Nieuwsbrief Nr. 89 - september 2015

De PanneWe swingen De Panne van het dak. We moesten er even op wachten, maar hier is het dan: het verslag door An van de voorlaatste rondleiding.


Zestien moedigen trokken met alle mogelijke transportmiddelen naar de uithoek van het land, één superdappere haalde het zelfs op de plooifiets. Voorwaar een prestatie. Na het Italiaans orgasme van begin mei, viel op het eerste zicht, het monumentale werk ferm tegen maar de verhalen achter de graven maakten onze tocht de moeite waard. Gepassioneerde gids Johan Dhaenens vertelde met kennis van zaken en animo. Meer hebben Zerkjes niet nodig. En het bewijs was er, de kudde van zestien bleef samen, geen dolende schapen te bespeuren.
De Panne scheidde zich af van moedergemeente Adinkerke in 1911. Zelfstandig als ze nu waren, wensten de inwoners een eigen begraafplaats maar het provinciebestuur lag dwars: zo’n jong ding zonder eigen financiële middelen daar kwamen gegarandeerd kleerscheuren van. Ondertussen had De Panne al onderhandeld met de familie Calmeyn en een lapje grond uitgekozen maar het verlossende provinciale “ja” liet op zich wachten en noodgedwongen werden de doden nog altijd op het kerkhof van Adinkerke bijgezet.
En waar een wereldbrand met zijn ontelbare slachtoffers al niet goed voor is. Op 1 juli 1918 werd de begraafplaats ingezegend. Leontine Verfaille en Sylvie Moerman, twee dames-vluchtelingen  hadden zo lang niet gewacht, ze waren hier al op 25 maart 1918 ter aarde besteld.
Het startschot werd gegeven bij het monument voor de burgerslachtoffers WO II, sommigen onder hen kwamen om als bootvluchtelingen tijdens de Britse operatie Dynamo, anderen kwamen in de hel van de Duitse bombardementen terecht 
Zo viel een voltreffer op een eenvoudig vissershuisje, zestien doden vielen er te betreuren. Dat onze teerbeminden reislustige zielen zijn dat wisten we maar soms is het gezeul met afgestorvenen toch van het goede te veel. Oorspronkelijk werden al deze burgers rap rap in een massagraf begraven. Na de oorlog werden ze uit de grond gehaald en als een soort erehaag bij de ingang van de begraafplaats herbegraven. In 1955 was het opnieuw van dattum, nu verhuisden ze naar hun ietwat achteraf stek. Ik hoop dat ze nu voor eeuwig in vrede mogen rusten.
Pal naast dit perceel bevindt zich het Brits militair terrein. Ook hier liggen operatie Dynamo slachtoffers. Tussen de Britten zaaide men ook enkele Fransen, Tsjechen, Slovaken en 3 moslims uit de Franse kolonies.
Jacques Dumont (1879-1938), één van de zonen van Albert Dumont (van de Dumontwijkfamilie) bleef in De Panne wonen, ontpopte zich als filantroop en stichtte oa een school.
Ondertussen werd een Bruggeling ingewijd in het begrip “huwelijkse trouw” en het gebruik van de trouwring. Zijn verwarring was begrijpelijk want die van de kust hebben soms merkwaardige liefdessymbolen.
Isidoor Larrangé (1881-1976), een visser rust samen met zijn echtgenote Anna van Hove (1883-1976) onder een gietijzeren kruis.
Politieke gevangenen en weggevoerden WO II: één van hen, Julien Demolder stierf niet in een concentratiekamp. Julien was wielrenner en onder het mom van: “ik ben aan het trainen” smokkelde hij berichten van hot naar her. Deze dekmantel was niet waterdicht want hij werd betrapt door de Duitsers, hij vluchtte weg en werd neergekogeld. zee op 22 december 1944. Het leven van een visser verliep niet over rozen. De zee kon ongenadig zijn.
August Decrop kreeg een miniatuur IJzertoren op zijn graf.
Op het ereperk WO I rust de tweede burgemeester van De Panne, dokter Abel Dewulf, in een van de rest afwijkend graf. 
Oscar Vermeersch en Louis Legein, twee Interbellumarchitecten passeren de revue.
We zijn er rondgelopen zoals katten rond de hete brij, we hebben het benaderd vanuit alle mogelijke hoeken en kanten. Maar het moest er eens van komen. Het graf van Maurice Calmeyn, het meest monumentale geval van allemaal. Architect G de Hens en beeldhouwer Jules Bernaerts hebben hun best gedaan. Maurice Calmeyn (1863-1934) liberaal grootgrondbezitter van overwegend duinen, is met zijn schrale gronden niets. We zitten voor de periode dat de duinen volgebouwd worden en ons kustlandschap om zeep geholpen wordt.
Maurice beslist om al dat zand te bebossen (aha de Calmeynbossen) Liberaal zegt U, wat doen die hamer en sikkel dan op zijn graf? We leren dat er in dit geval geen sprake is van communistische sympathieën. De hamer (arbeider) en sikkel (boer) vechten samen voor hun vooruitgang en vrijheid. Een “verlichte” progressistische liberaal blijkbaar en waarschijnlijk een logebroeder als we de andere symbolen correct interpreteren.
Ik, met mijn slecht karakter, denk er het mijne van, namelijk dat arbeider en boer door hun gezamelijk zwoegen Maurice gewoon stukken rijker hebben gemaakt.
Julius Deman (1908-1994) een dichter-kunstschilder werkend onder het pseudoniem Karel Dekandelaere.
Twee Britse militairen te midden van de burgers, we voelen het aan ons water, daar zit een verhaal achter. John Cain, assistent-kok op HMS Huglie dat op 26 april 1919 met man en muis naar de kelder ging tijdens een storm. De golven gaven zijn lichaam vrij, hij kon geïdentificeerd worden, zijn kompaan had minder geluk, hij rust nu in een anoniem graf.
Nog een militair, een Belg deze keer: Michel Lamarche, geboren in Luik in 1894. Als motocyclist “mort pour la patrie” op 23 maart 1918 aan zijn eind gekomen. Zijn moeder wenste na haar dood bij haar zoon begraven te worden. Wat ook gebeurde maar ondertussen was haar zoon riebedebie richting militair ereperk.
Op 16 oktober 1918 viel een obus op villa Catherina waar Gustaaf Devré en zijn echtgenote Hortensia Debruyne verbleven. Hun dochtertje, enkele weken oud, stond in haar “voiture” onder de trap en overleefde de klap. Nog maar pas op de wereld en al wees. 
Frans de Wever en Marie Mergan zijn de schoonouders van Willem Vermandere.  Je mag éénmaal raden wie het beeld gekapt heeft. Op het graf van de grootouders van Anee Vanheste, de huidige burgemeester, staat dan weer een kunstwerk van Eddy Walrave. We staan blijkbaar in het burgemeesterskwartier: H.O. Gevaert gehuwd met een Ascrawat zong het ettelijke jaren uit als burgervader. Ook Raf Versteele en Willy Vanheste mochten de sjerp ombinden. Hilaire Lahaye schopte het iets verder. Hij werd liberaal senator.
Terug naar het gewone volk, alhoewel. De Huysseunes, een vissersfamilie dobberen allemaal samen in de familiekapel. Henri Gonsales, een visser, zweette WO I uit als krijgsgevangene. Zijn vrouw, Anna Smagge zat thuis met de 3 meisjes Josephine (2 jaar), Bertha (10 jaar) en Lena ( 6 jaar) toen een voltreffer op 2 mei 1917 hun woning verwoestte. De verhakkelde en verkoolde lichaampjes werden op een bed gelegd en gefotografeerd. De foto diende in de Verenigde Staten als propagandamiddel, niet tegen de gruwel en de barbaarsheid van de oorlog, wel om de onmenselijkheid van de Duitsers te demonstreren.
De familie Legrand wijdde zich aan het nobele beroep van stenen kappen. Ook Charles Trenteseaux oefende dit beroep uit.
Tijd voor een beetje wierookgeur: de zusters van de H. Gehoorzaamheid (een orde waar ik, gediplomeerd dwarsligger en stijfkop, nooit deel van zal uitmaken) en priester Seraphijn Dequidt (Oeren 1858-1911). Hij gaf les aan het St. Leocollege in Brugge. Hij richtte er ook het Davidsfonds op.
Op vraag van de grootste zoetekauw onder ons, ons aller Philippe, eindigden we bij de honingman van de Meli: Alberic Florizoone.
Knorrende magen en guur weer, de warme maaltijd liet zich smaken.
 
Wat de namiddagrondleiding betreft, ook aan zee zijn er parasiterende kapers op de kust. Ondergetekende heeft de gids beloofd om daar kort en bondig bijna niets over te schrijven, behalve dat het eens te meer goed was.
Toch nog enkele wetenswaardigheden: die Béthune was inderdaad in de verte verwant met Jantje Gotiek. Is Alphonse Vyncke mijn grootoom? Na eeuwen gewacht te hebben op een reactie van de gemeente Knesselare sta ik even ver. Ze kunnen mij niet vertellen of mijn grootvader en Alphonse broers waren. Ferme burgerlijke stand daar in Knesselare, ik zou daar niet graag een geboorte of een overlijden aangeven. Waarschijnlijker is dat de ambtenaar van dienst gewoonweg gezegd heeft: “Foert, het interesseert mij niet”
Wat de Gentse Marie Ceuterick betreft, die daar op 20 mei 1940 samen met andere “staatsgevaarlijken” te Abbeville vermoord werd, dat ben ik nog verder aan het uitpluizen


Tekst en een selectie uit de foto’s: An Hernalsteen