Nieuwsbrief Nr. 73 - januari 2013

Kroniek van een steenhard ambachtdrie generaties Potier


Hoe kan men niet alleen de technische finesses maar ook de liefde voor het vak beter doorgeven dan van vader op zoon? Zeker in een stiel als steenkapper gebeurde dit meer dan eens:  illustere voorbeelden  zijn Antoine en Emile Beernaert uit Brussel (1), Paternotte uit Gent, Charles Emile Janlet (2), of Potier in Blankenberge. Niet dat dat de gemakkelijkste weg was: het waren lange dagen voor de leerling-zoon: uren aan een stuk moest een  ruw blok langs alle kanten vlak gekapt worden; wanneer het puntijzer niet op de typische manier werd vastgehouden, volgde steevast een flinke tik op de hand, en als de arm niet in de gewenste hoek werd gehouden, kreeg zoonlief een handborstel onder het oksel geduwd – en in het uiterste geval werd het éénpotig krukje gewoon van onder de jonge bibs weggetrapt! Zo verging het Jean-Pierre en wellicht zijn vader Raymond evenzo.
 
Grootvader Noë Potier werd geboren in Sprimont (waar nu nog een Rue Potier is) in 1883. Hij bracht het in de plaatselijke steengroeve tot meestergast en werd in die functie naar Oostende gestuurd om zijn steen bij te dragen aan de bouw van de Sint Petrus en Pauluskerk. Hij maakte er kennis met Elisabeth Lefevere en trouwde met haar in 1907. Een jaar later wordt hun zoon Raymond geboren. Het gezin komt zich in Blankenberge vestigen (3) en start een bedrijf in mei 1909. Het was wel degelijk een zaak van hun beiden: ook zijn vrouw was soms tot ’s nachts bezig met polijsten: van ‘gotland’ en puimsteen tot en met de laatste bewerking met polijstpoeder en vodden. Het fysisch zware werk was voor haar man: eerst voerde hij de steen aan vanuit het goederenstation met paard en kar. Na het zagen van de platen (waarbij voor witte zandsteen een 2-mans handzaag werd gebruikt!) kon het eigenlijke kapwerk beginnen: er werd gebikt (fijn of grof), gebouchardeerd (fijn of grof), geribd of geciseleerd, getandbeiteld, gefrijnd (ouderwetse frijnslag),  gegradineerd, gepunt enz. Voorbeelden kwamen ofwel uit modelboeken, ofwel uit eigen inspiratie.
Nadat dus vrouwenhanden voor de ‘finishing touch’ hadden gezorgd, moesten de afgewerkte producten nog eigenhandig aan de man worden gebracht: meermaals werden schouwen te voet tot in Oostende gebracht, met behulp van … een hondenkar. Door dat hard werken kon het atelier dat ze in 1914 gebouwd hadden op een stuk grond gekocht van de N.M.B.S., na tien jaar  flink uitbreiden. De zaak floreerde en twee jaar later kochten  zij een stuk bouwgrond langs de Brugse Steenweg. Op dat perceel bouwde zoon Raymond, die in 1937 huwde met Maria Seghers, zijn huis. Datzelfde jaar nam hij de ouderlijke zaak over.
De blauwe hardsteen werd betrokken uit de groeven van Ecaussines of Soignies. Het materiaal kwam toe in grote platen van 3,5 m x 1,5 m met een dikte van 10 cm. Om breuken tijdens het vervoer te voorkomen werden de lagen van elkaar gescheiden door plaaster met daartussen houtblokken, die precies boven elkaar moesten gestapeld worden. Het lossen van zo’n vrachtwagen van 20 ton gebeurde manueel, met de hulp van een volledige ploeg werkmannen van Hoenraet (Zuidlaan) of Lauwereyns (Scarpoutdreef). Na de zware arbeid (en de blauwe vingers) werd zweet en stof weggespoeld bij Stella in de Couronne. Het materiaal werd dan gekeurd op eventuele gebreken zoals zwarte aders en witte vlekken groter dan een 5 Fr-stuk. Voor het oog onzichtbare barsten kwam men op het spoor door er water over te gieten en vervolgens af te trekken: de barsten bleven langer nat. Marmer kwam niet horizontaal maar vertikaal toe. De Belgische marmers vertoonden soms aders, die vakkundig werden opgevuld. De verhouding tussen steenkappers en marmerbewerkers was misschien te vergelijken met deze tussen schrijn-werkers en meubelmakers of ‘ebenisten’.
 
Tijdens WOII werden de gronden en de gebouwen –die immers dicht bij het station lagen – door de Duitsers bezet. (Achteraan in het atelier zouden nog resten van een bunker zitten).Het gezin Potier-Seghers ging dan maar in de Van Mullemstraat wonen. 
Rond de jaren ’50-’60 werd een verregaande mechanisatie doorgevoerd: met de loopbrug kon een volle vrachtwagen nu veilig gelost worden in een half uur! Met de nieuwe machines kon ook graniet bewerkt worden. Het was een materiaal dat door de burgerij verkozen werd omdat de dekplaten door hun gladheid minder snel vervuild leken, maar het bleef uiterst moeilijk te bewerken. Zo kreeg Raymond van de familie Dalle (firma Verdal) een splinternieuw uurwerk als appreciatie voor zijn vakkennis bij het plaatsen van het uit Catiati (It.) ingevoerde bronzen beeld: het staat er nog steeds. Het slijpen en temperen van de beitels echter bleef nog lange tijd handenarbeid; soms werd het uitbesteed aan de firma Sarlet (Akkerstraat). Ook het om de drie maanden reinigen van de kalkputten waar het met water vermengde slijpafval in terecht kwam, bleef lange tijd een zwaar en smerig karwei. Het slijpafval werd geleverd aan de boeren in de omgeving om hun kleivelden lichter te maken. Het vervoer van de afgewerkte grafzerken buiten Blankenberge gebeurde toen met de bierwagens van Foulon.
Tekstvak: Het grootste deel van het steenkappers-ambacht speelde zich af in de  ruimte van het atelier. In 1973 werd het handelsfonds overgedragen aan de jongste telg, Jean-Pierre. Ter gelegenheid van de Open Monumentendag met als thema ‘Steen’ hebben we  zijn demonstratie  kunnen bijwonen  van allerlei manuele en mechanische technieken: het was voor velen een ware openbaring.
Maar ook hij heeft ondertussen de hamer ter zijde gelegd: de opkomst van de eenvormige urnesteentjes, de invoer van kant-en-klare grafstenen uit lage-loonlanden als Vietnam, alsmaar strengere milieunormen en het feit dat begrafenisondernemers nu zelf stenen konden leveren, hebben het vak doen verschrompelen, soms tot een ‘hof van commerce’…
Gelukkig laat dit vakmanschap, gedurende generaties lang opgebouwd,  nog talrijke sporen na. Niet alleen op de begraafplaats, maar ook in dorpels, schouwen, ornamenten en muurplaten; in Blankenberge, en nog ver daarbuiten!
 
Tekst en foto's : Cis Kennes
 
(1) MARCEL M. CELIS, JORIS SNAET  en LODE DE CLERCQ: Antoine en Emile Beernaert, steenhouwers. In Monumenten & Landschappen 22/4, augustus 2003, p. 28-53.
(2) VALERIE BILLIET: onuitgegeven masterthesis.
(3) In 1911 woonden ze in de ‘Rue du Gaz’, 60.
Zie ook: CIS KENNES : De Begraafplaatsen van Blankenberge. Uitg. Vriendenkring Stadsgidsen Blankenberge. 2009, 100 blz.,  p.69-71.