkelijk stonden de kruisen op het perkje van Gasthuiszusters helemaal niet recht. Tot een gemeentearbeider - met de beste bedoeling - besloot dit perkje terug een mooi aangezicht te geven.
Om de grond te effenen, groef hij alle kruisen uit de grond, maar vergat de volgorde waardoor de kruisen een willekeurige plaats kregen. Denkende dat hier waarschijnlijk niemand aandacht aan zou besteden...
Maar de periode van Allerheiligen kwam eraan  en enkele families konden er niet wijs uit geraken dat hun tante nonneke ineens enkele plaatsen verderop lag. Gelukkig hadden enkele familieleden in het verleden een foto van de voorkant van de volledige rij genomen waardoor de kruisen weer op de juiste plaats konden herplaatst worden!
 

Het graf van Petrus Grauwels

Het moet gezegd, het graf van soldaat Petrus Grauwels onderging een ware metamorfose.
 
Petrus was een molenaarszoon en streed bijna elf maanden aan de IJzer tot hij op 29 juni 1915 sneuvelde. Hij was amper 23 jaar.
Rob Cornelissen en Marc Van Houdt,namen zijn graf gedurende drie weken met stalen borstel en zuiver water zonder enige toevoeging van onderhoudsproducten, onder handen. De nodige restauratiewerken werden eveneens uitgevoerd en bij het verwijderen van de naamplaat - omdat deze gebarsten was - ontdekten ze volgende tekst:
 
HIER RUST ONZE DIERBAREN ZOON
PETRUS VICTOR GRAUWELS GEBOREN
TE LANGDORP DEN 3 MEI 1891
WONENDE TE TURNHOUT SOLDAAT
BIJ HET 5 DE ARTILLERIE GEWOND
TE DIXMUIDE DEN 29 JUNI 1915
OVERLEDEN TE ALVERINGHEM EN
ALDAAR BEGRAVEN DEN 1 JULI 1915
VEREERD MET HET KRUIS
ORDE LEOPOLD 2 EN
HET OORLOGSKRUIS MET PALM”      

Deze is jammer genoeg nu niet meer zichtbaar omdat de plaat, na restauratie, weer op zijn oorspronkelijke plaats bevestigd werd.
Ook de arduinen balken rondom het persceel werden terug uitgegraven waardoor het tuintje weer vorm kreeg.
Dit alles werd verder opgefleurd door de gerecycleerde kunstbloemen, gemaakt door Kristin Hendrickx (waardoor ze de bijnaam ‘Bloemendame’ kreeg).
 
Begin december kreeg Rob het felbegeerde herinneringsplaatje ‘14-’18 voor Petrus Grauwels toegestuurd, dat hij zelf bevestigde!
Deze plaatjes hebben een diameter van acht cm en kunnen door de gemeente per mail aangevraagd worden bij:
[email protected]
Momenteel is nog de aanvraag voor tien andere plaatjes in behandeling.

Weetje:

Via www.wardeadregister.be kan je zelf een aanvraag indienen om peter of meter te worden van een graf van een gerepatrieerde gesneuvelde in je eigen woonplaats.

Innsbruck - Verslag ASCE-congres, 20-22 september 2018


Naar goede jaarlijkse gewoonte ging ook in 2018 een internationaal congres door van de ‘Association of Significant Cemeteries of Europe’ (ASCE). De gaststad was het eerder onbekende Oostenrijkse Innsbruck. Met 23 lezingen, ontelbare interessante babbels,
een unieke cenotaaf en twee stedelijke begraafplaatsen waren de drie dagen in de hoofdstad van Tirol goed gevuld.

Funerair erfgoed in het Europese jaar van het culturele erfgoed


Tekst en fotos: Joeri Mertens
 

Ondanks het weinig zeggende congresthema ‘Funerary Heritage in the European year of cultural Heritage’ waren er een 100-tal deelnemers uit 28 Europese landen aanwezig. Er was een mooie Belgische delegatie met ons aller Grafzerkje An Hernalsteen, Joeri Mertens voor Onroerend Erfgoed, de vertegenwoordiger van de stad Gent Lieve Destoop en Sarah Camerlynck van de Commonwealth War Grave Commission. In België zijn momenteel Grafzerkje, Epitaaf, de Stad Gent, het kerkhof van Laken en Onroerend Erfgoed lid van ASCE.
Ik bundelde de interessantste
lezingen graag voor je samen.
Peter Strasser (AU) presenteerde de stand van zaken van als werelderfgoed beschermde begraafplaatsen. Verschillende begraafplaatsen zijn als onderdelen van grotere gehelen vertegenwoordigd in de werelderfgoedlijst maar niet als individueel item. De bescherming van werelderfgoed moet in een sterk internationaal verhaal geplaatst worden. Momenteel worden de Joodse historische begraafplaatsen onderzocht voor een erkenning als werelderfgoed.
 
Een aantal sprekers brachten
casestudies rond digitaal karteren.
Tim Viney (UK) presenteerde de case van Highgate Cemetery waar een 3D-mapping gebeurde. Er werden erfgoedkaarten aangemaakt. Ze werden met historische kaarten gecombineerd. Oude archiefdocumenten werden gescand. Groenaanleg, paden en wegen werden gekarteerd en de bouwfysische toestand van de graftekens geregistreerd. De verschillende digitale lagen kunnen nu met elkaar in relatie worden gebracht en daaruit worden beleidsopties gepuurd. De resultaten worden ingezet om bezoekersstromen te geleiden, wandelingen rond bepaalde thema’s uit te werken, bezoekers online te informeren, enzovoort.
Carlo Rosario Medico (IT) presenteerde het voorbeeld van een Siciliaanse begraafplaats waar de gegevens van 1840 tot 2012 zijn samengebracht. De monitoring gebeurde er met het oog op een holistisch beheer: van gehelen tot graftekens, van de structurele aanleg tot de individuele bomen en struiken. Veertien sectoren werden afgebakend voor verder onderzoek en voor elk graf werd een beheerfiche opgemaakt. 
 
Vervolgens werd de valorisatie behandeld. Het werd een heel breed spectrum van herontdekking tot herinterpretatie.  Kalmar Ulm (EST) presenteerde de case van Tallin dat in het post-Sovjettijdperk zijn culturele diversiteit herontdekt. Tijdens het Sovjettijdperk werden de confessionele begraafplaatsen gesloten en één gemeenschappelijke begraafplaats werd aangelegd. De sociale en etnische diversiteit werden ontkend en vernietigd terwijl nieuwe groepen ontstonden. Anno 2018 worden de begraafplaatsen vanuit een historische-culturele-erfgoedreflex herontdekt als plaatsen van identiteitsvorming en herinnering.
Alessandra Bricchetti (IT) onderzoekt vanuit de culture organisatie ‘Mneme la memoria del bene’ de multifunctionaliteit van begraafplaatsen.
Het zijn niet alleen plaatsen van socialisatie, multiculturaliteit en intergenerationele uitwisseling maar ook economische plekken die geld moeten genereren voor het onderhoud ervan. Begraafplaatsen kunnen beide doelstellingen combineren door mensen samen te brengen tijdens publieksactiviteiten, theater, film, concerten, enzovoort. Projecten rond taboes maken de plaats bespreekbaar. Jongeren leren op deze creatieve en onconventionele plaatsen zorg dragen voor erfgoed en natuur. Indien er vertrokken wordt vanuit de dood als een gemeenschappelijke ervaring, worden de projecten niet als respectloos ervaren.
Alessandro Tampieri (IT) presenteerde zijn theaterwerk op begraafplaatsen. Op de kruising van de begraafplaats en het theater ontstaat een grote kracht waar herinneringen worden terug gegeven aan de bezoekers. In ‘Danté ’s inferno’ werden delen uit de Devina Commedia verteld door de grafstenen en in ‘Shakespeare in death’ werden de doodsscènes verbeeld. De performances laten toe de plaats te ‘voelen’ en in de avondlijke uren versterken licht, regen en geur de zintuigen.
Janine Marriott (UK) gaf een overzicht van de activiteiten die georganiseerd worden op Arnos Vale Cemetery. In de jaren 1960 liepen de begravingen terug en toeristen verloren hun interesse in de begraafplaats.  Het werd een negatieve plek met ongewenst gedrag. Het gemeentebestuur nam de site over van de private eigenaar. Er zijn vandaag nog weinig doch zeer weloverwogen begravingen op de site. Alternatieve bronnen van inkomsten worden aangeboord en meer dan 100 vrijwilligers nemen taken op zich. Vandaag zijn de secundaire activiteiten de belangrijkste bron van inkomsten. Er is een shop en meer dan 50 betalende theater-, muziek- en filmactiviteiten worden georganiseerd. In de beide historische kapellen worden congressen, huwelijken en meetings georganiseerd. Lezingen, wandelingen en workshops rond leven, dood en levenskeuzes worden aangeboden.
 
Er werd afgesloten met
enkele historische studies.
Andy Clayden (UK) presenteerde de geschiedenis van de Duitse militaire begraafplaats in Cannock Chase (UK). Hij ging in op de evolutie van de aanleg tussen de Eerste Wereldoorlog en vandaag. Er is een belangrijke verschuiving te zien naar een vereenvoudiging van de site waardoor onderlinge verbanden verdwenen. De aanpassingen zijn het gevolg van een evolutie in het herdenken van oorlogsdoden; niet langer als helden maar als individuele slachtoffers.
Sarah Camerlynck besprak de internationale invloeden op begraafplaatsen van de commonwealth. Binnen de algemene krijtlijnen van neutraliteit en kameraadschappelijkheid zijn er op de begraafplaatsen nationaliteiten herkenbaar. Sarah besprak de Chinese begraafplaats van Noyelles-sur-mer (FR)waar Chinese arbeiders begraven liggen. De begraafplaats heeft geen kruis maar wel een pagodevormige poort, Chinese planten en Chinese inscripties.
Gisele Montero bracht een boeiend verhaal over de invloed van de Portugese woning op de grafkapellen in Portugal. Architect Raul Lino (1879-1974) was de grondlegger van het typische Portugese huis. Zijn bevindingen werden gepubliceerd begin 20ste eeuw en werden een inspiratiebron voor de vormgeving van nieuwe grafkapellen in de jaren 1920 en 1930.
 


Aansluitend op de lezingen werd een bezoek gebracht aan het Westfriedhof dat in 1856 werd aangelegd. De begraafplaats wordt gekenmerkt door een omlopende galerij waar familiekelders en grote praalgraven zijn opgericht. Op het binnenperk liggen recentere graven met enkele fraai vormgegeven graftekens. Een prachtige realisatie is Vadertje Tijd ter herinnering aan alle doden die in 1856 van elders werden overgebracht naar de nieuwe begraafplaats.

Het kerkhof van Mühlau net buiten de stad staat bekend als het kerkhof voor de kunstenaars. Het is vooral de traditionele vormgeving en het adembenemende uitzicht over de stad die het vermelden waard zijn.
Tot slot werd er ook een bezoek gebracht aan de magistrale cenotaaf van Maximiliaan van Oostenrijk. Sophie Oosterhuis legde tijdens haar lezing de link met het graf van Maria van Bourgondië in Brugge, een grafteken dat door Maximiliaan besteld werd. In 1502 bestelde hij zijn eigen grafteken. Het zou pas door zijn achterkleinzoon in 1589 afgewerkt worden. De tombe werd per toeval een cenotaaf omdat Maximiliaan te vroeg stierf en zijn tombe nog niet klaar was. De marmeren graftombe werd deels vervaardigd door Alexander Colin (1527/29 – 1612) uit Mechelen. Het zal wel geen toeval zijn dat ook zijn epitaaf later als museumstuk werd overgebracht naar de Hofkirche.

Tijdens het congres werd aangekondigd dat Gent in 2019 het ASCE-congres zal organiseren. De presentatie van de gaststad met haar congres-website, promofilm en thema ‘Erfgoedbegraafplaatsen in de 21ste eeuw, gebruik, herbruik en medegebruik’ gooiden hoge ogen. Dat heel funerair Vlaanderen, waaronder vier ASCE-leden, inclusief vzw Grafzerkje meewerken aan dit congres bleek een grote troef te zijn.

Het volledige verslag vind je hier (sorry voor de lange URL):
 
 https://drive.google.com/file/d/1aJkC5mwCZFatgsiRLXRbcNfFGkNhbLCI/view?
fbclid=IwAR0BrPWSqQZvLjddYacuH6_kDp_bEnvqpW3Tpjyk-VChbRruqIUPnQHkEOo

 

Meer info over ASCE?

www.significantcemeteries.org,
https://cemeteriesroute.eu/european cemeteries
route.aspx en significantcemeteries op facebook.

ASCE GHENT 2019 - Call for Papers

De Stad Gent organiseert van 3 tot 5 oktober 2019 het internationaal ASCE-congres over begraafplaatsen. Het thema is ‘Heritage Cemeteries in the 21st century. Use , re-use and shared use’. De Call for Papers is geopend. Tot eind februari worden je voorstellen voor lezingen ingewacht.
Interesse? Surf dan snel naar https://stad.gent/ghent-international/asce

Universitaire wapenborden... niet te verwarren met rouwborden, of toch wel?



Tekst en fotos: Stefan Crick
(Juli 2018)

Het Antwerpse Zilvermuseum Sterckshof  heeft een lange voorgeschiedenis die teruggaat tot in het interbellum.  De zilvercollectie van dit inmiddels opgeheven museum werd recentelijk ondergebracht in het nieuwe belevingscentrum DIVA rond diamant, juwelen en edelsmeedkunst dat gevestigd is in hartje Antwerpen.
 
Afgezien van de omvangrijke deelcollecties die het Sterckshof in andere musea onderbracht, bezat het collectiestukken die niet rechtstreeks met zilver en diamant verband hielden.
 
Enkele jaren terug tijdens mijn onderzoek naar funeraire wapenborden die in het depot van het Antwerpse Zilvermuseum zijn ondergebracht, ontdekte ik naast dertig rouwborden van ca. 1m bij 1m en tientallen kleinere rouwbordjes, twee opmerkelijke wapenborden. De rouwborden werden geïnventariseerd. De kleine kartonnen obiits werden in zijdepapier gewikkeld en opgeborgen.
De herkomst van de wapenborden kon niet achterhaald worden.
De titularissen van de obiits werden genealogisch onderzocht en hun respectievelijk wapen heraldisch beschreven. Dit resultaat werd gepubliceerd door de provincie Antwerpen onder de titel  “Sterckshofstudies 28- Wapenborden van het Zilvermuseum”.
Tijdens het onderzoek kwamen twee wapenborden aan het licht die pas na enig onderzoek geen funerair erfgoed bleken te zijn. Deze opmerkelijke heraldische borden waren universitaire wapenborden. Beschrijvingen van deze zeldzame relicten zijn slechts in enkele publicaties terug te vinden.
 
Uit de schaarse publicaties over de universitaire wapenschilden in de Leuvense universiteit kan opgemaakt worden dat tijdens het ancien régime de universitaire afgestudeerden zoals licentiaten, doctors maar ook de primussen van de Artes ter gelegenheid van hun promotie een wapenschild mochten ontwerpen en voeren. Ook studenten uit een familie zonder wapen, maakten gebruik van dit voorrecht. Dit gebruik bleef lang in voege aan de Leuvense universiteit.
 
Het wapen werd geschilderd op een rechthoekig bord of doek met daarop de wapenspreuk, de naam van de afgestudeerde laureaat, zijn geboorteplaats, de faculteit waaraan hij gestudeerd had en de datum waarop hij zijn universitaire graad ontving. Op de dag van de promotie trokken de gepromoveerden in stoet van hun Leuvens onderkomen naar de academiezaal van de faculteit. In deze stoet werd het wapenbord voor de gepromoveerde feestelijk uitgedragen.  Nadien trok men naar de Leuvense Sint-Pieterskerk waar het Te Deum werd gezongen.
Na de kerkdienst werd het wapenbord boven de voordeur van de studiewoning van de promovendus gehangen in een triomfboog. Later werd het wapenbord mét het diploma naar de ouderlijke woning gebracht. Uiteraard koesterde de familie dit kostbaar goed.
 

Een Leuvens (studenten)wapenboek
De Leuvense universiteitsbibliotheek herbergt een handschriftje waarvan de auteur André Jaerens (1713-1770) blijkt te zijn. De Dienst van de Adel bewaarde reeds een handschrift nr. 202, dat 42 hoofdzakelijk uit 1734 en 1735 bewaarde blazoenen weergeeft.
Ook dit was van de hand van de eerste wapenkoning van de Oostenrijkse Nederlanden.
Daarnaast komen in beide verzamelingen oudere wapens voor die Jaerens mogelijk in de herbergen, waar ze meer dan eens werden achtergelaten, heeft opgetekend.
 
Van in de Nieuwe Tijd al zien we dat veel afgestudeerde academici aan alle Europese universiteiten adellijke ambities koesterden. Dit vinden we ook terug aan de Leuvense universiteit. Wat eerst een studentikoos gebruik was, werd echter een ernstige aangelegenheid.
 
Iedere burger had het recht zich een blazoen toe te verschaffen. Dikwijls echter gebeurde dit door middel van usurpaties. Kon men dit gebruik bestempelen als een studentikoze aangelegenheid, toch brachten sommige gepromoveerden op hun schilden bepaalde versierselen zoals de helm, de wrong, het helmteken en de vlucht) aan, die echter exclusief voorbehouden waren voor de adel.
 
Het heraldisch gebruik van deze kentekens door de universitaire afgestudeerden die niet tot de bloedadel behoorden, heeft aanleiding gegeven tot processen gevoerd door de wapenherauten Dandelot en Leroux.. De bestraffing van de usurpatie werd omwille van pedagogische redenen door de academische overheid tegengewerkt.
De magistraten namen een ander standpunt in indien de afgestudeerden gebruik maakten van deze wapenborden of zich als edelen lieten betitelen buiten de Leuvense stadsgrenzen.
De wapenherauten keken streng toe op de navolging van de zgn. placcaten en ordonnanties over heraldiek en trachtten alzo te voorkomen dat gewone studenten de getimbreerde wapens buiten de universiteit, dus buiten Leuven gebruikten.
Keizerin Maria-Theresia  bepaalde in het reglement van 13 februari 1755 het scenario van een promotie en voorzag een kost van 1 à 2 gulden.

Reeds op 14 december 1616 hadden de aartshertogen Albrecht en Isabella  in het Plakkaat voorzien dat het bekleden van ambten de mogelijkheid bood om adeldom te verwerven. Er werd echter niet bepaald welke ambten of betrekkingen.
Gevolg: vele advocaten, secretarissen, griffiers van de Souvereine Raad van Brabant, sommige schepenen enz. legden dit artikel op een voor hen voordelige wijze uit. Zij voerden onder meer bij rouwplechtigheden getimbreerde wapens. Overtuigd van de waardigheid van hun ambt lieten zij zich als nobles en illustres aanspreken. Vooral advocaten hielden van adellijke voorrechten uit hoofde van hun academische studie, hun staat en het oude gebruik te mogen toeëigenen.
 
De Raad van Vlaanderen, de Raad van Namen en de Grote Raad van Mechelen hebben meermaals oordeel geveld in gerechtszaken met betrekking tot de usurpatie.
De Leuvense universiteit bleef het voorrecht van haar afgestudeerden verdedigen.
Het ongestoord aanwenden van getimbreerde wapens kon immers voor de gediplomeerde een soort persoonlijke adel bevestigen.
 
Het Edict van Maria-Theresia van 11 december 1754 vereiste dat voortaan niet drie, maar vier generaties de adellijke privileges hadden gebruikt om door usurpatie het voorrecht van adeldom te kunnen verkrijgen.
Door deze vereiste werden de thesissen en universitaire wapenborden angstvallig in de familie bewaard. In privé schilderijencollecties alsook in de reserves van enkele musea werden universitaire wapenborden ondergebracht.

Het Stedelijk Museum van Leuven bezit dertien universitaire wapenborden van Leuvense studenten uit de periode 1749-1791. Zij zijn niet ondertekend en het is moeilijk de auteur te achterhalen. Wel kennen we de namen van enkele Leuvense schilders zoals A.J. Van Campen, Gillis, Jacquin en P.J. Verhaegen.

Het Stedelijke Museum van Aalst bewaart een universitair wapenbord van J.F. Tack (1773) en in Asse bevindt zich het wapenbord van P.J. De Clippel (1790).

In de Utrechtse universiteit evenals in ander Noord-Nederlandse universiteiten kende men dit gebruik ook..
In het “Wapenboek der Gelderse-en Overijsselse studentenverenigingen” worden wel de beschrijvingen van de wapenboeken besproken. Over het gebruik van universitaire wapenborden wordt echter niet gesproken.

De universitaire wapenborden in
het Zilvermuseum Sterckshof
Op het  oudste wapenbord, met datum 30 augustus 1740, staat de naam van Petrus van Trier. Op die datum werd hem te Leuven de titel van licentiaat in de rechten verleend. Het  opschrift luidt: ARDUUM QUOD PRECLARUM PRAENOBILIS DOMINUS D: PETRUS VAN TRIER,TOPARCHA DE MEULENBERGH HILVARENBEECK SYLVAE DUCENSIS J U L AUGUSTI 1740
Het is een rechthoekig wapenbord 0,76m x 1,03m, gevat in een houten lijst. Het wapen werd geschilderd op canvas. Het universitair wapenbord verkeert in zeer slechte staat.
 
Genealogie van de wapendrager
Pierre van Trier, heer van Meulenberg en Brandt werd geboren op 12 december 1717 in Hilvarenbeek. Zijn vader was André van Trier, zijn moeder was Marie-Anne-Sophie Snats. Hij huwde met Jeanne-Pétronille van Vlemmeren in 1751. De familie van Trier was afkomstig uit noordelijk Brabant.
Pierre van Trier fungeerde als schepen van Antwerpen en  overleed te Antwerpen op 6 februari 1767.
 
Heraldische beschrijving
Het wapen is gevierendeeld waarvan het eerste en vierde deel groen is, beladen met een gouden Sint-Andrieskruis, een golvende zilveren dwarsbalk over het geheel een vrij kwartier van zilver, beladen met een klimmende zwarte leeuw, rood getongd en genageld van keel, de staart gevorkt.

Het tweede en derde met zwarte dwarsbalken, gebekt en gepoot van acht stukken, het schildhoofd beladen met drie zwarte eendjes, rood gebekt en gepoot. Op het gouden hartschild  beladen een hertenkop met tussen het gewei een eikel in natuurkleur. Wapenspreuk: ARDUUM QUOD PRECLARUM

In de Sterckshofcollectie werd eveneens het rouwbord van Pierre van Trier aangetroffen. Het werd in olieverf geschilderd op een ruitvormig, (0,765m x 0,76m) paneel, met gouden binnenbies. Het is gevat in een zwarte lijst verkeert in goede staat.
De tekst OBIIT FEB 1767 werd in gouden letters en cijfers aangebracht.

Ook het universitaire wapenbord van zijn zoon Egidius Henricus Josephus van Trier de Tiège is terug te vinden in de collectie van het Sterckshof.
Het wapenbord is rechthoekig (0,695m x 0,875 m). Het wapen werd geschilderd in olieverf op canvas en is gevat in een houten lijst. Het draagt de tekst PRAENOBILIS DOMINUS EGIDIUS HENRICUS JOSEPHUS VAN TRIER,. TOPARCHA DE MEULENBERG & BRANDT, ANTVERPIENSIS J.U.L. 15 MAY 1781
Het heraldisch bord is in slechte staat.
 
Egidius (Gilles)-Henricus-Josephus van Trier de Tiège werd geboren te Antwerpen op 1 maart 1755 en was de zoon van Pierre van Trier, heer van Meulenberg, Brandt en van Jeanne-Pétronille van Vlemmeren. Egidius huwde voor de eerste maal op 22 november 1785 te Leuven met Cathérine-Henriette de Marcq, (de Tiège) geboren te Brussel op 22 juni 1748, dochter van Théodore-Bernard, heer van Tiège en van Marie-Claire-Philippine de Coninck.
Uit dit huwelijk ontsproot dochter Julienne-Benoîte-Joséphine-Henriette van Trier de Tiège. Zij  huwde op 27 augustus 1812 te Antwerpen Alexandre-Josephe-Valentin genoemd baron de Browne
Hij huwde een tweede maal in Tienen op 12 juni 1805 met Marie-Jeanne-Josèphe de l’ Escaille, geboren te Tienen op 1 december 1762 en is er overleden op 19 november 1831. Zij was de dochter van Gabriel-Michel-
François en van Jeanne de Mockenborgh.
Egidius was Antwerps provinciegouverneur ad interim.
Hij overleed in Antwerpen op 30 september 1833 en werd begraven op het kerkhof van Sint-Willibrordus te Antwerpen op 3 oktober 1933.Een rouwdienst werd gehouden op maandag 7 oktober om 11 uur  in de Antwerpse Sint-Jacobskerk voor het hoofdaltaar.
 
Heraldische beschrijving
Egidius-Henricus-Josephus van Trier de Tiège, lid van de Deputatie van de Provinciale Staten van Antwerpen verkreeg op 19 januari 1818 de adelserkenning en verlening van de titel ridder door koning Willem I te ’s-Gravenhage. Dit voorrecht was in de eerste officiële adelslijst bepaald : de titel is overdraagbaar aan de eerstgeborene.
Het wapen is gevierendeeld waarvan het eerste en vierde deel in groen  en is, beladen met een gouden Sint-Andrieskruis, een golvende zilveren dwarsbalk. Over het geheel een, vrij kwartier van zilver, beladen met een klimmende zwarte leeuw roodgetongd en genageld   van keel, de staart gevorkt. Het tweede en derde met zwarte dwarsbalken gebekt en gepoot van acht stukken, het schildhoofd beladen met drie zwarte eendjes van sabel, roodgebekt en gepoot. Het gouden hartschild  is beladen met een hertenkop met tussen het gewei een eikel in natuurkleur.
Het schild is gedekt met de Nederlandse ridderkroon waarop een zilveren helm goud geboord, getralied en gesierd, blauw gevoerd. Hierop een rode en gouden wrong, het helmteken een halve klimmende leeuw uit het vrijkwartier, in de rechterpoot een opgeheven zilveren  zwaard met gouden  greep. In de andere poot het hartkwartier van het schild. Helmdekkleed is rood en goud. Het schild wordt aan weerszijden vastgehouden door een klimmend gouden hert van goud, met omgekeerde kop.
Wapenkreet: PARTUE TUEBOR in zwarte letters op een zilveren lint
In de adelsbrief wordt als wapenkreet PER ARDUA CRESCO vermeld.”

Recentelijk (voorjaar 2018) werd op een Brusselse antiekveiling een wapenbord verkeerdelijk betiteld als  een Funerary hatchment with arms of Petrus Franciscus Xaverius Blyau of Kortrijk, licentiate of both laws from Leuven aangeboden. Echter na rechtzetting werd dit als universitair wapenbord geveild…

Bronnen & Literatuur
 
Mevr. A.M. Claessens-Peré, wetenschappelijk medewerkster van het Zilvermuseum maakte mij toen attent van het bestaan van een collectie, niet-geïnventariseerd. Zij was tevens eindredacteur van de catalogus.
 Stefan Crick, Wapenborden van het Zilvermuseum, Sterckshofstudie 28, provincie Antwerpen/2005/0180/47 ISBN 9066250763.
J. Dauwe, Universitaire wapenschilden in het Leuvens museum, Arca lovaniensis, 1974, blz. 81-101.
Luc Duerlo, Een Leuvens studentenwapenboek, Ex officina, III (1986)n pag. 103-106.
Luc Duerlo, Een Leuvens studentenwapenboek, Ex officina, III (1986)n pag. 103-106.
J.B. Christy, Jurisprudentia Heroica, enz… Brussel 1668 blz. 42.
 J.C.P. Steenkamp, Heraldisch vademecum, Amersfoort, 1938. Blz. 151
 O, Schutte, mr., De Wapenboeken der Gelders-Overijsselse studentenverenigingen, De Walbrug Pers, Zutphen 1975.
 ANB I; 1898 blz. 174-177.
L. Duerloo, Een Leuvens studentenwapenboek, Ex officina, III, 1986, blz.103-106.
P. GENARD, Verzameling der Graf- en Gedenkschriften van de provincie Antwerpen –Bundel 4b  ongeïdentificeerd en ongepubliceerd. Losse nota met initialen van de kunstenaar LP. berust in het Antwerpse provincie-archief P. GENARD, Verzameling der Graf- en Gedenkschriften van de provincie Antwerpen – Antwerpen, Kloosters, Buschman, Antwerpen, 1873, blz. .504-505.
 L. DUERLOO, P.JANSSENS, Wapenboek van de Belgische Adel van de 15de tot de 20ste eeuw,  Gemeentekrediet, Brussel, 1992, dl N-Z, blz. 651, 652.
BARON DE BROWNE, Généalogie de la famille de Browne, Extrait de LA NOBLESSE BELGE, Annuaire de 1935-1939, H. Dessain,. 1939, pp 21-22.
RIJKSARCHIEF ANTWERPEN, archief rouwbrieven.
 L. DUERLOO, P.JANSSENS, Wapenboek van de Belgische Adel van de 15de tot de 20ste eeuw,  Gemeentekrediet, Brussel, 1992, dl N-Z, p. 651, 652.
DE RYCKMAN DE BETZ, Annuaire de la noblesse belge, 1998, I, p. 174.



-

Stefan Crick, voorzitter van het Jacques baron le Roy genootschap hield op 18 januari 2014 een voordracht over obiits & rouwgebruiken bij de adel, tijdens onze toenmalige ledenvergadering. Graag publiceren we voor de nieuwelingen onder ons het toenmalige verslag als opfrisser


De rouwgebruiken vonden hun oorsprong in de oudheid. Obiit betekent letterlijk “tegemoet gaan”, dus: sterven. Heraldiek is de wetenschap die zich bezighoudt met de betekenis van wapenschilden. 
Wanneer die ontstond is niet met zekerheid te achterhalen. Volgens de ene bij het beroemde tapijt van Bayeux, want daar staan wapenschilden op. Anderen zien de oorsprong eerder in de kruistochten. Wanneer een ridder stierf werd zijn wapenuitrusting op een katafalk geplaatst. Stefan toonde ook enkele rouwstoeten waar heraldische vlaggen werden meegedragen en toonde de stoet van Elisabeth I. Ook de rouwstoet voor Willem de Zwijger passeerde de revue. De eerste vormen van rouwgebruiken treft men aan in Canterbury bij de ‘black prince’. Dichter bij ons haalde Stefan Breda aan met het grafmonument van Edelbrecht van Nassau en vele voorbeelden uit de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Brugge.

De obiits, rechthoekige borden, vertellen meer dan men op het eerste zicht verwacht. Er kan, zo haalde Stefan aan, onderscheiden worden of het een ongehuwde man, een kind, een echtpaar, een ongehuwde vrouw, een echtpaar waar de vrouw nog van in leven is of een echtpaar waar de man nog van in leven is, betreft. Stefan Crick illustreerde zijn betoog met enkele prachtige voorbeelden uit Zweden, Estland, Engeland en Frankrijk. Soms werd zo’n rouwbord opgehangen aan de ingang van het sterfhuis of meegedragen in de rouwstoet. Een van de oudste rouwborden dateert van 1614 en is van de familie de Merode. Ook staat de naam van de familie dikwijls uitgebeeld op het obiit. Zo kijken drie katers ons aan op een rouwbord voor de familie de Caters. Een weetje was dan weer dat de betekenis van de familienaam Geelhand niet een gele hand betrof maar wel ‘de gehele hand’. Een ander gebruik was, dat bij de laatste telg van een familie het zwaard gebroken werd en men wierp het nadien in het open graf.
Stefan toonde ook enkele voorbeelden van zielspenningen voor de armen. De penning gaf recht op een brood. Ook bevatten rouwbrieven dikwijls onderaan bonnen die konden omgewisseld worden voor een brood.
Ten slotte haalde Stefan Crick enkele redenen aan waarom de rouwborden uit het beeld verdwenen. Allereerst was er de beeldenstorm van 1566. Een tweede reden was de Franse revolutie van 1789. Maar het ergste bleek het tweede Vaticanum geweest te zijn waar gepleit werd voor modernisering van de kerken. Vele priesters verkochten dan maar de rouwborden. Een heel interessante voordracht die maakt dat we met andere ogen, meer kennersogen, naar obiits gaan kijken.

               Jacques Buermans