Nieuwsbrief Nr. 71 - september 2012

Ik doop mijn pen in de inkt en maak nog tijd voor een “dreupelke”ons An Hernalsteen gaf weer het beste van zichzelf op de Westerbegraafplaats.


Zondagmorgen de zon was aanwezig en daarbij nog zo’n 40 geïnteresseerden in de rondleiding rond rijmelaars en schrijvers op de Westerbegraafplaats van ons aller An Hernalsteen. Na de obligate rondgang met de intussen beruchte Tupperwarepot om, dixit An om monumenten op “haren hof” te kunnen restaureren én tegelijkertijd een “dreupelke” te drinken op deze verwezenlijking. Pech voor de zondagbezoekers want het “dreupelke” was voorzien voor de maandagbezoekers. An startte traditioneel haar inleiding met de woorden “De habitués hebben nog ruimschoots de tijd om een koffietje te gaan drinken”. Woorden die in de wind geslagen werden want iedereen wil An haar inleiding aanhoren zeker het gedeelte waarop zij het heeft over haar “goede vriend” bisschop Bracq. Voor degenen die de bisschop niet kenden wist An te vertellen: “In Sint Baafs is dit het schilderij met daarop de meest venijnige tronie van alle bisschoppen”. Om de zondagmensen nog wat meer in het harnas te jagen begon An met het grafmonument voor Jules De Jonge, gerestaureerd door “Loods 13” dankzij de giften van de Gentse Feestenbezoekers. Maar zoals gezegd zonder jenever. 
Vandaar ging het naar Philippe Cauderlier. Ook hier weer pech want het graf is geruimd. Philippe Cauderlier was Antwerpenaar en kok. In 1842 trekt hij naar Gent en begint daar als pasteibakker. Nadien begint hij een traiteurszaak in de Veldstraat. In 1858 stopt hij met culinaire activiteiten en schrijft hij zes kookboeken. “Het Spaarzame Keukenboek” is zo wat het bekendste. Napoleon Destanberg evolueert van liberaal naar socialist omdat hij zich het lot van de arbeiders aantrekt. Dat bleek uit het gedicht “De jongens van Gent” waar An enkele strofen uit voordroeg. An vertelde hier het, door de anciens, gekende verhaal van de weduwe van Petrus Rotthier. Zij vroeg aan Napoleon om een grafschrift te maken en de dame zegde hem dat ze over weinig centen beschikte. Destanberg zegde dat hij dit gratis deed voor hulpbehoevenden. De weduwe repliceerde “Weet je wel hoeveel het kappen van één letter kost?” Waarop Destanberg  “Pier rot hier” maakte. 
Edward Anseele was politicus maar ook schrijver van “Voor ’t volk geofferd”, een levensschets van Emile Moyson die, dixit An, “in Robertmont (Luik) begraven werd met een tekst in het Nederlands met een Vlaamse Leeuw er op. Recent opgekuist door onze Waalse vrienden”. Adolf Herckenrath schreef gedichten daartoe aangemoedigd door Karel Van de Woestijne. Hij schreef ook in het tijdschrift “Van nu en straks”. 
Cyrille Buysse, neef van de naast hem liggende Virginie Loveling en bekend van “Het gezin van Paemel” schreef ook “’n Leeuw van Vlaanderen”. La Hernalsteen kon het natuurlijk niet laten om te zeggen dat deze beter was dan die van Antwerpen Hendrik Conscience. In “’n Leeuw van Vlaanderen” komt ene Jan Kappuyns voor die tijdens een meeting riep dat de werkman voor alles biefstukken wilde. De figuur van Kappuyns is duidelijk gemodelleerd op Edward Anseele. An deed hier een beroep op een tweetalige dichter, Michel, die enkele citaten van “Biefstuksocialist” uit dit werk voordroeg gedeeltelijk in het Gents en gedeeltelijk in het beschaafd Nederlands. De man kreeg terecht applaus. Jan Frans Heremans, alweer een Antwerpenaar, lag aan de basis van de genootschap “’t zal wel gaan”. Hij was de biograaf van Karel Lodewijk Ledeganck en schreef enkele boeken in het Gentse dialect waaronder “De wandelende nachtwoikere”. Volgens onze gids een voorbeeld van integratie: een Antwerpenaar die in het Gents schreef! 
Een stuk verder lag Marc Bartsoen verscholen achter de bomen. Deze advocaat was ook de auteur van een oorlogsdagboek omdat zijn huis opgeëist werd door de Duitsers en hij weigerde dit te verlaten. Bartsoen wenste bij – zijn - volk te blijven. Kolenhandelaar Karel Delmotte schreef tussen twee bestellingen door. An las hier een “proeve”, een soortement gedicht, voor van de man waarbij zij zich afvroeg “Ik weet begot niet waarover hij het heeft!” Lodewijk De Vriese was antiklerikaal en hij besprak onder andere het werk van Napoleon Destanberg en maakte ook een biografie van Karel Waeri. 
In een van zijn gedichten uit de bundel “Verzameling der volledige kluchtige en politieke liederen” uit 1899 zette Waeri zich af tegen de Franstalige opschriften van Gentse cafés. An droeg dit voor en ik wil jullie dit niet onthouden:
Hoeveel soort van fransche cafés
Dat men hier in Vlaand'ren ziet,
Dat en kan ik u niet zeggen,
Hoeveel duiz'den weet ik niet;
Zooals ik schat, hier in de stad,
Aan 't zien van d'uithangborden.
Café francais, café des Arts,
Café Royal, café Renard,
Café d'Paris, café de Rome,
Café de Lille, caf'é Vendôme,
Café Parci, café Parla
Café Kaka, etcetera.
Grand café de la potence,
Grand café de l'Univers,
Au jardin de la plaisance,
Grand café des gueux de mer,
Café du port, café du nord,
Café de la concorde,
Café Ducal, café Lambert,
Café chantant, café Concert,
Au Robinet, au Liverpoel
Au Béranger, en heel den boel,
Café van hier, café van daar,
Meest allegaar in 't fransch met haar.
Grand café du Comte de Flandre,
Grand café Duc de Brabant,
Grand café bij roste Sandre,
Café Suisse, café St-Jean,
Au Lévrier, au Damier,
Café de la fortune,
Café St-Pierre, café St-Paul,
Au grand café de Leopold,
Café Sultan, café Jambon,
Au grand Salon Napoleon,
’t Is al café partout, partout,
Met fransche blague et puis v’la tout.
Ge zult mij misschien nu vragen,
Waar dat liedje wil naartoe,
Wel, 't en dient maar om te plagen.
Al die apen van chez-nous;
Die zien met 't fransch alleen de kans
Om hun fortuin te maken,
Precies als of het was een schand
Te zetten vlaamsch in 't Vaderland,
Of in de Kluis, bij Pier de luis,
't Jenuiver-, bier- of kaf huis,
Of in de Fluit, bij Jan Schavuit;
Maar in het fransch, 't komt schooner uit.
Even dachten we dat An af zou wijken van haar traditie om de deelnemers te laten zingen maar neen hoor: Hernalsteen vond het hier gepast om voor alle vergeten schrijvelaars en dichters een ode te laten brengen door haar toehoorders. Het werd “De vlieger” van Walter De Buck. Het was voor het eerst dat ik het volledige liedje hoorde (en probeerde mee te zingen) en ik die altijd dacht dat het een kinderliedje betrof was verrast toen het een heel dubbelzinnige tekst betrof die geheel anders geïnterpreteerd kan worden. Wat verder stonden we stil bij de laatste rustplaats voor Virginie De Hoon, de weduwe van Karel Lodewijk Ledeganck. Virginie schreef kinderboeken. Hier hield An een pleidooi om het graf van de dichter van ‘de drie zustersteden’ over te brengen naar de Westerbegraafplaats. Daarnaast het graf van, dixit An, een ‘menage à trois’: Adèle Fobe, bevriend met Virginie Loveling, was gehuwd met Victor Schatteman. Bij diens overlijden droeg Virginie hier een gedicht voor. Twee maanden na zijn dood huwde Adèle Fobe met August De Deurwaarder. Adèle, die kinderloos bleef, schonk een deel van haar fortuin aan Virginie Loveling. 
Anna De Weert – Cogen was de kleindochter van Karel Lodewijk Ledeganck. Zij was journaliste bij “La Flandre Liberale” en schreef essays. Daan Boels werd pacifist na Wereldoorlog I. Hij schreef een gedicht “Aanvaarding”. 
Raymond De Cremer ligt onder een eenvoudig graf. Hij schreef onder de pseudoniemen Jean Ray en John Flanders. “Malpertuis” is een van zijn bekendste werken. Eindigen deed An haar felgesmaakte rondleiding bij Herman Thièry. Als Johan Daisne was hij de man van de verplichte schoollectuur: “De trein der traagheid”, “De trap van steen en wolken” en van “De man die zijn haar liet knippen”. Waarschijnlijk is het graf leeg want Johan Daisne werd gecremeerd en zijn as werd uitgestrooid. Een welverdiend applaus was er voor onze An Hernalsteen. Tijd voor een drankje en spijtig voor de zondagbezoekers want zij dienden zelf voor hun verfrissing te zorgen.
Maandagmorgen was ondergetekende terug op post en, men noemt me niet voor niets het “Duracellkonijn”, had zijn zondagverslag al kant en klaar. Meer dan 60 geïnteresseerden kwamen op de rondleiding van An af, of was het voor het ‘dreupelke’? Onder hen ook de heer Rudy D’Hooghe beheerder van de Gentse begraafplaatsen. An wist niet dat het verslag al af was en An zou An niet zijn wanneer ze trachtte om ondergetekende een fameuze loer te draaien want ze vertelde aan de aanwezige Grafzerkjes “Ik zal hem nogal eens liggen hebben want ik ga langs een aantal andere graven dan gisteren.” Vandaar deze maandagaanvulling op het voorgaande verslag.
Lodewijk Lievevrouw was lid van het Ledeganckgenootschap en oprichter van een toneelschool. Meest bekend is hij omwille van een Gents woordenboek. Zijn echtgenote Maria Coopman is bekend om haar pedagogische werken en stichtende boekjes voor dames. Karel Vervier was beschermer van Karel Lodewijk Ledeganck en orangist dus pro koning Willem I. Vervier was voorzitter van de vrijmetselaarsloge “les vrais amis”. In een “jubelkrant” uit 1841 uit hij een lofzang over prins Frederick van Nederland. Later schrijft hij nog een niet mis te verstaan gedicht “Verbroedering”. 
Bij Lodewijk De Vriese zette An mij eens te meer op het verkeerde been. Waar ze gisteren een gedicht over cafés voordroeg constateerde ze “Vandaag zijn er meer volwassenen in het gezelschap dus mag het iets gortiger zijn” en ze droeg allereerst “De biecht” voor van een meisje dat “iets uitspookte en bij de pastoor te biechten gaat”:
De Biecht:
Hij speelde met mijn klein porte-monnaitje
En ik, och pastuur, wacht een beetje
En ik, och God, wat gruute schand
Zat met zijn drinkgeld in mijn hand.
An ging op haar elan voort met “De scheten”:
De Scheten:
Een scheetje laten es gezond
En vliegt er eentje uit uw kont
Ge moet daar niet in weten
Mijn wijf die heeft wel overlest
Terwijl ik lag in mijne nest
Op mijne knieën gescheten.
Nadien was het de beurt aan het 60-koppige gezelschap om “De vlieger” en gehore te brengen.
Sophie Frederick was een halfzus van Virginie Loveling en zij had een enorme invloed op Frans Masereel. Hier hield An een pleidooi om ook Frans Masereel over te brengen van Campo Santo naar de Westerbegraafplaats. Als we ze laten doen is er straks leegstand op het Campo Santo!   
Deze rondleiding werd besloten aan het graf van Jules De Jonge waar An toonde hoe het er ooit uitzag en welk het resultaat was naar de restauratie van de mensen van “Loods 13”. Er werden enkele “dreupelkens” gedronken op de gezondheid van de restaurateurs. An betrok terecht ‘haar mannen’ (en vrouwen) van de Westerbegraafplaats, de mensen die zorgen voor deze prachtige dodenakker, in de hulde. Een daverend applaus voor ‘haar mannen’ en ook voor “ons” An barste los. Het werd nog een “beestige boel”!
Jacques Buermans
Foto’s: An Hernalsteen, Ria Vaes, Rina Reniers en Jacques Buermans