Nieuwsbrief Nr 74 - maart 2013

Joden en de dood – het funeraire patrimoniumeen eerste bijdrage van Machteld de Schrijver, vzw Culturama, naar aanleiding van de tentoonstelling in het Joods Museum.


Een eerste bijdrage van Machteld de Schrijver, vzw Culturama, naar aanleiding van de tentoonstelling in het Joods Museum van België, Miniemenstraat 21, 1000 Brussel, nog tot 30 september 2013. In de volgende Nieuwsbrief verschijnt een tweede bijdrage over de Joodse graven en hun symboliek.
 
Deze tentoonstelling werd samengesteld door curator Philippe Pierret en uitgewerkt door scenograaf Christian Israël. Het is een expo die niet alleen aanzet tot reflectie over de dood en het geloof in het hiernamaals, maar ook tot het in standhouden van de herinnering.
In de samenleving is er altijd een band geweest tussen de levenden en de doden; rituelen verbonden aan de geboorte en de dood vertellen iets over de maatschappij, waarin deze hebben plaats gevonden.
De eerste Hebreeuwers gingen bij de graven van hun voorouders uitrusten, om zich te bezinnen en te mediteren. Naast de synagogen zijn de begraafplaatsen bij uitstek dé religieuze plaatsen, waar er een pad of een traject is, tussen de levenden en de doden. Een plaats die eenmaal verkregen zorgvuldig in stand gehouden wordt door de joodse gemeenschap.
De tentoonstelling is gespreid over 3 verdiepingen en belicht het respect en de zorg voor de doden, de rouw, het instandhouden van de herinnering, de symboliek en de verschillende stijlen van grafmonumenten en het belang van de funeraire epigrafie of de grafopschriften.
Op de tentoonstelling zijn er foto’s, postkaarten, religieuze voorwerpen, boeken, documenten, archiefstukken replica’s en grafopschriften aanwezig. Er zijn ook uitzonderlijke weefsels uit de Elzas en uit Marokko te zien. De tentoongestelde objecten zijn afkomstig uit de permanente collectie van het Joods Museum en uit andere openbare en privéverzamelingen, zoals de collectie van rabbijn Pinkas-Kahlenberg en de prestigieuze verzameling van Gérard Silvain (oude ansichtkaarten).
Documenten belichten o.a. de rol van de ‘Société Israélite de Bienfaisance’ of de ‘ Société Israélite d’Inhumations’ en de werking van begrafenisondernemers en grafsteenleveranciers, in Brussel (o.a. in Etterbeek, Ukkel en Schaarbeek). Een reeks beschilderde houten panelen, uit Praag, brengen de verschillende werkzaamheden van het ‘Broederschap van de Laatste Verplichtingen’ ’ in beeld.
Op de eerste verdieping kan de bezoeker een virtuele reis maken, dankzij de opmerkelijke foto’s van de schrijver-kunstenaar André Chabot, die samen met Anne Fuard « La mémoire métropolitaine » in Parijs heeft opgericht. De fotocollectie bewijst ons dat de grafmonumenten wereldwijd verspreid zijn en in ongelofelijk veel verschillende stijlen werden gemaakt. Het ongewone en documentaire karakter van de getoonde grafmonumenten, extra benadrukt door de scenografie van Christian Israël, is wat dit betreft uniek in zijn soort. We zien graven van belangrijke begraafplaatsen, uit binnen- en buitenland, zoals Worms, Berlijn, Metz, Mexico, Praag, Sofia, Alexandrië, Havanna, Kopenhagen, Rome, Chicago, Split, Las Vegas en zelfs uit Japan!
Het leven na de dood wordt vanuit een specifiek standpunt belicht op de 2de verdieping. Men belicht er de werkzaamheden van ca. 150 jonge ASF-vrijwilligers van het ASF (Aktion Sühnezeichen Friedensdienste), die hebben meegewerkt aan het restauratieproject van het funerair erfgoed van Frankrijk, België en van het Groothertogdom Luxemburg. De vereniging werd precies 50 jaar geleden, in 1963, door Lothar Kreyssig opgericht. De eerste daad van de vereniging, in samenwerking met Léon Quittelier, was het bouwen van een tehuis voor kinderen in moeilijkheden, in Wasmuel, in Mons. De locatie was door de oorlog erg verwoest was en er heerste ook een grote, economische crisis. De vereniging ASF is later, onder de leiding van 2 wetenschappelijke verantwoordelijken van het Joods Museum, mee gaan helpen aan het behoud en de restauratie van 8 oude kerkhoven in Frankrijk (Vantoux, Boulay, la Ferté-sous-Jouarre en Bayonne), in Luxemburg (Clausen), in Créhange en in België (Aarlen). Deze oude Joodse kerkhoven dateren van de 17de tot de 19de eeuw. Vorige zomer hebben een 12tal vrijwilligers uit Duitsland, Oostenrijk, Belarus en Rusland een 350 tal waardevolle, Joodse grafsteles in Bayonne vrijgelegd en gerestaureerd. Zowel hun werking en als hun interviews zijn dank zij een documentaire en allerlei foto’s in het museum te volgen. 

Begraafplaatsen in de Benelux en het Brussels Gewest

In België zijn er weinig sporen van Joodse begraafplaatsen bewaard gebleven. In de provincies Brabant, Henegouwen en Luxemburg zijn er locaties met de naam ‘Jodenveld of –prairie’ of ‘Jodentuin  of –beemde ‘ bekend gebleven. Als voorbeelden worden Tienen en Aarlen, met de ‘ Judenvies’ aangehaald.
De oudste bewaard gebleven grafstenen uit onze streken zijn 2 grafsteles voor dames, nl deze van Dame Rebecca, uit de 13de eeuw, gevonden in Tienen en de stele voor Henriëtte Sasserath- Wolff, uit de 19de eeuw, bewaard in Namen. De stele van dame Rebecca werd gemaakt in 1256 en was eerst in de Hallepoort, en nadien in de KMKG tentoongesteld.
Er werden Joden begraven in specifieke locaties. Zo bestond er een Jodenruimte op het kerkhof van Sint-Michiels en Sint-Goedele. Zo is er een grafsteen bewaard en een graf met eikenhouten kist, uit de 18de eeuw, bekend gebleven.
Door de wet van keizer Jozef II, in juni 1784, werd de verdere werking van het archief en het voortbestaan van het kerkhof onmogelijk. Er heeft in de 18de eeuw een Jodenkerkhof bestaan, bij de Naamse Poort, bij de stadswal; de aanvraag om een terrein bij de stadswal en de Naamse Poort te mogen gebruiken werd ingediend in 1783, door de uit Berlijn afkomstige P Nathan Lipman, voor gezins- en familieleden. Het terrein werd bij de afbraak van de stadsmuren genivelleerd. Naar welk 2de kerkhof werden deze grafstenen overgebracht?
Door de wet van Jozef II werden de parochies verplicht om buiten de stadsmuren te begraven. Meerdere parochiekerken gebruikten eenzelfde domein. De parochies van Sint-Michiels en Sint-Goedele, Sint-Niklaas, Finistère en de Coudenberg beschikten over een domein bij ‘Prekelinden’, gelegen op gronden van de gemeenten Sint-Joost-ten-Node en Schaarbeek. Alle Joodse grafstenen werden weggeruimd.
Kerkarchieven zijn hiervoor interessant, omdat dergelijke dingen vermeld werden. Er werden ook rekeningen bijgehouden, die o.a. te maken hadden met transport. In de boeken werden dingen genoteerd in de rubrieken van de protestanten of de ‘gereformeerten’ of in de rubrieken ‘van Mozes ’ of ‘smaus’.
Het kerkhof aan de Dieweg in Ukkel was tot 1866 een grondeigendom van gravin Coghen. Het was het eerste resultaat van een hevige, politieke ruzie tussen katholieken en liberalen, de zogezegde kerkhovenstrijd, en werd door de gemeente Ukkel tijdens het beleid van Hubert De Fré aangelegd als een neutrale dodenakker, op een heuvelflank, tussen de Ukkel- en Geleytsbeek en drie maal vergroot. Het kerkhof is nu 3 ha groot. Bij de opening in 1867 ( of 1868?) was het slechts 1,71 ha groot. Het kerkhof geraakte in onbruik in 1945 en werd niet meer gebruikt vanaf 1958. Enkel familiekelders mochten nog aangevuld worden. Slechts 1 maal werd er nog iemand begraven, nl. Hergé, in 1983. Er werden ca. 39.000 personen begraven, waaronder vele Joden. De Fré was een goede vriend van opperrabbijn Eli Aristide Astruc en beide waren lid van de Loge. Er werd een akkoord gesloten waarbij de rechterbenedenhoek voor Joden gereserveerd werd en de Joden er ook hun begrafenisplechtigheid mochten houden. De gemeente Ukkel kende toen financiële problemen en zocht naar inkomsten, om het gemeentehuis te kunnen afwerken. Joden uit andere gemeenten moesten dubbel zo veel geld neertellen voor een eeuwigdurende grafkamer. De begraafplaats van Sint-Gillis was op dat ogenblik bijna verzadigd en werd vervolgens in 1877 gesloten. Opmerkelijk is dat vele concessies werden aangevraagd door leden van het Consistorium en vele graven bij elkaar liggen. Deze vormen als het ware 1 groot onderdeel. Dit gedeelte is het meest fascinerende deel van de begraafplaats. Er zijn vele graven te vinden aan de nrs. 92/95, 103/107 en 691/693. Drie leden van het Consistorium wensten, naar het voorbeeld van de buitenlandse, ondergrondse galerijen in Madrid en Brescia en het galerijencomplex van Laken, een gemeenschappelijke grafkelder te hebben. Zo is er op 4 m diepte een gezamenlijk gravencomplex ontstaan, in 1890. De ingang van het complex wordt bij nr 68 aangeduid door een stele met een Franse en een Hebreeuwse tekst, tegenover de cippus van de familie Nias. In het ondergrondse complex zijn 5 rijen nissen aangebracht. Het complex werd in 1901 en in 1917 nog eens vergroot. De eerste persoon die er begraven werd, in 1901, was het 8 maanden oude kind Arthuur van Praag. Er liggen vele kinderen begraven. Een zeer opmerkelijke grafsteen staat aan de dwarslaan en werd ontworpen door Victor Horta voor de zakenman Isaac Stern, met een prachtige S, die zich in zweepslagstijl over de tombe verder slingert. Het Joodse gedeelte neemt quasi 1/3 van de Ukkelse begraafplaats in. 
Andere Joodse begraafplaatsen in de Benelux zijn o.a. te vinden op de kerkhoven aan de Nieuwpoortsesteenweg en aan de Stuiversstraat te Oostende, het kerkhof van Sint-Servaas in Namen, in Aarlen, in Zutphen, Putte en Ouderkerke.
Op de tentoonstelling zijn er ook oude stèles uit Belgisch Lotharingen, uit Frankrijk ( Ile-de-France, Baskenland, Moezelstreek) en het Groothertogdom Luxemburg voor de allereerste keer te bekijken. En foto’s in verband met de inhuldiging van gedenkplaten en monumenten, zoals het Monument voor de Joodse Martelaren in Anderlecht, ontworpen door André Godard en ingehuldigd in 1970, en de gedenkplaat aan de Dossinkazerne van Mechelen.

Steller en foto : : Machteld de Schrijver