Nieuwsbrief Nr. 81 - mei 2014

Soldaten komen van verreJohan Moeys vertelt


Private 3872 van het 48ste Batallion komt uit Australie en wordt begraven in Harelbeke. Ben en Rachel Rigney worden op 29 november 1899 de fiere ouders van Rufus Gordon. Hij groeit op aan de oevers van Lake Alexandrina, in het dorpje Pt.McLeavy (nu gekend als Raukkan).
De Commonwealth zoekt in al haar deelstatenl soldaten om mee te vechten in de Groote Oorlog. Ook Aboriginals als Rufus Gordon Rigney doen hun duit in het zakje. Hij is 16 jaar 9 maanden als hij op 9 augustus 1916 dienst neemt in het leger. Omdat hij geen 21 jaar en Aboriginal is moet hij toelating krijgen van de Chief Protector of Aborigines.
Op 19 september 1916 scheept hij in op de "Commonwealth" die vanuit Sidney naar Engeland vaart. Hij maakt deel uit van de 9th Reinforcement of the 32nd Batallion. In Plymouth ontschepen ze op 14 november. Rufus krijgt er de bof voor Kerstmis. Nadien trekken ze aan boord van de "Princess Victoria" naar Frankrijk op 16 januari 1917. Hij vervoegt het 32ste Batallion op 21 januari. Hij wordt gekwetst door schrapnel in rug, rechterschouder en arm op 4 maart, nabij Trones Wood. Voor behandeling en herstelling keert hij terug naar Engeland. Nadien vervoegt hij in Frankrijk het 48ste Batallion op 29 juni.
12 oktober 1917 wordt Rufus nogmaals gewond, tijdens de Eerste Slag van Passchendaele, waar hij een schotwonde in de longen oploopt. Hij wordt gevangen  genomen en behandeld door de Duitsers. Maar hij sterft aan zijn verwondingen vier dagen later op 16 oktober. 
Oorspronkelijk ligt hij begraven op het Iseghem Military Cemetery. In 1924 wordt zijn lichaam ontgraven en herbegraven op Harelbeke New British Cemetery.

Nog enkele weetjes:
- De leeftijd van Rufus bij zijn indiensttreding staat genoteerd als 19 jaar 1 maand, wat aangeeft  dat hij in hetzelfde jaar als zijn broer Cyril geboren werd.
- Leeftijd bij overlijden: 17 jaar 11 maanden.
- Begraven: Harelbeke New British Cemetery, Deerlijksesteenweg, 8530 Harelbeke. Plot 11, rij D, graf 7.

Tekst en foto"s : Johan Moeys