Nieuwsbrief Nr. 79 - januari 2014

Gentniet één verslag maar twee voor de prijs van één:


Blijkbaar is een en ander misgelopen aangaande communicatie en naast ons lid Michael Devisscher maakte ook ons aller ondervoorzitster An Hernalsteen een verslag op. Eerst An en dan Michael:

Groot-Limburg: funeraire curiosa in een Gentse abdij:

Impressionistisch relaas
Het begint al goed. Een kleintje moet zo nodig zijn maat 44 voor Sinterklaas gaan zetten. Is dit jaar nochtans niet zoet en braaf geweest. Twee verloren gelopen schapen terug naar de kudde geleid want Kerstmis is nog niet voor morgen. Een meneer, zonder plastiek zakje, moet zonodig zijn auto verplaatsen, blijft lang weg, halve trouwboek denkt dat hij zonder haar terug naar huis is. Wachten op een laatkomer, verwarde uitleg over een machinist die Gent niet vond.
Uiteindelijk tien bibberende neuzen geteld. Aan de tien koukleumen geld ontfutseld. Eén van de dames wordt zelfs gepluimd en blijft met een bijna lege portemonnee achter. Het slaat op haar blaas. Opgetekend wie er al dan niet op 18 januari een AV Maria komt zingen. Nu zijn we er klaar voor en breken binnen. De laatkomer speelt de boetvaardige monnik en pent ijverig.
Een kalvarie waar de mot in zit. Vlak-, verdiept- en hoogreliëf. Oranten, prianten, gisanten, pleuranten. Alles passeert de revue. Vanaf nu hebben bidders, liggers en bleiters geen geheimen meer voor ons.
Een verdomd lang gedicht zeg op die grafplaat van Hubert van Eyck. 
Het is al 11u30 en we staan nog maar hier. Knippen en plakken is de boodschap en op naar de pandtuin.
Pandtuin diende als begraafplaats voor Spaanse garnizoensoldaten. Hoe ontleedde een heelmeester vroeger een lijk? Hoe zag dat lijk er uit in de grond? De Troyesmeneer ondervond het aan den lijve. Lekker griezelen in de kapittelzaal maar ook de fantasie de vrije loop laten: wat hebben ze in godsnaam met dat stukje hertshoorn op die onderbuik uitgespookt. De gids van dienst had daar een morbide verklaring voor.
Manusje-van-alles (behalve het nemen van de foto’s)
Ps. Thuis valt Manusje straal achterover. Kromme Chiquitabananen blijken godbetert een Antwerpse specialiteit te zijn. De wonderen zijn echt de wereld nog niet uit.

Notities, Sint-Baafsabdij, zaterdag 23 november:

Ons lid Michael Devisscher maakte volgend verslag:
Zaterdag 23 november. Grafzerkje maakt Gent onveilig. Maar om de middenstand niet in problemen te brengen hebben we gekozen voor een afgelegen stukje stroppendragersstad, ergens verstopt tussen de pracht en praal van de RTT bijenkorf - Gents meest geliefde gebouw - en de fijne architectuur van het station Dampoort. Hier, in de Machariuswijk, bevindt zich de Sint-Baafsabdij waarvan  - op het voormalige reftergebouw na - enkel nog absurd pittoreske ruïnes resteren. Voor we van start gaan is het goed om weten dat de abdij in de 7e eeuw werd gesticht en tengevolge van de zichzelf overschattende Gentenaren door Karel V (‘keizer Karel voor de vrienden’ (dus niét de Gentenaren die tegen hem in opstand waren gekomen)) in 1540 haar ondergang kende. Toen werden diverse gebouwen van de abdij gesloopt en verrees vlakbij een dwangburcht, het zogenaamde ‘Spanjaardenkasteel’, dat tot de eerste helft van de negentiende eeuw standhield. In 1887 tot slot werd op de site van de voormalige abdij het Museum voor Stenen Voorwerpen opgericht.
Een twaalftal bekende en minder bekende - maar even welkome - gezichten zullen enkele uren doorbrengen in het onovertrefbare gezelschap van de enige echte Gentse furie An Hernalsteen. Vanuit de Spanjaardstraat (geen Sint te bespeuren) beginnen we onze verkenning op de plaats waar zich vroeger de keuken van de abdij bevond. 
Hiervan resteren enkel de muren en de restanten van twee schoorstenen. We zagen hier ook de eerste gesculpteerde stenen afkomstig van verdwenen (politiek correct taalgebruik voor : afgebroken) gebouwen uit Gent. Omdat de meeste aanwezigen pensioengerechtigd waren en de lichaamstemperatuur omgekeerd evenredig daalt naarmate de leeftijd toeneemt was het drummen om snel de beschutting van de voormalige refterruimte op te zoeken. Zeker door de extreme weersomstandigheden van de meeste vorige rondleidingen dit jaar was bij het bestuur van Grafzerkje de vrees gegroeid dat het aantal leden tegen het einde van het jaar gehalveerd zou zijn en werd deze keer geopteerd voor een gedeeltelijk beschutte werkplaats rondleiding.
Zodoende kwamen we in deze zaal waarvan we onder meer door de aanwezigheid van een beschot onder het dak wisten dat hier vroeger een eetruimte was. Het beschot verhinderde immers dat vanuit het dak stof zou kunnen vallen. In andere ruimtes was het niet gebruikelijk zulks aan te brengen. Deze refter was het hart van het complex geworden met een indrukwekkende collectie bestaande uit een zestigtal grafplaten.  Allen gemaakt uit Doornikse steen worden de meeste gekenmerkt door een zekere stereotiepe uitwerking. Hoewel conservatief en repetitief zijn het in meerdere opzichten interessante kunstvoorwerpen die wachten op een grondig onderzoek vanuit (kunst)historische hoek. Een uitdaging voor enkele studenten? In al haar onstuimigheid zou An zonder enige twijfel de volledige voormiddag over deze grafplaten hebben kunnen vertellen, maar ze wist zich te beperken tot enkele van de meest in het oog springende exemplaren zoals de oudste (met palmbladen, geen palmtakken!) of een grafplaat met meer reliëf die gedeeld werd door twee bisschoppen. Alsof een door twee hoge heren van de clerus gedeeld graf al geen aanleiding zou geven tot snode insinuaties waren bij één bisschop de handen zedig over de borststreek gevouwen, doch bij de andere leken ze een gevoeliger plek te beschermen. Dit werd echter kundig verklaard doordat we eraan herinnerd werden dat ook deze grafplaten oorspronkelijk óp de grond lagen en eenieder erover kon lopen. Je zou voor minder je handen strategisch plaatsen. Bij weer een andere grafplaat werden ons Piet Huysentruyt-gewijs 3 zaken geleerd die we moesten en zouden onthouden. We zagen een afbeelding waarbij de overledene de handen samengevouwen had, duidelijk in bidhouding. Dit was een orant (bidder). Ook gekend zijn de pleurant (bewener) en de gisant (ligger). Een andere plaat waar we bij stilstonden was deze van Hubert van Eyck (1366-1426). Inderdaad, dezelfde die samen met zijn broer Jan het befaamde Lam Gods heeft geschilderd. Dit bevat overigens een heel aardig grafschrift waarvan de tekst ook afgedrukt bij de steen werd geplaatst. Opvallend was een andere plaat die door glas werd afgeschermd omdat zich hierop – in tegenstelling tot de andere – nog sporen van de gekleurde pasta waarmee alle platen werden verfraaid bevinden. 
Veel van deze grafplaten waren trouwens erg goed bewaard. Dit werd verklaard door het verhaal hoe de meeste van deze platen hier waren verzeild. Bleek dat grafplaten - hoewel toch het voorrecht van de écht begoeden - na hun dood én indien er geen familie meer was die hiertegen kon protesteren, eenvoudigweg werden verwijderd om plaats te maken voor andere ‘rijke stinkers’ en vaak letterlijk gedumpt werden in waterlopen allerhande. Gelukkig ook vaak met de bewerkte zijde omlaag zodat die aldus niet aan erosie ten prooi vielen en wij hier vandaag van konden genieten. Net zoals in andere steden werden ook in Gent in de negentiende eeuw veel van deze waterlopen - soms beschouwd als bronnen van ziektes - gedempt en aldus kwamen deze grafplaten weer aan de oppervlakte. Men zou ze dan uiteindelijk in de Sint-Baafsabdij/Museum voor Stenen Voorwerpen verzamelen. 
Vóór het verlaten van deze zaal stonden we nog even stil bij het enorme houten Christusbeeld boven de hoofdingang. Dit was - in opdracht van bisschop Carolus Maes (1559-1612) - wellicht gemaakt om hoog boven een doksaal op te hangen. Veel later, in 1899, werd het naar deze plaats overgebracht. Het is ook hier dat restauratiewerken aantoonden aan dat dit beeld zich ook lange tijd buiten heeft bevonden, mogelijk op de begraafplaats van de Sint-Baafskathedraal. Andere beelden die bij deze Christusfiguur hoorden waren toen in zulke slechte staat dat er momenteel enkel nog de hoofden van resteren.
Weer buitengekomen gingen we naar de voormalige kruisgang. Eerste passeerden we nog de put van Macharius (+1012), de heilige die in de abdij stief en naar wie de huidige wijk is vernoemd. Volgens de overlevering zou het water bijzondere eigenschappen gehad hebben zoals bescherming tegen pest en koorts (al vermoeden we dat wie ervan dronk ook een week op het kleinste kamertje in het vooruitzicht gehad zou hebben). Aangekomen in de kloostergang vernamen we dat de zonet bezochte refterruimte later gebruikt werd als kapel door Spaanse soldaten. Een aantal van hen - vermoedelijk veroordeelden - werd in de kloostertuin begraven. We stonden even stil bij drie goed bewaarde gevelstenen van ene Jacob Herebusch. Het middelste toonde het zeer bijzondere tafereel waarbij onderzoek werd gedaan op een lijk ... in aanwezigheid van twee ‘levende’ skeletten! Verderop stonden meerdere grafplaten waaronder An’s favoriet , een transi ofte afbeelding van het lichaam dat in ontbinding verkeert. Hier leerden we ook dat de gekende uitbeeldingen waarbij uit het lichaam in ontbinding made kruipen wetenschappelijk behoorlijk incorrect is omdat : 1. vliegen geen eitjes kunnen leggen in begraven lichamen (ergo : geen eitjes betekent geen maden) en 2. ook pieren weinig interesse vertonen in een tête-à-tête met een dood lichaam. We sloten ons bezoek aan de kloostertuin af door even stil te staan bij het fraaie achthoekige lavatorium uit de 12e eeuw waar zich ooit wellicht een baptisterium (doopvont) heeft bevonden.
Tot slot gingen we naar de overzijde hiervan, de vroegere kapittelzaal van de abdij. Hier vond men ooit bij het opbreken van de vloer 12 graven waarvan er nu nog 5 over zijn. Deze graven - die uit de 10de eeuw dateerden - werden vernuftig genoeg voorzien van een kleine ‘doorloop’ waarin het lijkwater – dat geen uitweg vond door de bepleisterde muren van het graf – terecht kon. Als laatste boeiende/lugubere (schrappen wat niet past) element vernamen we dat aan weerszijden van de toegang tussen kruisgang en kapittelzaal in de negentiende eeuw twee lichamen van veroordeelden werden gevonden. Aan één zijde een onthoofd lichaam met het hoofd erbij begraven, aan de andere kant een lichaam met tegen de onderbuik een… hertshoorn. Antwoorden op een postkaart voor wie deze laatste vondst kan verklaren. Het zou wellicht niét gaan om Grafzerkje-leden die hun lidmaatschapsbijdrage niet tijdig vernieuwden, maar helemaal valt dit toch niet uit te sluiten (hint hint).
Niét onderkoeld, niet z..knat, maar weer iéts slimmer en een heel boeiende rondleiding rijker kwam hiermee een einde aan een verkenning van een voor velen onbekend stukje Gent dat absoluut de moeite waard is. Onze gids was vandaag eens te meer een uitstekend promotor van haar mooie stad en de afwezigen hadden - zoals het cliché het wil - toch ongelijk! 
Michael Devisscher
Foto’s: Michael Devisscher en Edgard Maes