Nieuwsbrief Nr. 94 - juli 2016

Georges KrinsMuzikant op de Titanic


Vader Auguste Krins uit Moskou leerde in Parijs zijn echtgenote Laetitia Petit kennen. Op 18 maart 1889 werd in Parijs Georges Krins geboren. Later verhuisden ze naar Spa. Het toerisme zorgde voor vele muziekensembles. De jonge Georges droomde van een carrière in de muziek. Hij volgde lessen aan de Muziekacademie van Spa, en toen hij dertien was, aan het Koninklijk Muziekconservatorium in Luik. Hij ontpopte zich tot een uitstekend muzikant en een harde werker. Dat wierp zijn vruchten af en hij kreeg een baantje bij La Grande Symphonie èn, op 24 juli 1907, ook een vermelding in La Saison de Spa, een lokaal krantje:

“Wij vernemen met plezier dat de heer Georges Krins, die deel uitmaakte van La Grande Symphonie, de Tweede Prijs Viool heeft behaald in het conservatorium van Luik. Proficiat!”

Door zijn fascinatie voor de Napoleontische geschiedenis had hij zijn zinnen gezet op een militaire carrière, maar vader vond dit te gevaarlijk. Hij verdeelde zijn tijd dan maar tussen orkest en de stoffenwinkel van zijn ouders. Hij speelde o.a in de Trianon Lyrique in Parijs. Later trok hij naar Londen, waar hij twee seizoenen in het Ritz Hotel op Piccadilly mocht musiceren. Hij woonde aan de andere kant van de Theems, op Villa Road 10 in Brixton. Begin april 1912 kreeg Georges een contract van de firma C.W. & F.N. Black uit Liverpool, een boekingskantoor dat in opdracht van de White Star Line muzikanten engageerde. Talentscouts hadden hem bezig gezien in de Ritz en vonden hem de moeite waard voor de maidentrip van de Titanic. Samen met zeven andere muzikanten werd hij geengageerd door de firma Black. De muzikanten reisden allemaal op één tweedeklasticket (ticketnummer 250654), waardoor ze niet voorkomen op de lijst van de passagiers. Ze sliepen in één kajuit, in stapelbedden. De instrumenten werden in een belendende kajuit ondergebracht. Muzikanten werden niet als sterren ingehaald op de Titanic. Ze moesten via dienstingangen naar binnen en buiten, ze sliepen naast de lawaaierige aardappelwasmachine op het E-dek en ze mochten niet samen eten met de andere tweedeklaspassagiers.

De Blacks uit Liverpool sloten een akkoord met de scheepvaartmaatschappijen: zij zouden voor de transatlantische overtochten voor muzikanten zorgen. Toen de families van de muzikanten na de ramp aanklopten voor een schadevergoeding, schoven rederij en boekingsagent voortdurend de hete aardappel naar elkaar door. De White Star Line argumenteerde dat ze niet onder de arbeidswet vielen, vermits ze ingeschreven stonden als tweedeklaspassagiers. Black voelde zich ook niet verantwoordelijk want ze argumenteerde dat de muzikanten gewone zelfstandigen waren. De rechtbank oordeelde dat de muzikanten niemands werknemer waren. De muzikantenvakbond riep vruchteloos de White Star Line op om iets te doen voor de getroffen families. Uiteindelijk besloot het Titanic Relief Fund in 1913 dat ze de muzikanten zou beschouwen als werknemers en dat ze de families van de muzikanten als dusdanig een uitkering zou bezorgen.

Aan boord van de Titanic speelden twee orkesten: een kwintet en een trio. Georges Krins was violist in het trio. Hij was kapelmeester van het Trio String Orchestra. De Rijselse cellist Roger Bricoux en de Engelsman Ted Braily, die piano en orgel speelde vervolledigden het trio. Zij speelden muziekjes bij de receptie van het à-la-carte restaurant en in het trendy Café Parisien.
Twee orkesten, twee doelgroepen. Het trio met Georges Krins had de opdracht een continentaal en Frans sfeertje te creëren in de buurt van een drankgelegenheid die niet toevallig Café Parisien heette. Dat Krins Frans sprak was een meevallertje.

Het staat vast dat de muzikanten de opdracht kregen te blijven spelen, en muziek te spelen die de passagiers kon kalmeren. Het lijkt ook vastgestaan te hebben dat een groep muzikanten tot "op het laatste moment" is blijven spelen op het dek. Over wat nu precies hun allerlaatste nummer was is nog geen uitsluitsel. De ene bron heeft het over Nearer my God to Thee, de andere over Autumn, of Dream of Autumn.

Geen enkele van de acht muzikanten heeft de ramp overleefd. Het lichaam van Georges Krins werd nooit teruggevonden. Hij overleed op 15 april 1912.

De familie Krins liet bij de Luikse drukker Debure een bidprent maken voor hun zoon. Het werd een speciaal souvenir. Met zijn afmetingen van 26 bij 15 cm was het drie keer zo groot als in die dagen gangbaar was voor dergelijke kaartjes. Op elk kaartje was een echte foto van Georges Krins geplakt. Hij staat er op in een chic pak, met een strikdas, en een sigaret in de rechterhand. Op de meeste kaarten schreef Georges' moeder Laetitia een persoonlijke boodschap voor de ontvanger.
Op 26 april 1912 stuurde La Chambre Syndicale des Artistes de Pays de Liège een brief met medeleven naar de ouders van Georges Krins. In de Luikse gemeenteraad van 29 april 1912 bracht burgemeeste Gustave Kleyer een hulde aan de omgekomen muzikant. Begin mei stuurde ook het gemeentebestuur een brief met medeleven aan de ouders. Op donderdag 2 mei 1912 werd in de kerk Sainte-Véronique in Luik een mis gecelebreerd ter nagedachtenis van de omgekomen violist.
Het hoogtepunt van de hulde aan de omgekomen muzikanten kwam er op vrijdagmiddag 24 mei. Toen vulden zo'n tienduizend mensen de Royal Albert Hall in Londen voor een indrukwekkend huldeconcert voor de acht Titanicmuzikanten. Ook de naam van Georges Krins stond afgedrukt in het programmaboekje.

Op 28 april verscheen in Journal de Liège de aankondiging dat Luik een Georges Krins monument zou krijgen. Er volgde een oproep aan personen en organisaties die wilden meewerken aan een huldeconcert waarvan de opbrengst zou gaan naar de slachtoffers van de Titanic en naar een standbeeld voor Georges Krins. Maar de belangstelling was lauw. Eind oktober 1912 lanceerde de krant Le Cri de Liège een nieuwe oproep. In het begin leek het idee aan te slaan. Er werd een opdracht uitgeschreven voor een monument, terwijl de fondsenwerving nog liep. Zelfs een datum voor inhuldiging lag vast, doch deze werd later verlegd, omwille van onvoldoende fondsen. Twee maanden na deze datum was het monument nog niet ingehuldigd.
Het was juni 1914 en even later brak de Eerste Wereldoorlog uit. Luik kreeg met andere problemen af te rekenen. Het monument is nooit meer ter sprake gekomen.
 
De naam van Georges Krins staat vereeuwigd op de grafsteen van de familie op het oude kerkhof van Spa. Zijn naam staat ook op een klein monument ter nagedachtenis van de Titanicmuzikanten in Southampton, op een gedenkplaat in de hal van de Liverpool Philharmonic en op een bord tegen de gevel van een hotel op het Place Royal in Spa waar Georges ooit viool speelde.
 
Bron: Dirk Musschoot, 100 Jaar Titanic - Het verhaal van de Belgen en de Nederlanders, Lannoo (2011), p. 162-174).
Artikel doorgestuurd door : Johan Moeys