Nieuwsbrief Nr. 81 - mei 2014

Ons kent ons – of toch nietJack Marcova in gesprek met onze voorzitter


“Ons kent ons” is een nieuwe rubriek in de Nieuwsbrief waarin deze keer Jack Marcova een interview afneemt van een van de leden van vzw Grafzerkje die, naast zijn of haar lidmaatschap bij vzw Grafzerkje, nog andere pijlen op de boog heeft of had.

In dat kader doen we een oproep naar leden die iets meer kwijt willen aan de lezers van de Nieuwsbrief.

Met wie kon Jack Marcova (verder JM genoemd) beter beginnen dan met de voorzitter van vzw Grafzerkje Jacques Buermans (verder JB genoemd).
JM: Hoe ben je bij vzw Grafzerkje terecht gekomen?
JB: Ik werkte als losse medewerk bij de krant “De Nieuwe Gazet” en diende Edmond Patteet te interviewen. Hij was steenkapper op rust, had jaren ervaring en de man heeft nog de overbrenging van een aantal grafmonumenten van de in 1936 gesloten Kielbegraafplaats naar Schoonselhof meegemaakt. Die man kon daarover vertellen, man. Dat was een lust om naar te luisteren. Hij was erevoorzitter van Epitaaf en bij die vereniging sloot ik me aan. Dankzij Edmond Patteet was ook mijn interesse in het funeraire gewekt.

JM: Hoe uitte zich dat?
JB: ik was altijd al geïnteresseerd in de geschiedenis van Antwerpen en op de begraafplaats Schoonselhof lag toch heel de Antwerpse geschiedenis van de laatste tweehonderd jaar begraven? Kwam nog bij dat ik een aantal gidsen bezig hoorde en wat die toen aan hun toehoorders vertelden deed mij besluiten: dat kan ik beter.

JM: Je begon toen zelf met rondleiding te geven op Schoonselhof? 
JB: Niet direct. Ik wilde het goed doen en ik verzeker je dat daar tijd in kruipt. Op een bepaald moment had ik een embryonale rondleiding in mekaar gebokst en dat was het moment om over een aantal van deze personen interessante dingen te vertellen, dingen die niet iedereen weet of die leuk zijn. Dat maakt een rondleiding boeiend en zo kun je uw toehoorders in de ban houden. Het AMVC, Archief en Museum voor Vlaams Cultuurleven bezit informatie over ontzettend veel mensen. Er is een leeszaal waar je al die info kunt raadplegen. Ik herinner me nog mijn eerste bezoek. Ik was daar nog nooit geweest en wist ook niet “wat” men van een bepaald iemand had. De bereidwillige mensen van die leeszaal legden me uit dat ik voor elke naam een fiche diende in te vullen met wat ik juist wilde inkijken. Er waren foto’s, boeken, krantenknipsels, documenten, necrologia en nog veel aan te stippen. De eerste op mijn lijstje was Max Rooses waar ik op dat moment alleen van wist dat die een straatnaam had in Antwerpen. Onwetend kruiste ik maar alles aan. Ik wachtte en een tijd later zag ik een dame de leeszaal binnenkomen die een kar volgestouwd met boeken voortduwde alsof haar leven er van af hing. Ik dacht nog “Welke onnozelaar vraagt nu zo veel?”. U raadt het misschien: de dame reed recht naar mij toe. “Max Rooses” zegde ze en daar zat ik dan. Die man schreef honderden kunstboeken en was, als kunstcriticus, nog twee keer zo actief met documenten over onze belangrijkste kunstschilders. Mijn naam was daar gemaakt.

JM: Daar was je dan wel even zoet mee?
JB. Zeker. Ik verzeker je dat het bijna twee jaar duurde vooraleer ik tevreden was en een rondleiding kon doen voor vrienden en sympathisanten.

JM: Ik dacht dat je ook rondleidingen verzorgde op, bijvoorbeeld, de grote Parijse begraafplaatsen?
JB: Inderdaad en daar ging ik op dezelfde wijze als in Antwerpen te werk. Ik toog één week naar Parijs en bezocht, een voor een, de 97 perken van de begraafplaats Père Lachaise. Thuis maakte ik dan een rondgang waar ik zo veel mogelijk, voor ons, bekende figuren aandeed en ook oog had voor een Belgische namen die daar hun laatste rustplaats hadden.
JM: En dan startte jij met Grafzerkje?
JB: Zo is het niet helemaal gelopen. Een gelukkige samenloop van omstandigheden, zeg maar. Op een van mijn rondleidingen op Schoonselhof is Frieda Houbrechts, zus van ons lid Willem Houbrechts, aanwezig en ook Kurt Götze, gids op de Brugse begraafplaats. Na afloop bij het gebruikelijke drankje zegt Frieda “Brugge moet ook een mooie begraafplaats hebben? Zouden we die eens kunnen bezoeken? ” Ik vraag Kurt zijn prijs en zeg tegen Frieda: “Weg zijn wij”. Reactie van Frieda: “Ja maar onder ons twee gaat dat een duit kosten”. Ik zegde: “We zijn nog niet weg”. Op de dag in 2001 dat Brugge op het programma stond waren er 12 deelnemers. Om de twee maanden bezochten we een begraafplaats. Er werd ook vlug een tweemaandelijkse Nieuwsbrief uitgegeven. Grafzerkje was geboren. We deden zelfs een funeraire driedaagse trip naar Londen.

JM: En dan werd het vzw Grafzerkje?
JB: We wilden ons officialiseren om een groot restauratieproject te verwezenlijken door professionelen. Daarvoor hadden leden van ons al enkele kleine restauraties uitgevoerd maar we wilden meer. Het grafmonument voor Victor Driessens stond vooraan op ons verlanglijstje omdat het erg verwaarloosd was en op een centrale plaats, vlak over Hendrik Conscience stond. Hier mochten we ook van geluk spreken. Een aantal offertres dienden aangevraagd te worden. De eerste bedroeg € 5500, bij nummer twee was het al opgelopen tot € 6500 en nummer drie zat al aan € 7500. Maar je moet geluk hebben en de bedrijfsleider Carlos Vanhecke nam contact op met ons en hij zegde “jullie zijn die fameuze Grafzerkjes. Ik vind jullie toffe gasten en vind het een prima initiatief: ik doe dit voor jullie gratis”. Eerst dachten we dat we droomden maar eind 2006 was de restauratie een feit dankzij het bedrijf Verstraete – Vanhecke. We nodigden twee Antwerpse schepenen uit en die bedachten ons met € 5000  waar we het graf van bouwmeester Pierre Bruno Bourla mee lieten restaureren door diezelfde professionele mensen. 

JM: Sommige mensen vinden wat jullie uitspoken nogal griezelig? Bezoeken aan begraafplaatsen.
JB: Ja maar wij proberen de drempel te verlagen. Via onze naam ‘Grafzerkje’, een verkleinwoord, proberen we het laagdrempelig, ludiek te houden. Onze leden zijn door de jaren een groep vrienden geworden en na afloop wordt er regelmatig bij een hapje en een drankje gezellig nagekaart.

JM: Geldt dat ook voor de rondleidingen die je geeft?
JB: Ergens wel. Het is juist door rondleidingen te kruiden met hier en daar een anekdote dat je de toehoorders kunt blijven boeien. Mensen hebben geen boodschap aan een resem geboorte- en overlijdensdata. Trouwens, vaak staan die op de grafmonumenten. Maar door van tijd tot tijd iets grappigs in te lassen blijven de mensen luisteren en vaak nemen ze dat dan ook mee naar huis.

JM: Vertel zo eens iets grappigs?
JB: Bij het graf van burgemeester Camille Huysmans vertel ik het verhaal van de koning die Huysmans met een bezoek vereerde. Men belde aan en zegde “Het is de koning!” waarop Camille: “Zet maar een bak af!” (JM: voor niet-Antwerpenaren: brouwerij De Koninck). Soms ben je zo aan het opgaan in je betoog dat je, ongewild, grappig bent. Ik herinner mij eens dat ik zegde: “Die liggen hier voor heel hun leven!”. 

JM: Heb je nog bijzondere dingen meegemaakt tijdens rondleidingen?
JB: Ja hoor. Een van de dingen die me nog altijd bij blijft is een rondleiding voor blinden en slechtzienden. Je dient dan wel je rondleiding her en der aan te passen want wanneer die mensen vragen: “Mag ik eens kijken?” dan bedoelen ze dat ze eens willen voelen aan het monument wat jij nu juist bedoelt met dit of gene symbool. Ook gaf ik eens een rondleiding voor gehoorgestoorden. Die hadden wel hun eigen doventolken bij maar ik stond versteld van de snelheid waarmee die, in gebarentaal, mijn verhalen overbrachten.
JM: Doe je ook al rondleiding voor kinderen?
JB: Bij pubers is de interesse dikwijls ver zoek maar een rondleiding met kleine kinderen is best wel een leuke ervaring. De rondleiding mag niet langer dan één uur duren en de juffrouw of de meester dient vooraf al wat te vertellen. Het is een totaal andere rondleiding. Die gasten stellen vragen en die moet jij dan proberen zo goed mogelijk te beantwoorden. Hier maakte ik ook nog ooit iets leuk mee. Ik kom met die kinderen, ik schatte ze tien – elf jaar, voorbij het graf van schrijver Hendrik Conscience, een monumentale grafstede. Zegde de slimste van de klas: “Mijnheer ik weet wat die man zijn beroep was!”. Verwondering alom zeker bij mij want welk, zeker jong kereltje, weet nu nog wat Conscience uitspookte. Het werd stil in de groep en onze knaap zegde fier: “Leeuwentemmer!”. Kon ik zeggen dat hij fout was. Een kolossale “Leeuw van Vlaanderen” bewaakt het graf van de grote schrijver. 

JM: Ik vrees dat ik je nog uren kan laten vertellen over deze boeiende hobby van jou maar mijn tijd zit er op. Ik dank je voor deze gezellige babbel.
JB: Graag gedaan. En kom gerust nog maar eens af.

Tekst :Jack Marcova
Foto's : Leen Otte en Maria Nuiyts