Nieuwsbrief Nr. 93 - mei 2016

De Reis van Paneb deel II : De begrafenis


In deel I hebben we gezien hoe onze Egyptische vriend uit de 21e Dynastie, Paneb, gemummificeerd werd.  Na 70 dagen is de mummie klaar, en wordt Paneb’s uitgedroogde, opgevulde, gebalsemde en ingewikkelde mummie naar buiten gedragen.  Onder het roepen van rituele spreuken, als : “Gij herleeft !  Gij herleeft voor eeuwig !  Gij zijt jong !  Gij zijt voor eeuwig jong !” (maar dan in het Oud-Egyptisch uiteraard), wordt de mummie op een leeuwenvormig staatsiebed gelegd.  Zo wordt hij naar de kade van Thebe gebracht, waar hij de rest van de begrafenisstoet zal vervoegen.
 
De familie heeft ondertussen natuurlijk ook niet stilgezeten.  Onder leiding van een dodenpriester (de Sem-priester, steeds van de cultus van Ptah), is de begrafenisstoet en het begrafenisfeest georganiseerd.  Alle familieleden, ook die die verder weg wonen, zijn inmiddels verwittigd, en uitgenodigd om aan de begrafenisstoet deel te nemen.  Die stoet moet ook praktisch georganiseerd worden.  Paneb was bij leven een belangrijk man in de gemeenschap en dat moet zich in zijn begrafenis weerspiegelen.
De processie bestaat uit twee delen : een eerste stoet met bedienden die zowat de heel huisraad meetorsen, en de eigenlijke cortège met de familie en de sarcofaag.  Op die eerste groep komen we zo dadelijk terug, maar eerst het belangrijkere deel.  Vooraan in de cortège, die aan het huis van Paneb vertrekt, en als eerste doel de haven van Thebe heeft,  lopen een aantal professionele klaagvrouwen, wiens taak het is alle omwonenden en passanten duidelijk te maken dat hier de begrafenis van een groot man voorbijkomt.  Dankzij enkele opmerkzame tijdgenoten van Paneb, weten we nu nog dat die dames een serieus stukje konden overdrijven.  “Klagen”, in die tijd, beperkte zich niet tot wat gesnotter en het occasionele “Och God, och heer, ’t is toch nogal iets, hé meneer ?”, maar ging gepaard met een gegil, gekrijs en gejammer dat horen en zien deed vergaan.  De klaagvrouwen scheurden hun kleren aan stukken, wentelden zich in de modder (of in het stof, naargelang het seizoen), en gingen zelfs zo ver zich de borsten en het gezicht open te krabben.  Voorwaar geen populaire job…
Na de klaagvrouwen volgt de familie, herkenbaar aan hun blauwgrijze rouwkleding, maar ook aan het luchtje dat om hen hangt.  Als teken van rouw heeft de hele familie zich namelijk 70 dagen niet gewassen of geschoren.  Ze hebben verder ook 70 dagen dezelfde kleding gedragen, en alleen maar rauwe groenten en fruit gegeten.  De haard is gedoofd, en het dagelijkse leven is tot stilstand gekomen.  En dat voor een beschaving die er prat op gaat anders minstens 2 maal per dag te baden en 5 maal per dag propere kleren aan te trekken.
Als de familie voltallig is, verzamelt ze zich rond de kist die Paneb al jaren geleden heeft laten maken.  Voor sommigen is hun graf hun pronkstuk voor de eeuwigheid, voor Paneb is het zijn sarcofaag.  Die is gemaakt van cederhout, wat buitengewoon zeldzaam is in Egypte. Paneb heeft het zelf geïmporteerd uit Libanon, een zeer kostelijke aangelegenheid.  De kist is zowel van binnen, als van buiten, fijn beschilderd in zwart, rood, blauw en goud, en Paneb heeft de beste houtsnijder geëngageerd om het gezicht vorm te geven.  Buiten goudverf is er echter geen goud gebruikt, want goud is het “vlees van de goden”, en dat gebruik je niet dus niet lichtzinnig.
De sarcofaag staat voorlopig op een slede, getrokken door ossen.
 
De weg naar het graf, aan de overkant van de Nijl, op de westelijke oever, is lang, hard, stoffig, heet, en … bergop.  Een deel ervan gaat door de woestijn tussen Thebe en het Thebaans gebergte, want Paneb is de eer te beurt gevallen de toelating gekregen te hebben zijn graf te mogen graven in wat we nu “de Vallei van de Edelen” noemen.  Paneb is weliswaar niet van adel, en zijn graf ligt aan de uiterste rand van de vallei (wadi), maar toch wordt dit door iedereen als een grote eer gezien.
Gelukkig verloopt het transport vlekkeloos, want moest er iets mislopen, zou dat als een ongunstig voorteken beschouwd worden, zowel voor Paneb in het hiernamaals, als voor zijn nabestaanden hier op Aarde.
 
Het is een lange stoet die aan het graf aankomt, want buiten de klaagvrouwen, de familie en de sarcofaag, hebben onderweg ook vrienden, kennissen en buren zich aangesloten, evenals de priesters.
Zoals gezegd, wordt de stoet voorafgegaan door bedienden van Paneb.  Ze dragen blauwe lotusbloemen met zich mee.  Achter hen komen andere bedienden met grote dienbladen met voedsel.  Het mag de overledene in het hiernamaals namelijk aan niets ontbreken, vooral niet aan zijn lievelingskost.  Die lijn werd steeds meer doorgetrokken, zodat uiteindelijk zowat de hele huisraad van huize Paneb mee het graf in gaat.  Vandaar ook dat het graf de naam “Huis van/voor de Eeuwigheid” draagt.  Bij de Farao heet het zelfs zeer poëtisch : “Huis van een miljoen jaar”.  Het graf trekt soms zo erg op het eigen huis, dat er graven zijn die over keukens, slaapkamers en… toiletten (!) beschikken.
Een derde groep dienaars draagt alle grafgiften.  Nu hebben wij, 3.000 jaar later, een ietwat vertekend beeld van een Egyptisch graf.  Voor ons heeft het meer weg van een schatkamer dan van een graf.  Dat is natuurlijk een fout beeld, te wijten aan het feit dat de meeste graven die we kennen, koningsgraven zijn.  In de meer sobere graven als die van Paneb, vinden we als grafgiften vooral gebruiksvoorwerpen terug.  Die zijn van hout, of brons.  Misschien vinden we een paar zilveren voorwerpen, van een rijkere neef, maar goud zullen we niet vinden.  Goud heeft namelijk, eerst en vooral, geen monetaire waarde.  Geloof het of niet : tot de komst van de Ptolemaeën (Grieken) kende Egypte geen geld !  Een ramp voor de toenmalige Van Overtvelts en Hutsen, want het systeem bleek nog te werken ook…
Goud had slechts een religieuze functie : het was, zoals eerder al aangehaald, het “vlees van de goden”.  In koningsgraven werd wel goud aangetroffen, aangezien Farao “Netjer Netjeru” is : God onder de Goden.
Een speciale plaats in de begrafenisstoet is voorbehouden voor een groep die de canopenkist en de kisten met Ushebti’s draagt.  De canopenkist is een kist met vier vazen, waarin de ingewanden (longen, maag, lever en nieren) van de overledene bewaard worden.  In Paneb’s tijd worden deze vazen minder en minder gebruikt, maar onze vriend is een traditionalist op dat vlak, dus hheft hij ervoor gezorgd dat er zeker een canopenkist bij is.
Ushebti’s zijn kleine beeldjes, aanvankelijk gemaakt op het model van de overledene, die hem in het hiernamaals zullen bijstaan.  Tijdens de periode van Paneb, bloeit de kunst van de Ushebti’s, en deze representeren thans niet alleen de overledene, maar zijn volledige familie, bedienden, en een keur aan handwerkslieden, etc.  Het Egyptische hiernamaals is namelijk geen Luilekkerland : ook daar moet gewerkt worden.  Een welstellend man als Paneb kan het zich echter veroorloven een klein legertje aan Ushebti’s mee te nemen, die het werk voor hem zullen doen, zodat hij van zijn welverdiende rust kan genieten.
De stoet is nog niet ten einde : een volgende groep draagt een massa vaatwerk en linnengoed.  Een deel daarvan is voor het begrafenisfeest bedoeld, maar het grootste gedeelte zal mee het graf ingaan.  Een deel is zelfs speciaal gemaakt voor dit doel.
Hierna volgt een vreemd voorwerp, waarvan we tot op heden nog steeds niet weten wat de functie was : de Tekenu.  De Tekenu is een met stro gevulde, vormloze dierenhuid, met een al even vormloze kop.  Symboliseert de Tekenu een soort van zondebok ?  Is het een overblijfsel uit predynastische tijd,; toen nog mensenoffers gebracht werden ?  Voor beide mogelijkheden valt wat te zeggen, maar er zijn ook voor beiden argumenten tegen aan te voeren.
De Tekenu werd gevolgd door een beeld van de overledene.  Het is niet echt duidelijk wanneer dit beeld zijn meest rituele betekenis verloor.  In het Oude Rijk was dit beeld de thuis van de Ka, de ziel, als die Ka onze wereld vanuit het hiernamaals bezocht.  In het Nieuwe Rijk huist de Ka in de mummie zelf.  Het gebruik van het beeld als deel van de begrafenis werd echter wel behouden.
Zowel de Tekenu als het funeraire beeld worden op door ossen getrokken sleden vervoerd.  Ook dat is weer een teken van de praktische geest van de Oude Egyptenaar : waarom met honderden kilo’s vlees sleuren voor de “koffietafel”, als je dat vlees ook zelf kan laten lopen ?  De ossen zullen namelijk, na de ceremonie aan het graf, geofferd worden.  En opgegeten.  Het hout van de sleden is de brandstof voor de daaropvolgende barbecue.
Helemaal aan het einde van de stoet volgt Paneb’s sarcofaag, omringd door zijn familie en voorafgegaan door de klaagvrouwen.  De sarcofaag staat, onder een katafalk, middenin een bootvormig onderstel, dat aan ’s weerskanten wordt beschermd door de godinnen Nephtys en Isis, en dat de overtocht naar het hiernamaals symboliseert, want de begrafenisstoet, in zijn geheel, is symbolisch voor de reis die Paneb’s Ka (ziel), zelf aflegt naar het hiernamaals.
 
Aan de kade op de Oostelijke oever, of de rechteroever, aangekomen, moet nu de hele stoet ingescheept worden voor de overtocht naar het Dodenrijk – in praktijk : de linker- of Westoever (alle gelijkenissen met de Antwerpse Linkeroever zijn louter toevallig).  Die overzet is een prijzige aangelegenheid, want daarvoor zijn heel wat boten nodig.  De grootste, en mooiste, is voorbehouden voor Paneb’s sarcofaag en de Sem-priester.  Na de hele begrafenis, samen met de familie georganiseerd te hebben, is deze nu ook de ceremoniemeester van dienst.  Het dodenschip is behoorlijk groot, en het enige dat niet onder eigen kracht de oversteek maakt.  Het wordt door één of twee sleepboten getrokken.  Deze sleepboten hebben een hut in het midden van het dek, en het is daar dat de klaagvrouwen verzameld zijn – die nog steeds tekeer gaan als furiën.
Aan de kade op de Westoever aangekomen, ontmoet de stoet van rouwenden, de stoet van balsemers, die de mummie van Paneb dragen.  Hier word de mummie eindelijk in haar sarcofaag geplaatst – met de nodige ceremonie.  Waarna met evenveel ceremonieel de balsemers weggejaagd worden.  Door hun werk met lijken, en vooral omdat zij die lijken schonden (door erin te snijden), waren de balsemers de paria’s van de Egyptische maatschappij.  Er werd maar al te graag van hun diensten gebruik gemaakt, maar eens die diensten verstrekt, werd van hen verwacht dat ze zo snel mogelijk weer verdwenen.  Blijkbaar verdient iedere beschaving zijn irrationaliteit en ??
 
Paneb heeft ook aan zijn vrienden en kennissen van de Westoever gedacht.  Daar waar zijn “dodenvloot” aanlegt, heeft hij een bescheiden kermis/markt laten inrichten.  Op deze markt kan iedereen die, om welke reden ook, niet naar de oostelijke Nijlzijde gegaan is om de stoet te vervoegen, nog snel enige grafgiften kopen (en daarmee ongetwijfeld de financiële kater een beetje verlichten voor de familie…)
 
En de stoet trekt verder…
Eerst door de vruchtbare velden aan de Nijloever, maar alras moet die strook verlaten worden voor het overgangsgebied tussen de groene strook langs de Nijl en de woestijn.  Hier worden de ossen uitgespannen, want zelfs hun rauwe kracht volstaat niet om de zwaarbeladen sleden door het mulle zand te trekken.  Eens men de rand van de woestijn bereikt heeft, wordt overgegaan op mankracht om de sarcofaag en het beeld tot aan het graf te dragen.  Een dorstige karwei.  Geen wonder dat het de Egyptenaren waren die het bier uitvonden…
Gelukkig moet Paneb’s cortège niet helemaal tot aan het Thebaans gebergte.  Zijn graf ligt, zoals gezegd, aan de rand van de Vallei der Edelen, en voor één keer is het eens niet aan de verste kant.  De stoet moet dus “maar” een paar kilometer door het mulle zand ploeteren.  De Sem-priester loopt vooraan, plengoffers brengend en wierook brandend.  Uiteindelijk houdt de stoet halt aan het uitgegraven graf.  De balsemers hebben daar voordien een tent opgericht, waar de laatste rituelen zullen uitgevoerd worden.  Hier wordt de sarcofaag verzegeld, en rechtop tegen de grafstèle gezet.  Dit is een ongeveer manshoge steen, waarin in hiëroglyfen alle goede daden van Paneb vereeuwigd staan.  Het laatste deel van Paneb’s reis vangt aan met de Ceremonie van het Openen van de Mond.
 
Hoe die Ceremonie verloopt, en welke reis de Ka van Paneb onderneemt, leest U in deel III – vooropgesteld dat mijn schrijfsels onze funeraire vriend en pierenlandtoerist Jacques blijven behagen.
 

Foto 1 : de Westelijke Nijloever, met op de achtergrond het Thebaans gebergte, aan de voet waarvan de Vallei der Edelen ligt.

Foto 2 : Sarcofagen zoals ook Paneb voor zich zou hebben laten maken.  Erboven : replica’s van scènes uit het hiernamaals (Kunsthistorisches Museum Wien
Foto 3 : De Vallei der Edelen anno 2009.  In de loop der eeuwen werd de vallei dichtbebouwd.  Virtueel elk huis staat bovenop één of meerdere graven, en de illegale handel in grafgiften was een welkome aanvulling van het karige loon dat de meesten hier verdienden.  Sinds het begin van de 21e eeuw worden deze vestigingen echter allemaal afgebroken, en de mensen verhuisd naar verdergelegen moderne infrastructuren.
Foto 4 : De klaagvrouwen (Graf van Ramose – 19e Dynastie – Vallei der Edelen)
Foto 5 :  De groep bedienden die de huisraad dragen in de begrafenisstoet van Ramose. (Graf van Ramose – 19e Dynastie – Vallei der Edelen)
Foto 6 : twee dochters van de overledene brengen plengoffers, en offeren voedsel aan hun vader.  (Graf van Rekhmire – 18e Dynastie – Vallei der Edelen)

 
Foto 7 : Een deel van de begrafenisstoet.  In het graf van de 18e Dynastie ambtenaar Ramose is op de wanden van de voorkamer van het graf de hele begrafenisstoet als fries aangebracht
Tekst en foto's : Daniël Coninx