Nieuwsbrief Nr. 70 - juli 2012

Unsere mannschaft verovert Eupenuitgebreid verslag van An Hernalstein, sorry: Hernalsteen.


Slechts 8 dapperen staan er op mijn lijst, maar hoera, 4 extra onverschrokkenen hebben de tocht naar het verre Eupen ondernomen. De uiteindelijk 11 aanwezige Zerkjes vechten een ongenadige veldslag uit om dit verslag te mogen schrijven. Vergeet het mannekes, als er ene is die dit relaas in elkaar knutselt, ben ik het.
De heer Keuntgens, die het Nederlands even vlot over zijn tong laat rollen als “seine Muttersprache” weet niet goed wat aangevangen met onze kleurrijke voetbalploeg. We zorgen namelijk voor een primeur: we zijn de eerste niet-Eupense groep die de begraafplaats bezoekt.
Wat vertel je in godsnaam aan zo’n bont Vlaams allegaartje onwetenden dat nul komma nul gegevens kan spuien over de Eupense geschiedenis, belangrijkste families, buitenbeentjes en dergelijke meer.
Wat direct opvalt: dit is één van de best onderhouden begraafplaatsen die we ooit in België bezocht hebben, je waant je in Duitsland waar de doden blijven deel uitmaken van de wereld van de levenden. Ander frappant fenomeen: weinig porseleinfoto’s – wat in het hoofd, geheugen en hart zit, heeft geen behoefte aan een afbeelding op het graf. Een ander markant feit: er wordt gerecycleerd aan de lopende band, die graven zijn direct te herkennen doordat ze als ware ballerina’s  een halve pirouette uitgevoerd hebben, wat ons dubbel zoveel werk en dito plezier geeft want zowel voor- als achterkant moeten geïnspecteerd worden.
Tot 1784 werd men in hartje Eupen, rond de St-Niklaaskerk begraven. Toen was het uit met de pret want onze teerbeminde keizerkoster gooide roet in het eten. Voortaan vond een inwoner van Eupen de eeuwige rust achter het oude Kapucijnenklooster. Nadat Napoleon van zijn keizerlijke troon gezwierd was, besliste het Congres van Wenen dat dit Duitssprekend lapje grond deel zou uitmaken van Pruisen. Wat de aanleg van begraafplaatsen betreft, hielden de Pruisen van regelmaat en orde: een geometrische aanleg met een brede hoofdas en centraal een calvarie.
De stad kocht in 1818 het Kappersveld en volgens de geldende richtlijnen kwam een nieuwe begraafplaats tot stand met duidelijk afgebakende perken voor katholieken, protestanten en neutralen met een obscure geloofsovertuiging.
In 1875 vereerde Elise Hillman, een Engelse dame, de Eupense tak van de familie met een bezoek. Ze vond het geen zicht, een begraafplaats zonder ommuring. Ze tastte in haar goedgevulde geldbeurs en betaalde prompt de bakstenen muur.
Nu we min of meer historisch bevlogen zijn, kunnen we van start gaan.
 
Familie Zimmermann: dit was ooit een kast van een monument maar de tand des tijds rommelde het zootje door elkaar. Eerst leunt het kruis tegen Elise’s muur en 20 stappen verder vinden we de witmarmeren grafplaat terug.
We bereiken de grote allee, links liggen de aanhangers van Luther en Calvijn, rechts kijken ze allemaal naar Rome. In beide gevallen hebben de rijke notabelen een plaatsje gereserveerd aan de boulevard die naar de calvarie leidt, zoals de gefortuneerde familie von Asten. 
 
Peter Becker (1812-1900) was tussen 1850 en 1881 burgemeester, hij hield zich vooral bezig met de verfraaiing van de stad.
 
Amand von Harenne (1813-1866) smeet zich als burgemeester (1846-1849) en lid van de Eupense landsraad (1849-1866) in de politiek.
Hugo Zimmermann (1862-1964) werd na de inlijving bij België door de regering in 1928 aan de Eupense bevolking opgedrongen als burgemeester. Onder zijn bestuur werd de stuwdam op de Weser gerealiseerd. Hij deed het blijkbaar goed als burgemeester want hij mocht het ambt tot 1964 uitoefenen.
 
Familie Reiner Visé-Bourseaux: Philippe, onze wandelende encyclopedie, die gans België kent, maait het gras voor de voeten van onze gids, vakkundig weg: “ Deze neogotische pinakel hoort toe aan die van de kabelfabriek” (kabelfabriek? Is er begot een kabelfabriek in Eupen?)
 
De families Hermanns-Werker en Franken kozen eveneens voor de stijl van Jantje Gotiek.
Willy Hermanns rust in het herbruikte graf (1822) van Jakob Debey.
 
Willy Hüffer was een sociaalvoelend textielfabrikant.
 
Na het gezigzag over en weer bereiken we de centrale calvarie, een realisatie van Wilhelm Pohl uit Aken. Na de inhuldiging op 17 augustus 1881 schaarden de priesters zich rond het monument.
Familie Simar rust onder iets unieks. Voor de geologen en stenenfanaten onder ons: dit ding werd in elkaar gepuzzeld met leisteen uit Recht. Ook hier opnieuw recyclage want de ons aller bekende, zuivere H. Agnes met haar lammetje troont op de achterzijde.
 
Textiel en de productie van fijn stof gaan hand in hand, je krijgt er een droge keel van. De familie Delhougne voorzag al die textielbaronnen van bier.
Met een stormram doorbreken we Elise haar muur en bereiken we de uitbreiding.
Hier bewonderen we onder andere het monumentje voor de Nazi-slachtoffers en het ereplein voor 190 gesneuvelden van de beide wereldoorlogen. Die van ’t Stad onder ons zijn in hun nopjes want de beeldengroep (1931) is van de hand van Antwerpenaar Raoul Lambeau. Je vindt ze toch overal die Scheldezonen.
Ramon Schröder (1982-2005) kreeg een modern ontwerp met titel en met “le mur des sourires” vol persoonlijke symboliek.
De familie Berger leverde de zigeunerkoning.
Door de door ons geslagen bres wandelen we opnieuw de oude begraafplaats op.
Gertrud Palm van het Eupener Sammelhäuschen overleed 87 jaar jong. Als katholieke filantrope verzamelde ze alles wat ze verzamelen kon: geld, sokken, sigaretten, alles voor de armen en de frontsoldaten.
 
August Bourseaux, weer enen van de kabelfabriek volgens Philippe. Ontwerp deze keer is van de Eupenaar Eg. Laschet.
 
Familie Ernst met een ontwerp uit 1982 van Peter Hodiamont. De Eupense binnenstad staat vol met konterfeitsels van zijn hand.

Josef Cormann: sober, mooi, modern.
Max Nicolaï, een textielmagnaat rust onder een driehoekig graf, volgens de heer Keuntgens staat er op het tekstpaneel een fout die ze gaan moeten verbeteren.
 
De sociale appartementen kregen eveneens een gerecupereerd beeld om hun uitzicht te verfraaien.
 
Wat ooit toebehoorde aan een mevrouw Dehain uit het Franse Sedan, werd geërfd door de Franciscanessen en is nu ingericht als een Zen-tuintje voor ongeboren kinderen. 
 
De familie Grand Ry rust in twee aan elkaar palende percelen, wie het groot heeft, laat het groot hangen.
 
Carl Bourseaux (028), juist ja, één van de kabelmeneertjes herbruikte ook een oud graf.
 
Robert Wetzlar (029) (1847-1912), een textielbaron van joodse afkomst, stichtte een vakschool en installeerde voor de algemene hygiëne een openluchtzwembad nabij de Weser. In WO II werd het Wetzlarbad door de bezetter opnieuw boven de doopvont gehouden en kreeg het een nieuwe naam: het Waldbad.
De familie Leinen: apothekers van vader op dochter.
 
Bij de familie Peters krabben we efkes met de handen in het haar: wat doet een Nederlandstalig beeldje van een leerlooier op het graf van een textielfabrikant?
 
We eindigen bij één van de oudste monumenten van 1820, eigenaar was en is Abraham Römer (1763-1820).
Met een deel van “die Mannschaft” gaan we na afloop de lokale Italiaan gaan testen. We moeten er uitgemergeld uitgezien hebben want met de porties kon men regimenten voetbalploegen voeden. Nog later gaan we met Philippe op zoek naar de werkplaats van de familie Bourseaux want in Eupen de eeuwige toerist uithangen en die kabelfabriek niet gezien hebben, dat zou pas zonde zijn.
 

Tekst : An Hernalsteen
Foto : Dirk Joos