Nieuwsbrief Nr. 94 - juli 2016

Funerair en cultureel Roemenië


Een tiental leden van vzw Grafzerkje namen deel aan de door vzw Grafzerkje ingerichte reis, lees: de door ons bestuurslid Tamara Ingels en Patrick (door de Nederlanders steevast aangesproken als Petrick) Van den Nieuwenhof, door Roemenië. Op deze vijfdaagse reis kwamen het funeraire en het culturele aan bod en werd de nodige aandacht besteed aan lokale ambachten. De hotels waren prima, het eten meer dan voortreffelijk en alles was er spotgoedkoop.
 
Eerste stopplaats Dej voor de begraafplaats Dealu Florilor. Ik zag Baba Teodor ; Santo  en Albic . Het graf “pop” met een muziekpartituur: popmuziek (?) dus. Monument voor gesneuvelden van beide Wereldoorlogen. Wat verder gesneuvelden van W. O. I en een monument  dat ooit betere tijden had gekend. Ciocian was een vrouwelijke piloot. Vader Guilielm Sorban was componist en zoon Raoul was schrijver. In de kapel Kovric Marton zagen we drie kisten .
In Dej zelfwaren er Saksische invloeden te bewonderen op de talrijke mooie gebouwen.
Op dag twee stond Sapanta in het Roemeens uitgesproken als Sepensa), het vrolijke kerkhof op het programma. De houten kleurrijke graven vertellen elk het verhaal over de overledene: een priester, een jager, iemand die zelfmoord pleegde, een garagist, een kind van drie jaar dat onder een auto liep, een secretaris-brigadier onder het communistisch regime, iemand die dronken onder een tractor terecht kwam en een kind dat verdronk. Het was even zoeken naar het graf van de man die al dat moois vervaardigde: Stan Ionan Patras. Hij ligt vlakbij de ingang van de kerk.
In Sighetu Marmatei naar het armenkerkhof ter ere van politieke gevangenen die stierven in communistische gevangenissen en werkkampen. In het midden het memoriaal voor de slachtoffers van het communisme.
Later op de dag naar het kloostercomplex Barsana. Een complex van verschillende houten gebouwen met een kerk waar constant enkele nonnen gebeden lazen en zongen. Ik maakte discreet enkele foto’s. Het was voor enkelen wel even wennen dat de orthodoxe kerk een ‘iconostase’ heeft, waardoor het koor tijdens diensten (en daarbuiten) niet betreden mag worden door niet-geestelijken. Ook fotograferen is in deze ruimte niet toegestaan. Er was ook een kleine, gesloten, begraafplaats.
’s Avonds overnachtten we in Viseu de Sus in een slaaptrein, die in zijn topjaren dienst deed als de ‘Carpatia Express’. De treincompartimenten waren erg basic. Ik bekloeg lange mensen die een pak langer zijn dan ik.
 
Op dag drie een bezoek bij iemand die maskers maakte om de boze geesten weg te jagen tijdens een zonnewendefeest. Gelooide schapen- en geitenvellen werden daarvoor gebruikt en gedragen met aangepaste kledij. Er wordt dan ook geroepen en getierd en buikgeluiden gemaakt. De man demonstreerde dit met zichtbaar plezier. Tamara wist er heel veel over te vertellen onder andere dat het hier indertijd gebruikt werd om de Turken te verdrijven.
Kort na de middag onder leiding van Tamara naar de begraafplaats van Bistrita (uitspraak: Bistritsa, wat nog doet denken aan Bistritz, de vroegere Saksische naam voor deze stad). Op de begraafplaats zagen we duidelijk de Saksische en Hongaarse invloeden die in deze regio veel langer aanwezig waren. Ik zag Johan Decasu (1771 – 1848), pastoor en Joseph Klein (1781 – 1827), stadspastoor. Heel veel Duitse namen. Tamara (333) wees ons op een typisch Hongaars graf voor Joseph Elekes en zijn echtgenote.
Dag vier startte met een bezoek aan de gereformeerde begraafplaats van Targu Muresh. Ik zag daar: Hints Elek, sarcofaag; Erwin Akos, beeld van vader en zoon; Barabas, een medaillon en Sandor Walther, een mooie bloemenkrans.
Na een bezoek aan de zoutmijn van Turda was er een bezoek aan een wijngaard die door enkele ondernemende jonge Roemenen slechts enkele jaren geleden geopend werd op stukken van een oude wijngaard die na de Communistische periode verlaten werd. Ik had daar niet bepaald een boodschap aan. (Opmerking voor rekening van Tamara: Al is onze voorzitter niet zo aan wijn gehouden, heel wat andere deelnemers genoten van de proeverij van een voortreffelijk Roemeens wijntje). Ik wil niet zeggen dat er zich geen hond voor interesseerde. Zeker één hond was dat wel: de wijngaardhond !
De begraafplaats van Turda ligt steil tegen de berg. Ik zag sterk verwaarloosde dingen en Nagy, duidelijk Hongaars. Vandaar naar Cluj. Deze begraafplaats was de eerste om echt “u” tegen te zeggen. Ik zag Sigmund Elck, grafkapel met sarcofaag; Maursch – Hente, prachtige grafkapel; Balogh, een grote kapel en Samuel Brassai (1806 – 1897).
Op dag vijf ging het naar het crematorium van Cluj. Het crematorium is recent en heeft maar één oven. Uitstrooien is, nog, niet toegelaten in Roemenië. Er zijn momenteel 100 à 150 crematies op jaarbasis. Ondanks het feit dat de personeelsleden van het crematorium ons uitdrukkelijk vroegen om geen namen te fotograferen van overledenen (op asurnes en registers) werd dit door sommige fotografen blijkbaar toch met de voeten getreden. Tamara toonde lege asurnen die veel goedkoper zijn dan de onze onder meer omdat ze in plastic vervaardigd worden. Het cremeren zelf verloopt ook totaal anders dan bij ons. De jongeman, die ons in zijn beste Engels een rondleiding gaf, is verantwoordelijk voor de logistieke afhandeling. Bij een overlijden neemt hij neemt een doodskist mee uit het crematorium, gaat de dode thuis ophalen en deponeert hem in de kist. In het crematorium wordt de overledene uit de doodskist gehaald en in een houten kist overgebracht om zo in de oven te gaan. De oven wordt verwarmd tot 900 graden.
Vandaar naar het nonnenklooster van Ramet uit 1377 en gelegen tegen een rotswand. In de kerk bevinden zich de oudste fresco’s en zijn er twee kleine begraafplaatsen: een voor de nonnen en een tweede voor de priesters.
Naar Alba Iulia voor de lunch. Nadien drongen enkele mensen aan op een bezoek aan de Joodse begraafplaats. De poort was, niet uitzonderlijk, dicht. Tamara zei dat er foto’s van op de straatkant genomen konden worden. Niettegenstaande Tamara dit uitdrukkelijk afgeraden had vonden een aantal deelnemers er niet beter op dan via de tuin van de woning van de beheerster van de begraafplaats binnen te gaan, wat de nodige discussies heeft opgeleverd, om van de daaropvolgende vertraging nog te zwijgen. In Alba Iulia wonen vandaag nog een 20-tal Joden, die deze begraafplaats zo goed mogelijk proberen te koesteren. Het is immers een aandenken aan de relatief grote Joodse aanwezigheid in Roemenië, die heel abrupt tot een einde kwam tijdens de Tweede Wereldoorlog als gevolg van grootschalige vervolgingen en deportaties. Het ongevraagd betreden van deze bijzondere plek wordt bijgevolg- en begrijpelijk - niet altijd gewaardeerd.
Vandaar naar Alba Iulia met het bastion getekend Visconti maar met een sterke invloed van Vauban. Het geheel was echt een juweeltje, een openbaring, het hoogtepunt van de reis, de kers op de taart. Binnen het bastion een orthodoxe kerk en een katholieke kerk. De orthodoxe kerk dateert uit 1921/1922 en werd opgericht ter ere van de kroning van koningin Maria (1875 – 1938) en koning Ferdinand (1865 – 1927) en opgericht ter ere van de unificatie van Roemenië. Ze staat daarom vandaag bekend als de Unificatiekerk. In de verte hoorde ik tromgeroffel. Het bleek om de stoet te gaan met muziek voorop gevolgd door soldaten met geweer en achteraan drie ruiters op Friese paarden. Daarna volgde een aflossing van de wacht met een presentatie aan enkele prominente. Daarna werd, letterlijk, de aftocht geblazen. Een prachtig schouwspel. Met een laatste blik op het bastion en met de gedachte dat we hier beter een volledige dag aan besteed hadden om al dat moois te bekijken. Met andere woorden: Roemenië geeft zin in meer!

Jacques Buermans en niet Jack of Sjaak.

 

Foto’s: Leen Otte en Jacques Buermans.