Nieuwsbrief Nr. 94 - juli 2016

Sterven in het paradijs (1)


Een eiland in de blauwe Caraïbische Zee, heerlijke stranden, palmbomen wuiven, een subliem hotel, 32 graden celcius, kolibries en papegaaien fladderen rond – of vallen om van de warmte –, leguanen zitten in de schaduw,  een zwembad om te verkoelen, Agatha Christies ‘Murder in the Caribean’ op het nachtkastje. Wat wil een mens meer op z’n huwelijksreis in Curaçao? Niets .... tenzij je lid van Grafzerkje bent! Dan ga je op zoek naar de dichtstbijzijnde begraafplaats om te kijken hoe het leven eindigt in het paradijs.
 
Aan de ontbijttafel keek het personeel al vreemd op toen we vroegen naar het adres van een begraafplaats. ‘Wie gaat daar nu naartoe ?’, ‘Die zijn altijd op slot.’, ‘Daar gaat niemand heen.’, ‘bijgeloof’, ... En ja hoor, met uitzondering van de Joodse begraafplaats vind je geen enkele begraafplaats in de reisgidsen of op de toeristische websites. En toch, bij puur toeval hebben we d’r enkele gevonden en waren we blij verrast met wat we daar zagen.

Plattelandskerkhoven in Barbar en Soto

Op de weg naar Westpunt, in het dorpje Barbar, stoten we op het lokale en kleine kerkhof naast de kerk. Het is zoals voorspeld op slot! Met een grote ketting, hangslot en alles d’r op en d’r aan worden de toeristen buiten gehouden en de geesten binnen. Kijkend door de spijlen van het hek en over de kleurrijke muur vallen ons meteen de bovengrondse gepleisterde graftombes op en hoe net alles d’r bij ligt. De bijzettingen gebeuren blijkbaar vaak in familiegraven, tot drie lagen hoog. De paden zijn er geasfalteerd of gebetonneerd (ook een manier om pesticiden te vermijden) en het is alsof de tombes elk jaar herschilderd worden. De frisse speelse kleuren van de huizen waarvoor Curaçao zo bekend is, worden ook gebruikt om de huizen van de doden te schilderen. 


In Soto, nabij de Santa Marthabaai, hebben we meer geluk. Het hek is niet op slot, het valt net niet uit de hengsels. Na wat trekken en duwen aan het hek, en onder de argwanende blik van enkele lokale dames achter een voedselstalletje, wagen we ons op het kerkhof. Het is netjes geplaveid en de vormentaal en typologie zijn identiek aan die van het eerste kerkhof. Terug die lange rijen van ‘appartementen voor de doden’ onder de brandende zon. De natuur moet de lichamen hier bijzonder snel afbreken of uitdrogen en de witte mieren (= termieten) doen zich duidelijk ook te goed aan wat in de graven ligt. De dood kan hard zijn, maar ook natuurlijk, en een beetje vrolijk met al die kleurtjes. De graftekens zijn er eenvoudig, spaarzaam gedecoreerd, zonder al te grote en opvallende symboliek, geen beelden of bronzen die de bovengrondse graven versieren.


Dat Curaçao een rotseiland is zal wel bijgedragen hebben tot de bovengrondse bijzetting. Graven in een steenachtige bodem was het enige alternatief! De plattelandsbevolking, erfgenamen van de slaven, waren bovendien uitermate arm. Curaçao is dan ook nooit een rijk eiland geweest, geen edelmetalen of natuurlijke rijkdommen, droog, woestijnklimaat, geen zoetwaterbronnen … De Spanjaarden, die het eiland ontdekten en bezaten tot 1636, noemden Curaçao samen met Bonaire en Aruba niet zonder reden de ‘Islas Inutiles’ (=nutteloze eilanden). Bovengronds bijzetten was gewoon de meest logische en wellicht ook goedkoopste manier van lijkbezorging.


Daarmee hebben we dus de funeraire traditie op Curaçao gezien. OK ,’t was geen begrafenis en veel wijzer dan een geschilderd, stenen bovengronds graf zijn we niet geworden. Het bevestigt de internationale wet dat de graftekens voor de gewone man met lokale materialen worden gemaakt en dat basic stuff als klimaat en ondergrond invloed hebben op de funeraire tradities van een gemeenschap.

De slavengraven van Landhuis Ascencion

Er zijn op Curaçao geen begraafplaatsen voor slaven bekend, ook al was het eiland een belangrijke doorvoerhaven voor de slavenhandel tussen Afrika en Zuid-Amerika. Elke plantage moet slavenbegraafplaatsen gehad hebben maar blijkbaar kregen slaven geen gemarkeerd graf. Er zijn plannen om archeologische opgravingen uit te voeren op de veronderstelde slavenbegraafplaats van Landgoed Ascencion.
 
Slecht één slavengraf is bekend, of beter gezegd berucht, dat van bomba ‘shon’ Martijn. En dat ligt net buiten de poorten van Landhuis Ascencion. De bomba was een slaaf en de intermediair tussen meester en slavenkolonie. Wanneer de meester niet aanwezig was, leidde de bomba de plantage. Eventuele lijfstraffen werden door hem uitgevoerd. Bomba ‘shon’ Martijn was bekend om z’n wrede en heerszuchtige optreden. Hij kreeg van de slaven de bijnaam ‘shon’, een naam die normaal enkel voor de eigenaar van het huis werd voorbehouden. Bij zijn dood - hij werd gelynched - werd hij begraven voor de oprijlaan van het landhuis met het hoofd naar de plantage. Hij werd niet begraven te midden van de andere slaven, noch bij zijn meesters, maar verstoten uit de gemeenschap. Vanuit zijn graf kan hij nog steeds het Landhuis zien waarvan hij nooit meester zou worden.

Een begraafplaats aan de rand van Willemstad

Groot was onze verwondering toen we in de hoofdstad (er is eigenlijk maar één stad: Willemstad) op een kleine begraafplaats stootten. Geen enkele reisgids vermeldde deze mooie site. Ze lag aan het einde van de Scharloostraat met zijn luxueuze en grootse panden. Meteen werd het duidelijk dat in de hoofdstad een Europese wind waaide en dat tussen al die ‘appartementsgebouwen’ voor de doden - die hier vooral wit waren geschilderd - ook zeer herkenbare funeraire constructies stonden in ‘Europese stijl’.
 
De tweede helft van de 19de eeuw bracht voor de handelaren op Curaçao een beperkte voorspoed. Dat weerspiegelde zich duidelijk in de graftekens. De ‘appartementen’ werden rijker uitgewerkt met een lokale vorm van classicisme. De Europese invloed was te herkennen aan de witmarmeren beelden, in combinatie met de lokale bovengrondse structuren. Bij uitzondering werd er zwarte marmer gebruikt. De grafsculpturen met engelen, treurende vrouwen, afgebroken zuilen, zandloper, ... kwamen wellicht rechtstreeks uit Italiaanse ateliers. De elite lag hier tussen de eenvoudige gemetselde graven van de middenklasse. In het bijzonder het kindergrafje van Mariano Alberto uit 1906 bleef ons - in z’n klassieke stijl - bij. Op de voet Serafijnen, het kindje in z’n rieten wiegje.
 
De stadse cultuur heeft duidelijk meer zijn contact met de dood verloren en sommige graven stonden er verwaarloosd bij. Waren we de bontgekleurde graftekens ondertussen al zo gewoon? Of beïnvloedde het witte Carrara-marmer onze perceptie?
 
Tekst : Joeri Mertens – foto's : Joris De Kegel
 
Bibliografie
Kamerbeek E., Mooij J. 2014: Landhuis Ascencion, Vormingscentrum Koninklijke Marine, s.l.
Schellekens J. 2012: De rijke geschiedenis van Curaçao Indianen, de WIC en invasies, Amsterdam.