Nieuwsbrief Nr. 89 - september 2015

Begraafplaatsen in de frontstreek – deel 5Mia Verbanck bezorgde ons deel 5


LIJSSENTHOEK MILITARY CEMETERY

Ligging en typering
 
Lijssenthoek Military Cemetery is gelegen langs de Boescheepseweg 37, op de hoek met de Bethunestraat, in de wijk De Boonaard, op ongeveer 2 km ten ZW van de ring van Poperinge.
De omgeving is licht glooiend en landelijk.
 
Van 1915 tot 1920 was op het gehucht Lijssenthoek het grootste evacuatiehospitaal van de Ieperboog gevestigd.

De plaats lag tijdens de oorlog op een belangrijke verbindingslijn tussen de basis van de geallieerden en het front van de Ieperboog. Hier lag onder meer een hoeve van Remi Quaghebeur, door de Engelsen Remi Farm genoemd.
Door zijn dichte, maar toch nog veilige ligging van het front werden hier voorzieningen ingericht voor het verzorgen van gewonden.
 
De Franse 15ième Hopital d'Evacuation gebruikte de plaats het eerst als begraafplaats.
Vanaf juni 1915 richtten de Britten hier een veldhospitaal (Casualty Clearing Stations of C.C.S.) in; later in de oorlog werden dit er vier met een bezetting tot 4.000 bedden.
In het voorjaar van 1918 trok men de veldhospitalen een tijdje terug en werden ze vervangen door een Britse en Franse veldambulance, omdat men vreesde dat de ze tijdens het Duitse lenteoffensief te dicht bij het front zouden komen te liggen. Daarna keerden de veldhospitalen nog terug.
 
Tegen het einde van de oorlog was begraafplaats de grootste Britse begraafplaats in België geworden; door bijzettingen werd Tyne Cot Cemetery in Passendale later nog groter.
Na de oorlog werden 24 Britse veldgraven overgebracht uit de omgeving van Poperinge. In 1981 voegde men nog 17 graven toe afkomstig van het kerkhof van Sint-Denijs.
 
De begraafplaats is een spiegel van het oorlogsgeweld in de Ieperboog. Wie gewond raakte, werd afgevoerd naar het veldhospitaal. Zij die het niet haalden, werden ter plaatse begraven. De begraafplaats groeide organisch. Zo verwijzen de piekdagen op Lijssenthoek steeds naar een gebeurtenis aan het front, zij het met een, twee of drie dagen vertraging. Vandaag liggen er 10.785 slachtoffers begraven. 
Aanleg
 
De eerste plannen voor de aanleg van Lijssenthoek Military Cemetery dateren van 1918. De Imperial War Graves Commission (het huidige Commonwealth War Graves Commission) gaf de opdracht aan Sir Reginald Blomfield. De architect behoorde tot het team van specialisten dat zich toelegde op het uittekenen van herdenkingsmonumenten.
Zo ontwierp Blomfield onder meer ook de Menenpoort en het Cross of Sacrifice . Dat is een herdenkingskruis, meestal een vrijstaand wit kalkstenen Latijns kruis op een achthoekige basis. De grootte van het kruis varieert van 4 tot 9 meter en op de voorkant van het kruis is meestal een bronzen zwaard bevestigd.
Lijssenthoek Military Cemetery wordt beschouwd als zijn meesterwerk, de plaats waar hij zijn concept van 'formal architecture' kon uitvoeren. Strakke lijnen en lichtjes verhoogde terrassen bepalen de vormgeving van de begraafplaats. Bomfield werd bijgestaan door Arthur Hutton als uitvoerend architect.
 
Het Cross of Sacrifice staat in de oostelijke hoek.
De begraafplaats bevat 35 plots of perken en beslaat een oppervlakte van ongeveer 4 ha. De begraafplaats is ommuurd en heeft een poortgebouw met twee zijgebouwen. Kort voorbij de ingang staat de Stone of Remembrance, een gedenksteen op een platform van drie treden, ontworpen door de Britse architect Edwin Lutyens. Op de steen staat de inscriptie „Their name liveth for evermore”. Het is een citaat uit het Bijbelse Boek Ecclesiasticus of Spreuken (40:14). De zin werd aangebracht door de Britse auteur, dichter en Nobelprijslaureaat Rudyard Kipling wiens enige zoon in de oorlog was omgekomen.
 
In 2012 werd een nieuw bezoekerscentrum ingehuldigd. Door middel van beelden, teksten en media wordt de geschiedenis van de begraafplaats geschetst en voor elke dag van het jaar wordt het verhaal van minstens één slachtoffer verteld.
 
Wie ligt er begraven?
 
Volgens het huidige register liggen er in totaal 10.785 doden uit de Eerste Wereldoorlog, waarvan 9.901 doden van het Gemenebest waarvan er 24 niet konden geïdentificeerd worden:
·       7.389 doden uit het Verenigd Koninkrijk – waaronder ook 35 mannen van het Chinese Labour Corps gerekend worden, gestorven tussen februari en november 1919 ­–,
·       1.131 uit Australië,
·       1.058 uit Canada,
·       3 uit India,
·       291 uit Nieuw-Zeeland
·       29 uit Zuid-Afrika.
Daarnaast liggen er nog 658 Fransen, 223 Duitsers (waarvan 12 niet geïdentificeerd konden worden) en 3 Amerikanen begraven.
Er zijn 5 ‘special memorials’ opgericht voor mannen, waarvan aangenomen wordt dat ze begraven liggen onder een naamloos graf.
 
De jongste gesneuvelde is de Schot Donald McLeod Snaddon, 15 jaar (plot 2 D37) en de oudste is een Fransman, Louis Riva, 63 jaar (plot 33 E20).

Van de 10.750 slachtoffers is de familienaam, de sterfdatum en het regiment bekend. Het zeer hoge aantal bekende namen valt te verklaren door de specifieke aard van deze begraafplaats. Het is een hospitaalbegraafplaats. Hier rusten voornamelijk mensen die stierven in het evacuatiehospitaal. Hun naam stond al vermeld in het hospitaalregister en werd bij de grafregistratie overgenomen. De meeste doden kregen in het register ook nog de vermelding Died of wounds, gestorven door verwondingen of Died of disease, gestorven aan ziekte.
 
Meer over het Chinese Labour Corps
 
Het Chinese Labour Corps was een niet-gewapende afdeling van het Franse en Britse leger, die bestond uit arbeiders (burgers) uit de Republiek China die tijdens de Eerste Wereldoorlog ingezet werden voor het uitvoeren van logistieke taken ter ondersteuning van de eigen troepen.
China was sedert 1911 een republiek en wou door deelname aan de oorlog de Europese grootmachten ervan overtuigen dat hun land zich aan de internationale regels zou houden. Het wilde ook bewijzen dat het een moderne natie wou worden en een betrouwbare partner kon zijn.
Tot februari 1917 was China een neutraal land waardoor het geen gewapende troepen naar het oorlogsgebied mocht sturen. Omdat Japan in 1914 aan Duitsland de oorlog verklaard had, had het de Duitse kolonie Qingdao ingenomen. Door arbeiders naar Europa te sturen, hoopte China invloed te krijgen bij eventuele vredesonderhandelingen om zo hun bezette steden terug te eisen.
 
Omdat de oorlog aansleepte en de legers van Fransen en Britten en hun bondgenoten (de Entente) grote verliezen leden, geraakte de bevoorrading in de loop van 1916 in de problemen: er waren arbeiders tekort om de nodige grondstoffen en munitie aan te voeren. Ook de infrastructuurwerken aan en rond het front liepen vertraging op. Men wou daarvoor arbeiders ronselen uit de koloniën.
 
China had reeds in juni 1915 voorgesteld om arbeiders te leveren, maar de Britten hadden dat afgewezen. De Fransen stemden wel in en in augustus 1916 kwamen de eerste Chinese arbeiders uit Tianjin in Frankrijk aan. Hun aantal zou tegen het einde van de oorlog ongeveer 44.000 man bedragen.
Door de grote verliezen bij de Slag aan de Somme in de zomer van 1916 was er een nijpend tekort aan werkkrachten bij het Britse leger. De Britten rekruteerden dan ook Chinese arbeiders uit hun concessies Weihaiwei (Weihai) en Qingdao. In april 1917 kwam een eerste duizendtal in Europa aan, maar dat aantal zou in de komende drie jaar oplopen tot ongeveer 95.000. Alle arbeiders kwamen aan in Le Havre om dan per spoor naar het basiskamp in Noyelles-sur-Mer gebracht te worden. Daarna werden ze verdeeld over de verschillende gebieden waar hun diensten nodig waren.
 
De Chinese arbeiders ondertekenden een contract voor drie jaar bij de Britten en voor vijf jaar bij de Fransen. Omdat hun namen voor de westerlingen onuitspreekbaar waren, werd hen een identificatienummer toegekend en een badge met de letters CLC.
Voor een werkdag van 10 uur kregen ze een dagloon van 1 franc. Dat was vier maal hoger dan het dagloon voor gelijkwaardig werk in hun land. Een deel ervan werd naar hun familie gestuurd. Bovenop hun loon kregen ze nog voedsel, kledij, onderdak en medische verzorging.
 
De Britse arbeiders werden in compagnies van zo’n 300 à 500 man ingedeeld onder leiding van een officier, verder in pelotons onder leiding van onderofficieren of Chinese ploegbazen. Om een goede communicatie te verzekeren werd bij elke compagnie één of twee tolken ingedeeld. Ook een eigen kok was voorzien.
Door hun contract mochten ze niet als strijders ingezet worden, maar ze stonden wel onder militair gezag en ondergingen dan ook dezelfde discipline. Ze vielen onder de krijgswet wat dikwijls aanleiding gaf tot problemen. Zo zijn er tien Chinezen geëxecuteerd wegens moord of een andere zwaar misdrijf.
 
De Chinezen zetten zich in voor wegenaanleg, herstellen van loopgraven, constructie- en afbraakwerken, spoorwegwerken, laden en lossen van schepen en treinen, arbeid op het land, opruimen van slagvelden waaronder onontplofte granaten, aanvoer van munitie en ander oorlogsmateriaal. Een minderheid deed geschoolde arbeid in fabrieken of werkplaatsen (vooral de Chinezen in Franse dienst).
Na de oorlog werden ze ook nog ingezet bij het ontgraven van slachtoffers, het aanleggen van oorlogsbegraafplaatsen en het opruimen van de talrijke ruïnes. Door de aard van hun werk liepen ze soms grote risico’s omdat ze zich dikwijls dicht in de buurt van het front of in het bereik van de artillerie bevonden.
De Chinese arbeiders werden over het algemeen gewaardeerd voor het harde werk dat ze verrichtten en hun zin voor verantwoordelijkheid.
 
De arbeiders verbleven in kampen van zo’n 1.000 à 3.000 man, in tenten of hutten voor ongeveer 40 man. Ze mochten officieel geen contact hebben met de plaatselijke bevolking.
Ze hielden zich in hun vrije tijd (een halve dag per week plus de feestdagen) bezig met muziek spelen, zingen en het kweken van huisdieren of het verzorgen van moestuinen. Gokken en theedrinken waren hun favoriete bezigheden. Anderen hielden zich bezig met zogenaamde loopgravenkunst, zoals het graveren van granaathulzen met typische Chinese motieven, houtsnijwerk, toneelopvoeringen en schilderen.
Leden van de Young Men’s Christian Association (YMCA) organiseerden cursussen lezen en schrijven en brachten de basisregels bij over hygiëne, geschiedenis en nationaal bewustzijn. De overheid stond hen toe hun eigen feestdagen te vieren.
 
In augustus 1917 liet China haar neutraliteit en koos partij voor de Entente. Men bracht de arbeiders nu dichter bij het front om werkzaamheden uit te voeren en daardoor stonden ze vaker bloot aan artillerievuur en ander oorlogsgeweld.
In Reningelst, bijvoorbeeld, sloegen een aantal Duitse granaten in waarbij respectievelijk 13 en 4 arbeiders omkwamen.
Tijdens het Duitse Lenteoffensief in het voorjaar van 1918 vielen vele slachtoffers bij bombardementen op de kampen in Duinkerke en Calais.
Ook hun reis naar Europa was niet zonder gevaar: in februari 1917 werd het transportschip Athos in de Middellandse Zee getorpedeerd waarbij zo’n 500 Chinese arbeiders omkwamen.
 
Men schat dat tussen 1917 en 1920 zo’n 2.000 arbeiders door oorlogsgeweld en ziekten omkwamen. Vooral tijdens de epidemie van de Spaanse griep was de tol hoog. Op de Chinese begraafplaats van Nolette liggen 841 slachtoffers begraven. Anderen liggen verspreid over de vele begraafplaatsen in Frankrijk en België (een lijst vind je op https://nl.wikipedia.org/wiki/Chinese_Labour_Corps ).
 
Nog meer informatie over de Chinese arbeiders op http://www.chinasquare.be/dossiers/chinezen-in-poperinge-en-omstreken-in-%E2%80%A6-1917/

 
Tekst en foto’s: Mia Verbanck