Nieuwsbrief Nr 85 - januari 2015

Een Europese architecten- en kunstenaarsfamilieN.a.v. de tijdelijke expositie over 5 generaties Cluysenaer, in het Charliermuseum van Sint-Joost-ten-Node


Telgen uit Oostenrijk, Duitsland en Nederland
De telgen van de familie Cluysenaar of Cluysenaer stammen af van een Hollandse en een Duits-Oostenrijkse architectenfamilie. De familienaam Clausner werd al vermeld in dokumenten,  in het kadaster van Flirsch  en i.v.m. met de Dom van Keulen. De exodus startte in de 18de eeuw,  met de uitwijking van de broers Paul (geboren in Flirsch, op een onbekende datum in 1699 en overleden in 1754, in het Nederlandse Mechelen) en Franz Klausener (geboren in 1709 in Flirsch en overleden in 1770, in het Duitse Burtscheid). Zij waren de zonen van Basileus Klausener (geboren op 12 juni 1667 in Flirsch en er overleden in 1741). Flirsch ligt in het Oostenrijkse Tirol. Franz werd later de stamvader van een succesrijke architecten- en ondernemersfamilie in Burtscheid (Aken). Bij hem heeft de eerste naamsverandering plaats: Klausener. Deze familietak bleef ca. 200 jaar in de regio actief. Paul is de stamvader geworden van de bekende architekten- en kunstenaarsdynastie Cluysenaer, actief in het Nederlandse Limburg en België.
Paul werd vanaf 1729 als bouwondernemer en –inspecteur van de kerken van Eijs en Wittem en het kasteel Schloss Neuburg in het Nederlandse Limburg vermeld. In dokumenten is hij ook als wethouder bij het Hoog Gerechtshof en als architect uit Wittem beschreven. Tussen 1750 en 1751 waren Paul en de jongere broer Franz actief als meester-metselaars en – timmerlui bij de bouw van de nieuwe Johannes de Doperkerk van Burtscheid. Deze kerk was door de bekende architekt Johann Josep Couven ontworpen. De broers waren  verantwoordelijk voor de koepelbouw. Later werden ze ook betrokken bij de bouw van de Waalse of Lutherse kerk in Vaals. Franz huwde in Burtscheid met Helena Kugl en kreeg 5 kinderen, waaronder de architect Franciscus Adolphus Klausener (of Franz Adolf, geboren in 1739 en overleden in 1789).
Franciscus Adolphus Klausener kreeg 10 kinderen en was op zijn beurt de vader van architect Franciscus Wilhelmus Klausener (of Franz Wilhelm, geboren in 1765 en overleden in 1798) en van de bekende bouwondernemer Gaspard (of Caspar) Friedrich Klausener (geboren in 1818 en overleden in 1880).
Franciscus Wilhelmus Klausener werd de vader van de architect Peter Klausener senior.  
Gaspard Friedrich Klausener had verschillende zonen. Alfons Klausener en Eugen Klausener werden of burgermeester van Burtscheid en staatspoliticus,  of een belangrijke textielindustrieel. Eugen liet in Aachen de Villa Klausener  bouwen; deze villa is de huidige Commerzbank. Hun afstammelingen bleven verder actief in de poltitiek en in de textielindustrie.
Bij de latere generaties waren er ook architecten, zoals Peter Klausener senior en Aloys Klausener, die de neoromaanse Sint-Gertrudiskerk in Wijlre, bij Gulpen-Wittem bouwde.
De jongere broer van Franz, Paul of Paulus Klausener, huwde in 1730 met Maria Priem (Driemen) uit Wittem. In deze familietak gebeurden er verschillende naamsveranderingen. De familienaam Klausener werd achtereenvolgens Clousener, Kluisenaar en tenslotte Cluysenaar of Cluysenaer. 
Paul Klausener kreeg 10 kinderen, waaronder Johannes-Petrus (geboren op 6 juni 1742 in Mechelen-Wittem en overleden op 28 juni 1822 in Gosselies). Johannes Petrus huwde  Johanna Diesener en werd actief als architekt. Hij was de vader van Johannes Klausener. De familienaam verandert in Kluizenaar.
Johannes Klausener of Kluysenaar (geboren op 20  augustus 1796 en overleden op 30 september 1834) werd in de economisch bloeiende periode van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden als verdienstelijk ingenieur en bouwkundige bij de waterstaat met zijn vrouw Gerinda Geritsen en zijn zesjarige zoon Jean-Pierre naar ons land gestuurd. Kampen bevindt zich in de provincie Overijssel. Johannes werkte in Antwerpen, Vleurgat (Brussel) en Gosselies en was vanaf 1817 verantwoordelijk voor het realiseren van bruggen en wegen.  Zijn familienaam werd omgevormd tot Cluysenaar. Door de Belgische Omwenteling van 1830 verloor hij echter snel zijn goede baan. Hij zou het nadien moeilijk hebben, om te overleven en leidde een houthandel, in Elsene.
Jean-Pierre Cluysenaar, stamvader van kunstenaars en van een architecten   
Jean-Pierre Cluysenaar  (geboren op 28 maart 1811, in Kampen en overleden op 16 februari  1880, in Sint-Gillis, of Brussel)  werkte vanaf zijn 16 jaar al bij een steenhouwer. Hij volgde echter tegelijkertijd ook tekenlessen en een cursus architectuur aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Brussel, bij Alexander Werry en Pierre Tasson. Vervolgens vond hij werk, in het Ministerie van Openbare Werken, bij Tilman François Suys (1771-1834). Vader T.F. Suys was de hofarchitect van koning Willem I en verantwoordelijk voor de verdere afwerking van het Academiënpaleis (het vroegere Paleis van de Prins van Oranje te Brussel), de rechtervleugel van het Arenbergpaleis en Suys' eigen woning aan de Schaarbeekse Poort. Suys had snel het bijzondere teken- en graveertalent van de jonge Cluysenaar opgemerkt en hem daarom tot vaste medewerker benoemd. Door Suys kreeg Cluysenaar een bijzondere interesse voor de Italiaanse renaissance en de Romeinse architectuur. Na 1835 ging Cluysenaar zijn eigen weg. Hij ontwierp ook gebouwen in andere neostijlen en het eclecticisme en ontwikkelde een eigen stijl, met aandacht voor de eigen traditie, de typische streekmaterialen ven de polychrome vermenging van verschillende bouwmaterialen. Cluysenaar gebruikte ook als één der eerste bouwmeesters metaal en glas in onze Belgische architectuur en kreeg omwille van sociale en maatschappelijke interesses een bijzondere aandacht voor het samengaan van wonen en werken. Hij werd als piepjonge architect van amper 26 jaar door de bouw van de Koninklijke Sint-Hubertusgalerijen (op amper 13 maanden tijd voltooid) de bekendste architect van Brussel. Zijn hele leven lang heeft hij gestreden voor een hervorming van het versnipperd en dilettantisch onderwijs en de waardering van het architectenberoep en van de architectuur. Hij vocht voor een vakkundige en lange begeleiding van minstens 7 jaar, door de meest ervaren architecten. 'ledereen kan in principe het beroep van architect uitoefenen zonder examen of zonder speciale vergunning. Ook al de meestermetselaars, timmerlieden, enz... profiteren van deze vrijheid om zich als architect door te laten gaan. Deze mensen hebben, voor het overgrote deel, slechts een zeer gering onderricht gehad, hoogstens enkele elementaire noties van architectuur, dikwijls zeer oppervlakkig onderwezen in onze openbare tekenscholen...', schreef Cluysenaar in 1859.
Jean-Pierre Cluysenaar bleef ca. 50 jaar actief. Hij werd, in tegenstelling tot zijn vader, een rijk man. Hij bouwde allerlei soorten gebouwen. Zowel openbare, zoals theaters, speelzalen, casino’s, kursalen en stations, waarvan de 17 spoorwegstations en wachthuisjes van de spoorweglijn Dender-Waas de meest bekende zijn. Deze gebouwen moesten zowel efficiënt, geïntegreerd en gevarieerd zijn. Verder realiseerde hij een hele reeks plattelands- en stadsvilla’s, waaronder zijn eigen (verbouwde en beschermde) woning aan de Kunstlaan 10/11, in de buurt van het Charliermuseum, en het hotel de Meeûs aan het Frère-Orbanplantsoen, dat nu de zetel van de Raad van State is. Cluysenaar bouwde ook vele kastelen, zoals het kasteel Rey in Drogenbos, de villa Servais in Halle en het kasteel met bijgebouwen, voor Baron de Viron, dat het huidige gemeentehuis van Dilbeek is. Ook hotels in Luik en Brussel, zoals het hotel Cluysenaar of het huidige hotel Astoria,  aan de Koningsstraat, dat nu al jaren wacht op een renovatie. Tenslotte ook muziekgebouwen, zoals het Koninklijk Muziekconservatorium en de ijzeren muziekkiosk in het Koninklijk Park. En prachtige galerijen en markten. De Magdalenamarkt bij de Bortiergalerij bleef gelukkig bewaard, maar de 2 overdekte markten aan de Congreskolom in de ‘Bas-Fonds’, met prachtig panorama, zijn spijtig genoeg verdwenen. Stadsverfraaiing lag hem zeer nauw aan het hart. Het werd zijn belangrijkste programmapunt. Zijn constructies in de stad werden net zoals de gebouwen en de station op het platteland organisch met de omgeving verbonden. Ook bij zijn ontwerpen van landhuizen, villa's, kastelen, boerderijen, kerken, boerderijen en veeteeltbedrijven streefde hij ernaar om door de kleur, de aard en de bodemgebondenheid van de gebruikte materialen (blauwe en witte steen, rode baksteen) aan deze gebouwen een uitwendig effect te geven, dat zowel origineel als aangenaam oogt. Cluysenaars opdrachtgevers in het jonge land België waren vooral ook fortuinrijke en liberale bourgeois en bankiers, waaronder John Cockerill en bankier De Mot. Cluysenaars werk was sterk (hoofd)stedelijk georiënteerd. Maar ook in het buitenland kreeg hij vele opdrachten. In Aachen en Burtscheid, waar 1 familietak actief was, bouwde hij tussen 1844 en 1851 een casino, een concertgebouw en een uitbreiding van de Elisenbrunnen. Later verrezen een theater en een Kurhaus, in Bad Homburg,  bij Frankfurt en een Handelsbeurs en –galerij in Berlijn. De meeste gebouwen werden echter  door de  2 wereldoorlogen verwoest.  Gelukkig zijn er nog enkele stadswoningen of hotels in Aachen bewaard, aan de Franzstraße 48 (hotel  Nellessen),  de Friedrich Wilhelm Platz 6 ( Hotel Nuellens) en Templergraben 79. Cluysenaar kreeg ook de opdracht voor het groot theater van Amsterdam en het Kursaal van Scheveningen.
In 1841 werd Cluysenaar genaturaliseerd en Belg. Hij was lid van onze  Academie voor Archeologie en van de Academie voor Schone Kunsten in Amsterdam. Hij was officier in de Leopoldsorde en erelid van de Royal Institute of British Architecs en vicevoorzitter van de Koninklijk Commissie voor Monumenten van België. Hij verwierf vele medailles en titels. Jean-Pierre Cluysenaar huwde twee maal. Een eerste maal in 1830, met Elisabeth Puttaert, en een tweede maal met haar schoonzus, met Adelaide Puttaert. Zo werd hij op zijn beurt de stamvader van een belangrijke familie van kunstenaars.
Jean-Pierre Cluysenaar was de vader van Gustave en van Jean André Alfred Cluysenaar.  Zijn dochter Adèle Clotilde  (geboren op 31 augustus 1834 en overleden op 15 augustus 1901), huwde de architect Gustave Saintenoy (1832-1892), architect van het Rekenhof. Adèle werd in 1862 de moeder van architect Paul Saintenoy (1862–1952), de bouwer van Old England. Zo werd Jean-Pierre Cluysenaar ook grootvader van een bekend architect.    
Een dynastie van schilders en beeldhouwers
 Zijn 2de zoon, Jean André Alfred Cluysenaar (geboren op 24 september 1837 in Brussel en overleden op 23 november 1902, in Sint-Gilis) studeerde eerst beeldhouwkunst  bij  J. B. Jacquet. Nadien volgde hij lessen schilderkunst aan de Academie van Brussel, bij Jean François Navez. Hij volgde de raad van zijn vaders vriend, de schilder Louis Gallait, en trok naar Parijs, waar hij studeerde aan de Ecole des Beaux Arts en in het atelier van Léon Cogniet. Nadien reisde hij drie jaar rond doorheen Italië en Duitsland. Hij was de eerste schilder uit de familie. Hij hielp eerst zijn vader, o.a. in Bad Homburg. Alfred was zowel schilder, tekenaar, pastellist en aquarellist. Hij maakte werken met mythologische, religieuze en literaire thema’s, in de stijl van Ingres en Delaroche en was eerst beïnvloed door de renaissance. Hij schilderde ook dieren, portretten (van vrienden- kunstenaars, de koninklijke familie, aristocraten en politici), landschappen en romantische en oriëntaliserende historieschilderijen. In 1859 stelde minister Charles Rogier een speciaal krediet ter beschikking aan de steden, voor de decoratie van hun openbare gebouwen. Door toedoen van professor en schepen Gustave Callier werd het krediet in Gent gebruikt voor het aanbrengen van monumentale muurschilderingen, in de trapzaal van de Aula, gebouwd door Louis Roelandt. Alfred werkte er samen met  Lodewijk Jan De Taeye en Victor Lagyet en voltooide de opdracht, in 1881. Hij werkte ook in de Zoo van Antwerpen en het trappenhuis van het gemeentehuis van Sint-Gillis (1890), samen met Jacques de Lalaing.
Alfred Cluysenaar was in zijn tijd even beroemd als Emile Wauters, Lievin de Winne en Eduard Agneessens. Hij huwde in 1873 met Marie-Thérèse Cornélis en werd vader van drie kinderen. Hij werkte na zijn terugkeer uit Italië in een van de ateliers, die zijn vader Jean-Pierre Cluysenaar in de Bronstraat in Sint-Gillis had gebouwd. Het complex werd spijtig genoeg afgebroken. Na zijn vaders dood ging Alfred in de buurt van het atelier wonen. De gemeente Sint-Gillis gaf in 1907, na de dood van Alfred, een straat zijn naam.
Alfred werd in 1866 aangesteld als professor aan het Hoger Instituut van Schone Kunsten van Antwerpen (of het huidige NHISKA).  Later werd hij de directeur van Tekenakadémie van Sint-Gillis en lid van de Koninklijke Akademie van België. Jacques de Lalaing en Jean Delvin  waren zijn bekendste leerlingen. Er is werk van hem aanwezig in het Koninklijk Paleis, in het Parlement, in de musea van Antwerpen, Brussel, Charleroi en Luik.
Net zoals zijn vader was hij ridder in de Leopoldsorde. Hij behoorde tot vele  Brusselse verenigingen, zoals de Société des Beaux-Arts en de Cercle artistique et littéraire.  In 1902, n.a.v. zijn overlijden schreef de New York Times dat hij de bekendste schilder van België was.
Alfred is de vader van André Cluysenaar en schilderde een prachtig portret van zijn zes- of zevenjarige zoontje, leunend tegen de rug van een zetel, en met enkele schildersvoorwerpen, en gaf het de titel ‚Vocation‘ of roeping.
Het familiegraf,  waarin meerdere telgen begraven werden, bevindt zich op het kerkhof van de Dieweg te Ukkel.
André Edmond Alfred Cluysenaar  (geboren op 3/5/1872 in Sint-Gillis en er overleden op 7/4/1939) werd door zijn vader Alfred opgeleid. Hij schilderde eerst en maakte vanaf 1897 beedlhouwwerken, die hij op de sectie van Schone Kunsten toonde, n.a.v. de wereldtentoonstelling van 1897. Nadien verdiende hij vanaf 1902 opnieuw zijn brood met portretten. Hij werd een leerling van het vrije atelier van Jean Portaels en had er als medeleerlingen Jacques de Lalaing en Fernand Scribe.
Hij huwde een Schotse, Alice Frances Gordon, die een afstammelinge van de Engelse dichter Lord Byron was. Hij verbleef tijdens de eerste wereldoorlog in Engeland. Daar werd hij beroemd, als portretschilder van prominente personen, leden van de 'Royal Family, politici en "oorlogshelden '. Daarbij schakelde hij over naar een daar commercieel meer gangbare academische stijl, beïnvloed door de Belgische schilder Alfred Stevens. Hij schilderde aanvankelijk romantische en later luministische landschappen, maar ook bloemen, naakten en portretten. Tal van portretten, zoals deze van Arthur Balfour, Herbert Henry Asquith en Robert Chalmers zijn te zien in de Londense National Gallery. Een portret van koning Albert aan de Ijzer bevindt zich in de Londonse ambassade.
Hij was bevriend met Alfred Bastien en Alfred Baertsoen en lid van het kunstenaarscollectief. Uccle Centre d’Art, sinds de stichting in 1902.
André Cluysenaar overleed in 1939, amper 66 jaar oud, na maanden geleden te hebben aan hartproblemen.
John Edmond Cluysenaar (of John Jean Edmond Cluysenaar, geboren op 26 september 1899 in Ukkel en overleden op 31 juli 1986 in  Noville-sur-Mehaigne/Namur), was de zoon van André Cluysenaar en de laatste mannelijke telg. Hij was een eigenzinnige persoonlijkheid met een opvallende Engelse touch, door o.a.; zijn zin voor humor en zijn blijvende zoektocht naar het absolute. Hij was zowel beeldhouwer als schilder en een autodidakt. Zijn vader werkte hem tegen. John ging daarom weg van huis en verbleef vanaf zijn 16 jaar in London, zonder middelen, waar hij  geld verdiende door allerlei beroepen uit te oefenen. Vervolgens deed hij 2 jaar legerdienst, tijdens wereldoorlog 1, tussen 1917 en 1919.  Na de oorlog legde hij zich verder toe op de beeldhouwkunst. Hij verwierf in 1924 en 1925 belangrijke prijzen, zoals de prijs van Rome en de Godecharleprijs. Daardoor kon hij ook gaan reizen. Zijn eerste tentoonstellingen werden in Engeland georganiseerd.  Zijn busten bewijzen de invloed van Carpeaux en van impressionisten, zoals Rodin en Rik Wouters. Bekende werken zijn het portret van zijn vader en van de schilder Eugène Laermans. Later maakte hij tal van standbeelden, zoals o.a. het beeld van de prins de Ligne in het Egmontpark, en beelden langs de hoofdlaan op de Heizel, op de wereldexpo van 1935.
John week in 1938 naar London uit. Hij stopte na de dood van zijn vader met beeldhouwen en begon te schilderen. Eerst figuratief, en vanaf de jaren ’50 abstract, met aandacht voor felle kleuren, zoals rood, purper en zwart. Het thema bleef 40 jaar lang het gezicht of het masker en was een voortdurende zoektocht vol uitdagingen. Hij was beïnvloed door het expressionisme, Jackson Pollock,  primitieve kunst en art brut drukte daardoor zijn fantasie maar ook zijn angsten uit. John exposeerde samen in Engeland met Ben Nicholson.
Bij zijn terugkeer in 1955, vestigde hij zich eerst in Brussel, en na zijn derde huwelijk, met Jacqueline Emilie Collier, in 1968, in het Naamse Noville-sur-Mehaigne. Daar heeft het echtpaar in 1987 de Stichting John Cluysenaar opgericht met 2 doelen: het oeuvre van John Cluysenaar bewaren en jonge, actuele artiesten ondersteunen. Na Johns dood werd de Stichting opgedoekt.  De weduwe schonk nadien, in 2011, omwille van de aanwezigheid van werken van de familie Cluysenaar en de realisatie van interessante tentoonstellingen, een belangrijk legaat schilderijen aan het Charliermuseum. 
Werken van John Cluysenaar bevinden zich zowel in de Koninklijke Musea van Brussel en Antwerpen, als in de musea van Schone Kunsten van Doornik, La Louvière, Luik, Mons, Elsene en het Muzee van Oostende. 
Anne, laatste, vrouwelijke afstammelinge en een bekende Engelse dichteres
John Cluysenaar kreeg uit zijn tweede huwelijk met de kunstenares Sybil Fitzgerald Hewat een dochter,  Anne Cluysenaar.  Anne werd geboren in 1936 en studeerde af aan het Trinity College in Dublin, in 1957. Anne Cluysenaar bleef in Engeland wonen en nam de Ierse nationaliteit aan, in 1961. Ze was 20 jaar lang gehuwd met de Engelsman Walt Jackson, werd  professor linguïstiek en een bekende dichteres en publiceerde méér dan 15 jaar in het tijdschrift  Scintilla. Ze gebruikte uitstluitend haar meisjesnaam. Door haar plotse dood, op 1 november 2014, in Wales, tijdens de opbouw van de Cluysenaartentoonstelling in het Charliermuseum, eindigt met haar een grote artiestenfamilie.    
Een gedicht van haar hand over Brussel sluit dan ook mijn artikel af
Bruxelles. Footings of sand.
In his fingers, a shark’s tooth.
While he crouches on broken rock,
time surges over. Like seas.
Vibrations. A taste of blood.
Lost world, sunk in cross-bedding.
His own box of bones, the skull
he looks out from, at once flung open
to forces stretching beyond.
Now his work windows my walls.
Making heads of a changing world.
Making world of the human head.
Edges of canvas no more
than where lines reach in, reach out.

Anne Cluysenaar


Opmerking: Bij het schrijven van het artikel midden december 2014 was het de auteur nog onduidelijk of de tentoonstelling in het Charliermuseum met enkele maanden zou verlengd worden. Alle concrete info kan vernomen worden via de website van het gemeentelijke museum in Sint-Joost-ten-Node, www.charliermuseum.be
Het museum bevindt zich aan de Kunstlaan 16 te Brussel.
Tel. : 02 220 26 91. en fax : 02 220 28 19. E-mail : [email protected]

Tekst : Machteld de Schrijver, kunsthistorika.