Nieuwsbrief Nr 74 - maart 2013

Hades en de onderwereldons lid Johan Moeys bezorgde volgend artikel.


Hades, de zoon van Kronos en Rhea, kreeg als zijn aandeel in de wereld de heerschappij over de onderwereld, die beneden de aarde lag. Hij was daarmee ook de god van de rijkdommen geworden, want alle edele metalen liggen diep verborgen in de schoot van de aarde. Hades was de god die de mensheid de meeste angst inboezemde. Nooit werd er over hem gesproken zonder dat de rillingen bij de mensen over de rug liepen. Iedereen bad vurig dat hij nooit het gezicht van Hades zou hoeven aanschouwen, want als Hades zich op aarde vertoonde, was dat altijd om een slachtoffer uit te zoeken dat hij kon meenemen naar zijn donkere rijk onder de aarde. Hij kwam ook wel eens naar boven om zich ervan te verzekeren dat nergens in de aarde een spleet was, waardoor mogelijk een zonnestraal zou kunnen doordringen om de duisternis in zijn rijk te verdrijven. Telkens als Hades een tocht op aarde ondernam, reed hij in een wagen die door vier pikzwarte paarden werd voortgetrokken. Als hij onderweg een hindernis tegenkwam die hem de doorgang belette, sloeg hij daarop met zijn tweetandige vork, het symbool van zijn macht, en ruimde daarmee het obstakel uit de weg. Tijdens één van deze tochten schaakte hij Persephone, de mooie godin van de plantengroei en de dochter van Demeter, en nam haar mee naar de onderwereld, waar hij haar tot zijn echtgenote maakte;
Hades werd steeds voorgesteld als een ernstige, donkere man met een baard en opeengedrukte lippen. Hij had een kroon op zijn hoofd, een scepter in de ene hand en een sleutel in de andere. Die sleutel gaf aan dat hij altijd bijzonder scherp over zijn onderdanen waakte en dat ze geen hoop hadden ooit nog uit de onderwereld te ontsnappen. Er waren aan hem geen tempels gewijd en er zijn maar zeer weinig standbeelden van hem gemaakt. Op zijn altaren werden soms menselijke offers gebracht en op de feesten die ter ere van hem gevierd werden, de Eeuwfeesten, werden alleen zwarte dieren geofferd.
De toegang tot de onderwereld, ook wel Hades genoemd, was buitengewoon moeilijk. Een gewoon sterveling kon er nauwelijks binnenkomen. Volgens overleveringen van de Romeinen kon men de onderwereld alleen binnentreden bij het meer Avernus, maar de Grieken beweerden dat er nog een andere toegang was bij Kaap Taenarum. Zowel de Grieken als de Romeinen waren het er echter over eens dat het zo goed als onmogelijk was er binnen te gaan en net zo onmogelijk er weer uit te komen, zodat alleen mensen met zeer grote moed een poging zouden wagen.
Om alle stervelingen de toegang te verhinderen en de schimmen elke kans op ontsnapping te ontnemen, had Hades een monsterachtige hond met drie koppen aan de ingang geplaatst. Die hond heette Kerberos en hield altijd nauwlettend de wacht.
Vanaf die ingang leidde een onderaardse gang, waar voortdurend schimmen heen en weer zweefden, naar de troonzaal waar de donker geklede Hades en Persephone op hun troon zaten. Vanaf de voet van hun troon stroomden de rivieren die door de onderwereld liepen. De ene rivier, de Cocytus, was een rivier van zout water dat afkomstig was van de tranen van misdadigers, die onophoudelijk huilden om de zware arbeid die ze als straf in de onderwereld moesten verrichten. Deze misdadigers bevonden zich in de Tartaros, het gedeelte waar de schimmen aan straffen werden blootgesteld.
Om dat afschuwelijke gedeelte af te schermen van de rest van zijn rijk had hades het omringd met de Phlegethon, een rivier van vuur. De Acheron of de Styx was de zwarte, diepe stroom die alle schimmen moesten oversteken om bij de troon van Hades te komen, waar ze te horen zouden krijgen welke beslissing hij over hen genomen had. De stroming van de rivier was zo sterk dat niemand de rivier zwemmend zou kunnen oversteken, en er bestond ook geen brug naar de andere zijde. De enige manier om de overkant te bereiken was een overtocht met de boot van Charon, de oude veerman. Hoewel zijn boot lek en verrot was, moest elke schim betalen voor de overtocht. Een klein muntstuk, een obool, was voldoende. De mensen in de Oudheid zorgden er dan ook voor dat een overledene in zijn graf een muntstuk onder de tong meekreeg, zodat hij zonder oponthoud zijn tocht naar Hades zou kunnen maken. Telkens als Charon met zijn lekke bootje bij de oever kwam, dromden de aanwezige schimmen zich om hem heen om een plaatsje te bemachtigen, maar de wrede veerman duwde hen ruw terug en zocht op zijn gemak degene uit die hij eerst naar de overkant zou brengen.
Alle schimmen die de verplichte obool niet bij zich hadden, moesten honderd jaar wachten, waarna Charon hen eindelijk, zei het met tegenzin, de Styx overzette. Bij deze Styx zwoeren goden overigens hun onherroepelijke eden.
In de onderwereld stroomde ook nog de gezegende rivier de Lethe. In dat water mochten alleen de deugdzame schimmen komen, want het water van de Lethe zorgde ervoor dat de schim alle onaangename dingen uit zijn leven vergat. Hierdoor werd de schim gereedgemaakt voor de staat van eindeloze gelukzaligheid in het Elysium.
Naast de troon van Hades zetelden nog drie rechters, Minos, Rhadamanthys en Aiakos, die tot taak hadden alle nieuw aangekomen schimmen te ondervragen. Daarmee scheidden ze de goede gedachten van de slechte, die ze vervolgens op de weegschaal van Themis legden, de geblinddoekte en onpartijdige godin van het recht. Zij hield een scherp zwaard in haar hand, dat aangaf dat haar besluiten meedogenloos zouden worden uitgevoerd. Als het goede de overhand had boven het kwade, werd de schim naar het Elysium gebracht, maar als daarentegen het kwaad overwegend was, kwam de schim terecht in de Tartaros, waar hij voor eeuwig zou lijden.
De schuldige schimmen werden altijd toevertrouwd aan de erinyen (furiën), die in plaats van haren slangen op hun hoofden droegen en die met hun pijnlijke gesels de schimmen naar de poorten van de Tartaros joegen. Deze erinyen heetten Alekto, Teisiphone en Megaira en waren samen met Nemesis, de godin van de wraak, bekend om hun hardvochtigheid en de onbarmhartige manier waarop ze de schimmen voortjoegen naar hun toekomstige verblijfplaats vol martelingen.
 
Bron: “Grieks en Romeinse Mythen en Sagen” – uitgeverij Verba, 2005