Nieuwsbrief Nr. 9 - januari 2003

Monumenten om te koesterenvoorwoord van Kristien Hemmerechts voor het boek van Annemie Havermans


De eerste keer dat ik over Schoonselhof hoorde praten zou mijn man er in het ereperk worden begraven. In die wezenloze dagen tussen zijn dood en de begrafenis, zochten wij er dikwijls troost. Gerard Walschap lag er al, en ook Paul Van Ostaijen en Willem Elsschot, pal tegenover elkaar. Het was balsem voor onze ziel dat hij in zo'n goed gezelschap zou terechtkomen. Nergens, zo beseften wij op die zonovergoten meidagen, zou hij beter kunnen liggen. Iemand noemde Schoonselhof het geheugen van de stad. Voortaan zou ook zijn naam erin staan gegrift.
 
Zeg nooit kerkhof tegen Schoonselhof. Zeg: begraafplaats. Met het accent op plaats. Dat is het eerste wat opvalt als je er komt: de ruimte, het groen, de rust. In heel Antwerpen is er geen betere plek om te wandelen. Iedereen heeft er zijn hoekje: de joden, de islamieten,  de oorlogsveteranen, de kinderen, de kunstenaars en politici. In de 'gemengde' perken rusten vrijzinnigen, katholieken, socialisten en vrijmetselaars vredig naast elkaar. Er is plaats voor iedereen. In een kerkhof is het altijd drummen. Het hofje stamt uit een tijd met minder mensen. Kleinere mensen ook. Het volste kerkhof is waarschijnlijk het oude joodse in Praag, waar de doden met een schoenlepel lijken ingepropt. De graven dateren van lang voor de holocaust maar toen al kregen de joden nauwelijks plaats om te leven, laat staan om te sterven. De eerste christenen losten het plaatsgebrek in hun catacomben op door gestapeld te begraven. Met de weinige grond die hun was toegewezen, moest worden gewoekerd. Dit plaatsbesparende systeem hadden ze niet zelf bedacht maar van de Romeinen overgenomen. Christenen verbrandden hun doden liever niet, omdat bij ontstentenis van een lichaam de opstanding problematisch wordt. Wilden ze iemand van hun gemeenschap dubbel straffen, dan hingen ze hem niet alleen op maar sneden ook zijn lichaam aan stukken, zodat het niet zou kunnen verrijzen. Nochtans wijzen christenen crematie niet radicaal af, als in de dienst het geloof in de verrijzenis van de doden maar nadrukkelijk wordt beleden. Bij hen ligt immers de nadruk op as: tot as zult gij vergaan; de joden zeggen: tot stof. En dus mag een joodse mens niet worden gecremeerd, ook al omdat volgens hun leer de ziel de tijd moet krijgen om in alle rust het lichaam te verlaten. Wie begraven zegt, zegt plaats, zegt hygiëne. Het leven van de beroemde schrijfsterzusjes Brontë zou mede zo kort zijn geweest omdat ze naast een kerkhof woonden: het water dat ze dronken was door de lijken besmet. Mensen die bij een kerkhof wonen, zeggen soms lachend: wij moeten nooit meer verhuizen.
 
Het was Napoleon die het principe introduceerde dat elke burger op een individueel graf recht heeft, en hoewel Schoonselhof pas jaren na zijn dood als begraafplaats werd ingericht, ademt het een zekere militaire discipline. De grachten, kaarsrechte wegen en hagen die als wallen de gelijkvormige perken omringen, zouden niet in een fort misstaan. Indien Napoleon ooit een begraafplaats had ontworpen, zou hij ongetwijfeld Schoonselhof hebben aangelegd. Alleen in de verre uithoeken van deze vierentachtig hectaren is er plaats voor slordigheid. Daar stuit je af en toe op een rommelig perkje met een handvol verloren graven, of op een braakliggend perceeltje waar voorlopig alleen mollen in de grond vertoeven. In één perkje lijkt een overschotje echtgenoten samen gelegd. Echtelijke restjes. Zo en zo, en zijn épouse. Of zijn echtgenote. Welke landstaal ook in de grafsteen is gegrift, altijd komt eerst de man. Hij leidt in de dood zoals hij leidde in het leven.
 
Misschien ademt Schoonselhof in de eerste plaats grandeur. Hier kan eeuwig worden bestaan; hier wordt de vergankelijkheid van het leven betreurd in monumenten die zelf de eeuwen willen trotseren. De funeraire taal spreekt over tijdelijkheid én eeuwigheid. De afgebroken zuil, de gesluierde urne, de gevleugelde zandloper, de omgekeerde toorts, de handen die uit elkaar glijden vertellen allen hetzelfde verhaal: de mens is een sterfelijk wezen; geliefden worden door de dood van elkaar gescheiden. Er moet worden losgelaten. Maar de taxus, klimop en eikenkrans suggereren een andere mogelijkheid: zij symboliseren eeuwigheid, precies zoals de ouroboros, de slang die zichzelf in de staart bijt en op die manier de kringloop van de natuur uitbeeldt die geen einde kent. Of beter: elk einde is tegelijk een begin. En dan zijn er de vele symbolen die de dood eenvoudigweg negeren. Nergens wordt zo vredig gerust, geslapen en gesluimerd als op Schoonselhof. Kijk naar de kussens op de graven, en de papaver die de slaap der gelukzaligen verwekt. Nog anderen symbolen verwoorden de belofte van een hiernamaals: het schip waarmee de overtocht naar dat verre land van eeuwig leven wordt aangevat, de deur die de wereld van de doden en die van de levenden scheidt. Voor de overledene staat hij op een kier; voor zijn treurende geliefde blijft hij hermetisch gesloten.
 
De monumenten zelf bestaan in een eeuwigdurend nu. Althans, dat was aanvankelijk de bedoeling. Napoleon had niet alleen beslist dat ieder mens in zijn eigen graf mocht rusten, maar dat graf zou hem of haar ook nooit meer kunnen worden ontnomen. Het werd bij aankoop de onvervreemdbare eigendom van de overledene. Het principe werd bekrachtigd met een ronkende nieuwe term: de eeuwigdurende concessie. Grootheidswaanzin was Napoleon niet vreemd. Hij speelde graag voor God en schonk zijn burgers een eeuwig postuum monumentenbestaan. Zijn mildheid kende geen grenzen, en werd vaak door de mildheid van zijn dankbare burgers jegens zichzelf of hun dierbare overledenen geëvenaard. Kosten noch moeite werden gespaard. De mens was vergaan maar zijn graf zou eeuwig bestaan. Het loonde om in pracht en praal van steen of brons te investeren.
 
Het is dan ook begrijpelijk én onbegrijpelijk dat dit grootse gebaar met een handtekening onder een wet ongedaan is gemaakt - de wet van 20 juli 1971. Sindsdien is eeuwigheid herleid tot maximaal vijftig jaar - tenzij je het geluk hebt in een ereperk terecht te komen. Of in een koninklijke sarcofaag. België is een dichtbevolkt land en op den duur viel te vrezen dat het hele land zou zijn verknipt in percelen met eeuwige concessie. Iedere Belg zijn huis, zijn weekendhuisje én zijn graf, daarvoor is er geen plaats. Ongetwijfeld betreft het een preventieve maatregel ingegeven door het gezonde, nuchtere en pragmatische verstand én door overwegingen van rationele aard. Men moet daar niet sentimenteel over doen. Of bijgelovig. Wij zijn toch niet zoals bijvoorbeeld de inwoners van Madagaskar over wie wordt gezegd dat zij meer geld aan woningen voor de doden dan voor de levenden spenderen, en die zelfs koppig weigeren om grond aan buitenlanders te verkopen omdat al het land aan de voorouders toebehoort. Zo komt men niet vooruit! Zo blijft men in het verleden trappelen als in een moeras. Op Madagaskar worden de beenderen van de overledenen gekoesterd alsof het ging om een stukje goud. Regelmatig worden ze uit het familiegraf gehaald en in een nieuwe lijkwade gewikkeld. Er wordt mee gedanst en gefeest, er wordt mee gegeten. Ooit op een dag moeten al die beenderen terug naar Indonesië, het land dat de inwoners van Madagaskar jaren geleden hebben verlaten om zich op het Afrikaanse eiland te vestigen.
 
Nee, daar zijn wij, westerlingen, anders in. Soms overdrijven we van de weeromstuit in de andere richting. In februari 2002 was het in Oudekapelle even schrikken toen een wegberm met 'kerkhofaarde' werd opgehoopt, wat wil zeggen: aarde waaruit menselijke resten én restanten van lijkkisten priemden. Nog harder schrikken was het diezelfde maand in Noble, Georgia, waar de eigenaars van een kapotte crematoriumoven meer dan honderd lijken in een bos hadden gedumpt. Er was immers geen geld voor een nieuwe oven. Of misschien was er wel geld, maar had niemand zin om het daar aan uit te geven.
 
Oudekapelle, en zeker Noble liggen ver van Schoonselhof, maar toch komt het als een schok om hier de grote graafmachines aan het werk te zien. Van op een afstand lijken ze op hongerige voorhistorische monsters die gulzige happen uit de aarde nemen. Aarde waarvan je weet dat het niet louter aarde is. Maar de wet is onverbiddelijk: verwaarloosde graven moeten worden ontruimd. Wie op Schoonselhof langs de graven kuiert, merkt algauw de strenge bordjes op: 'Akte van verwaarlozing. De burgemeester stelt vast dat overeenkomstig artikel 11 van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging volgende concessie gelegen op de begraafplaats Schoonselhof zich in staat van verwaarlozing bevindt. Concessie: Bosch-Bonhomme, Perk: 08, Lijn: West, Nummer: 01, Concessienummer: DB/5268. Indien deze concessie niet in zijn oorspronkelijke staat wordt hersteld voor 1 december 2002 zal de gemeenteraad verzocht worden een einde te maken aan de concessietermijn. Antwerpen 15 november 2001. Voor de burgemeester, de afgevaardigde schepen, Erwin Pairon.'
 
En dus is het niet helemaal verwonderlijk dat meer en meer doden Schoonselhof de rug toekeren. De meeste Islamieten hebben dat altijd al gedaan omdat zij het liefst in hun land van herkomst worden begraven, terwijl de joden zo dicht mogelijk bij de plaats van overlijden willen liggen. Belgische joden komen meestal in Putte terecht, net over de grens met Nederland, waar ze tot in eeuwigheid van dagen ongehinderd door graafmachines kunnen rusten. Maar ook de meeste Belgen kiezen het zekere boven het onzekere. In Antwerpen wordt meer dan vijfenzestig percent van alle lijken gecremeerd. Zelfs mijn diepgelovige vader piekert niet meer over de opstanding der doden. Ik vermoed dat mensen hun nageslacht niet tot last willen zijn. Dat ze denken: opgeruimd staat netjes. En dat ze hun arme knoken het lot van die van Noble of Oudekapelle willen besparen. Goddank kan na de crematie de as worden verstrooid of mee naar huis genomen, want het columbarium van Schoonselhof bestaat uit een uitzonderlijk onaantrekkelijke waaier van grijze muren.
 
Helaas keren ook meer en meer levenden Schoonselhof de rug toe. Schoonselhof scoort erg goed als toeristische attractie. Mensen laten er zich graag rondgidsen. Het is prettig om door deze stenen annalen van de stad te worden geloodst, om stil te staan bij de graven van de 'groten' en bij de monumenten voor de 'kleine man', de arbeiders die vochten voor algemeen stemrecht, de vrouwen en kinderen die omkwamen toen de munitiefabriek ontplofte, de jonge student 'gevallen voor Vlaanderen op Guldensporenslag 1920'. Hier liggen weerstanders en oud-strijders, maar ook jongens uit het Britse Gemenebest. Hier liggen ontelbare - veelal ongeschreven - verhalen, soms heroïsch, soms schrijnend, soms een krampachtige combinatie van beide. Maar zij die de graven zouden moeten onderhouden, vinden niet altijd de weg. En zo gaat kostbaar funerair erfgoed reddeloos verloren.
 
De bordjes met 'Akte van Verwaarlozing' lijken soms met een zekere willekeur uitgedeeld. In het joodse hoekje is het onbegrijpelijk waarom de familie Kannengiesser (perk J, lijn B, nummer 27, concessienummer DB/3673) een rode kaart heeft gekregen. De aangekondigde teloorgang van het mooie afgeknotte zuiltje op het graf van Drillich-Strauch (perk J, lijn A, nummer 23, concessienummer DB /3675) is nu al een betreurenswaardige zaak. Misschien zouden trouwere of plichtsbewustere levenden graven kunnen adopteren, een beetje zoals de zoo het peterschap van bepaalde dieren aan dierenvrienden toekent. In dat geval zou ik me misschien bereid verklaren om het hele kinderperk te adopteren. Er is iets uiterst bevreemdends aan de hand met het kinderperk van Schoonselhof. Iets onbegrijpelijks zelfs, en van een onzegbare treurigheid. Het is één van die afgelegen perken waar chaos en wanorde heersen. Wat meteen opvalt is de virtuele afwezigheid van grafstenen. Weinig ouders of voogden hebben het nodig of wenselijk geacht om daarvoor te zorgen. De meeste 'graven' worden alleen door opgehoopte aarde en een houten kruis gemarkeerd. Er slingert wat kapot speelgoed rond. In een aantal gevallen heeft het dode kind zelfs geen naam gekregen. Dan lees je op het kruis 'kindje' gevolgd door een achternaam en twee data. Geen desolatere plek op aarde dan dit verwaarloosde perk. Het ene graf dat de uitzondering op de regel vormt is met kettingen afgezet alsof de ouders de dolende zielen van de andere kinderen op afstand proberen te houden. Willen ouders dit zinloze, vroege sterven zo snel mogelijk vergeten? Hebben ze niet de moed om een grafsteen uit te kiezen? Om opnieuw de  begrafenisondernemer onder ogen te komen? Of vinden ze het weggegooid geld? En wie zal deze kinderen uit dit vagevuur, dit voorgeborchte redden?
 
De eerder vermelde schepen lijkt hier zijn laatste geduld te hebben verloren. Op de inmiddels vertrouwde manier kondigt hij aan dat overeenkomstig artikel 26 van de wet van 20 juli 1971 'de begravingen in de gewone lijn tot en met het jaar 1986 ' zullen worden ontruimd. (…) De graftekens die niet teruggenomen worden door de belanghebbenden voor 1 februari 2002 zullen van ambtswege worden verwijderd. De nabestaanden worden NIET verwittigd van de geplande ontruimingen.' Wet is wet, zegt men, maar je moet van staal zijn om hem hier toe te passen. Tenzij je de aanblik van deze graven die geen graven zijn niet langer kunt verdragen.
 
Ik heb twee keer een kind moeten begraven, en twee keer heb ik voor hem geen graf gewild. Mijn zoontjes zijn allebei gecremeerd, en hun as is verstrooid. Ook daarvoor moet een mens van staal zijn, maar het leek toen de enige mogelijkheid: een meedogenloos gebaar voor een meedogenloze situatie. Ook wilde ik vermijden dat iemand tegen zijn zin en louter uit plicht er een plant zou neerzetten omdat het nu eenmaal Allerheiligen was. Vandaag overvalt me meer dan eens de spijt dat ik geen plek kan bezoeken waar zij rusten. Ik denk dat ik daar graag af en toe met hun zus zou staan, al was het maar een enkele keer per jaar. Ik denk dat ook zij daaruit troost zou putten.
 
Ook mijn man had ik liever laten cremeren, maar hij had herhaaldelijk uitdrukkelijk de wens uitgesproken dat hij in de aarde wilde liggen. Lange tijd werd ik gekweld door de gedachte aan wat daar met hem gebeurde. Vandaag heb ik een vrij helder beeld van wat er van hem overblijft. Ik denk niet dat daaruit kan worden opgestaan. Nochtans ben ik blij dat zijn graf bestaat. Ik heb het niet nodig om aan hem te denken, maar het helpt. Daar zijn, wat onkruid uittrekken, de glazen plaat schoonmaken brengen mij tot rust. Heel even ben ik dicht bij hem. Zijn graf rijt een wond open, én heelt.
 
We hebben het met geen van de traditionele funeraire symbolen versierd die zo kenmerkend voor de oudere graven zijn. Onder de glasplaat liggen schelpen in alle kleuren en vormen, want hij hield van de zee en heeft er dikwijls over geschreven. De afgebroken zuil, de treurende vrouwen, de gevleugelde zandloper, de handen die uit elkaar glijden, de taxus en eikenkrans horen thuis in een andere, bombastischere tijd. Een opzichtige tijd die met verdriet en geld wenste uit te pakken, en wilde pronken met iets wat al lang was vergaan. Een tijd van grote gevoelens, nadrukkelijke gebaren en rijkelijke ornamenten. Die tijd ligt ver genoeg van ons af om hem te koesteren en te bewonderen, of op zijn minst te bewaren. Om te weten: we mogen hem niet door onstilbare graafmachines laten vermorzelen of vermalen.  

Kristien Hemmerechts