Nieuwsbrief Nr. 75 - mei 2013

Fysisch-antropologische analyse van menselijke resteneen korte voorstelling door Marit Vandenbruaene


Inleiding
 
De fysisch-antropoloog bestudeert menselijke beenderresten, meestal afkomstig van archeologische opgravingen en soms uit gerechtelijke onderzoeken.
Menselijke botresten bevatten heel wat biologische informatie over sterfteleeftijd, geslacht, lichaamslengte, etnische afkomst, ziekten en letsels van een skeletindividu.
 
Over welke resten gaat het?
 
Afhankelijk van de periode van de begravingen, gaat het vooral om verbrande resten (crematies) vanaf de Romeinse periode of om grafkuilen met een skeletresten (inhumaties) vanaf de Christelijke tijden.
Heel zelden worden ook bewaarde zachte organische resten zoals haar, huid, vinger-en teennagels teruggevonden. Ook veenlijken en mummies worden onderzocht, maar deze komen vrijwel niet voor in onze contreien.
 
Hoe worden de resten ingezameld?
 
De aard van de bodem bepaalt hoeveel er van een menselijk lichaam overblijft. Hoe beter de bewaringstoestand, hoe beter de resultaten. Een constante omgeving zal decompositie vertragen, omgekeerd zal afwisseling van temperatuur en bodemtoestanden het verval versnellen.
 De botresten worden steeds nauwkeurig blootgelegd, gedocumenteerd, ingezameld en getransporteerd. Op een gestandaardiseerd skeletformulier wordt de bewaringstoestand, skeletpositie en oriëntatie beschreven. Verstoringen, grafgiften en grafcontexten worden eveneens genoteerd. Zeer slecht bewaard materiaal (bv. lijksilhouetten) zal op het terrein zelf geanalyseerd worden of ‘in bloc’ naar het labo worden getransporteerd.
 
Wat gebeurt in het laboratorium?
 
De ingezamelde beenderen worden in het labo gereinigd boven een zeef met kleine maaswijdte om het verlies van kleine botjes (zoals oorbeentjes) en tanden tegen te gaan. Nadien kunnen recente breuken gelijmd worden of conservering worden toegepast.
Vervolgens worden alle beenderfragmenten en tanden op de studietafel opgengelegd volgens hun anatomische positie. Tijdens dit proces let de onderzoeker op mogelijke vermenging met dierlijke resten.
Vermenging van meerdere individuen komt vaak voor, vooral in kerkelijke contexten, waar het ene graf bovenop en naast het andere is gelegen. Ook in massagraven (bijv. epidemie of oorlogsituatie) is het niet evident om alle botjes per individu te determineren. 
Van elk onderscheiden skeletindividu wordt een gedetailleerde osteologische inventaris opgemaakt, zodat men weet wat wel en niet is bewaard. Verder worden stalen genomen voor andere analyses, zoals ouderdomsdatering via radiokoolstof-onderzoek. (C14-datering).
 
Hoe worden menselijke resten geanalyseerd?
 
Op de eerste plaats zal men de biologische informatie van een skeletindividu verzamelen door te kijken (morfologie) en door te meten (osteometrie) met een grote schuifpasser.
Naast eenvoudige waarnemingen kunnen ook gedetailleerde methoden op de botresten worden toegepast, zoals het maken van preparaten voor microscopisch onderzoek (histologie), biochemische analyses (sporenelementanalyse en isotopenanalyse),  X-stralen onderzoek (röntgen), enzovoort. Deze laatste technieken zijn echter duurder, tijdsrovend en materiaal beschadigend.
 
Welke informatie bevat een skelet?
 
Menselijk botonderzoek levert de volgende biologische informatie op van een skeletindividu:
 
Sterfteleeftijd: Hoe oud was de begravene op het moment van overlijden?
Geslacht: Gaat het om een man of een vrouw, een jongen of een meisje?
Lichaamslengte: Hoe groot was de persoon?
Metrische kenmerken: Was hij of zij links-of rechtshandig, fors gebouwd of eerder tenger?
Etnische afkomst: Behoorde hij of zij tot het caucasische, negroïde of aziatische type ?
Erfelijke kenmerken: Bezat de persoon bepaalde anatomische skeletafwijkingen?  
Gezondheidstoestand: Zijn er letsels of verwondingen te zien, aan welke ziekten of aandoeningen leed de persoon? Is er sprake van heling of genezing?
Hygiëne en voedingsgewoontes: Kan men spreken over voedingstekorten of overdaad? Bestond het leven uit hard labeur of was er sprake van welvaartsziekten? Hoe zag de mondhygiëne er uit, mooie gave of onverzorgde tanden?  
Doodsoorzaak: Was de doodsoorzaak ouderdom, ziekte, ongeval of geweld?
Identiteit: Wie was de persoon eigenlijk, zijn er aanwijzingen van identiteit aanwezig?
 
Vooral de laatste twee punten, doodsoorzaak en identiteit, behoren tot het domein van het gerechtelijk onderzoek waarin de forensische antropologie een belangrijke rol speelt.
 
Waarom deze studie?
 
De studie meerdere historische skeletten levert informatie op over een hele bevolkingsgroep. Samen met de archeologische gegevens geeft deze botinformatie een beeld van de levenskwaliteit en de levensverwachting van de mensen vroeger. Ook begravingsrituelen doorheen de tijd kunnen op die manier worden gereconstrueerd.
Evengoed kan botanalyse van één specifiek skeletindividu doorslaggevend bewijs leveren in bijvoorbeeld gerechtelijk onderzoek kwestie van doodsoorzaak en identiteit.
De fysische antropologie bezit raakvlakken met andere disciplines zoals paleontologie, biologie, menselijke anatomie en ook gerechtelijke geneeskunde en pathologie.
 
Als mens dragen wij ons hele leven lang een skelet mee dat met ons meegroeit en meeleeft, dat ons beschermt en ondersteunt, en dat bepaalde fysieke gebeurtenissen in het harde bot of tandemail opslaat. Al deze biologische sporen kunnen door een geoefend oog worden afgelezen nog lang na onze dood. Dit is fascinerend en wetenschappelijk interessant tegelijkertijd, vandaar de oproep “Draag zorg voor je skelet” !
 
Literatuur
 
Van Strijdonck M., Ervynck A., Vandenbruaene M. & M.Boudin (2006). Relieken, echt of vals? Davidsfonds, Leuven.
 
Vandenbruaene M. (2008). Fysisch-antropologisch onderzoek, Historiek en Bibliografie, In: Onderzoeksbalans Erfgoed Vlaanderen, Vlaams Instituut Onroerend Erfgoed, hoofdstuk 9.4, 1-35, website www.onderzoeksbalans.be/
 
Vandenbruaene M. (2009). Forensische Antropologie, In: Boel P., De Cloet, V., De Kinder J., Mahieu J. & Van Varenbergh D. Handboek forensisch onderzoek. De mogelijkheden van forensisch onderzoek, Brussel: Politeia, 247-254.
 
Quintelier, K., Vandenbruaene M. & Watzeels S. (2012). A capite ad calcem. Protocol voor het macroscopisch morfologisch en metrisch onderzoek van niet-verbrand, menselijk skeletmateriaal, agentschap Onroerend Erfgoed, Relicta 9, 263-284.
 
Marit Vandenbruaene – De Deken
[email protected]