Nieuwsbrief Nr. 55 - mei 2010

Schotland: meer te beleven dan whisky en doedelzakkenmet de Terebinth naar funerair Schotland.


Schotlandreis ingericht door onze leden Jeannette Goudsmit en Rindert Brouwer onder de auspiciën van de Terebinth. Drie Vlamingen (Lin, Johan en mezelf) en scheepten samen met 37 Nederlanders in voor een trip naar Schotland. Na een woelige overtocht en een busrit over Engelse bodem bereikten we ons doel: Schotland. Eerste stop Jedburgh Abbey, een van de vier “border abbeys” die allen vernield werden tijdens de Engels - Schotse oorlogen.

Dichter bij Edinburgh bezochten we Rosslyn Chapel. Dat het “optreden” van de kapel in Dan Brown’s “Da Vinci Code” geen windeieren gelegd heeft bleek uit het gegeven dat het bezoekersaantal van 30.000 naar 130.000 gestegen was. Vandaar naar Edinburgh. Dag drie met als opwarmertje Saint Giles cathedral. Even verder kregen we info over Bobby, het hondje dat 14 jaar lang wachtte bij het graf van John Gray, zijn baasje. Wanneer het hondje stierf  kreeg het een graf identiek aan dit van zijn meester te vinden vlakbij de ingang van Greyfriars kirkyard.
In onze Nieuwsbrieven 53 en 54 ging An Hernalsteen dieper in op deze begraafplaats zo dat ik me wil beperken tot de toppers van deze dodenakker: de “danse macabre” op het graf van James Borthwick; monument voor de martelaren (Convenanters); veel symboliek op het graf Knight; de vader van Walter Scott, schrijver van Ivanhoe; de kariatiden - zonder neus – op het graf Chieslie; het prachtige mausoleum voor rechter McKenzie, bijgenaamd “the hanging Judge”; een baldakijn met acht zuilen voor Lord Provost William Little; het mausoleum Adam, de architectenfamilie en ook speciaal de “mortsafes”, kooiconstructies om graven te beschermen tegen lijkenpikkers.
Op het gedeelte dat, tussen 1669 en 1705, als gevangenis werd gebezigd ligt Hugh Cunningham. Nadien trokken we langs de Grassmarket, echt gezellig. Hier stond, iets minder gezellig, destijds de galg en in de nabijheid bevindt zich ook een pub “The Last Drop”, verwijzend naar de laatste ophanging die hier in 1784 plaats vond maar ook genoemd naar de laatste druppel van een glas. Via een steile klim bereikten we het kasteel met een begraafplaatsje voor de honden van de militairen.
Na een deugddoende middagpauze was het tijd voor Canongate kirkyard. De bekendste dode is Adam Smith, vader van de moderne economie. Het meest bebloemde is dit voor dichter Robert Ferguson. Zijn vriend, dichter Robert Burns, was zo boos om het ontbreken van een grafteken dat hij op zijn kosten een stèle liet plaatsen met een met een, venijnig, gedicht van zijn hand. Het graf werd dan nog eens gerestaureerd door een derde dichter: Robert Stevenson, de schrijver van Schatteneiland. Mooie symboliek op het graf van Agnes Mound en een “mooi” verhaal bij David Rizzio, “schone jongen” en musicus in dienst van Mary Queen of Scots en voor haar eigen ogen vermoord door haar jaloerse echtgenoot. Het lichaam werd dan nog eens uit Holyrood, de abdij waar hij begraven werd, verwijderd en naar hier verplaatst.
Na een bezoek aan de Koninklijke vertrekken van paleis Holyrood bleef er nog tijd voor een bezoek aan de gelijknamige abdij. Op dag vier bezochten we het koninkrijk Five, een van de Schotse regio’s. Dunfermline was onze eerste stop. 
In de abdijkerk lag Robert the Bruce, voor Schotland een nationale bevrijder, met enkele van zijn nazaten: Robert Bruce, generaal majoor, Dashwood Bruce en Augusta Bruce.
In Crail troffen we op de begraafplaats een merkwaardig gebouw aan: een morthouse met opschrift “opgericht om de doden te beschermen 1826”. Lichamen werden in het morthouse gelegd om ze te beschermen tegen body snatchers (lijkenpikkers) tot ze zover waren vergaan dat ze geen waarde meer hadden voor anatomen. Pas dan werden ze op het kerkhof begraven. Onze dagtrip eindigde in Saint Andrews, hoofdstad van de golf. Rond de abdij vonden we dan ook Tommy Morris, overleden op 24-jarige leeftijd. Ook een “dood in de hangmat” trok onze aandacht.
Dag vijf stond in het teken van de Schotse “way of death”. We starten met Mortonhall crematorium. Hier heeft men een strooiweide maar anders dan bij ons is het feit dat de as NIET uitgestrooid maar in een biologisch afbreekbare urne begraven wordt. De exacte grafplaats blijft voor de nabestaanden geheim. In een herinneringsboek worden, mits betaling, alle begravenen in genoteerd. Iedere dag worden de inschrijvingen van die dag getoond zodat een persoon herdacht wordt op de jaardag van zijn dood.
Hier kent men ook de “memorial walkway”, een kronkelend pad in een rustieke omgeving met aaneensluitend cementen stenen met de naam van de overledene. In de steen bestaat de mogelijkheid om snijbloemen in te zetten. De steen is enkel bedoeld als herin nering, er bevindt zich geen urnengraf onder. Vandaar naar Dean Cemetery dat enkele prachtige monumenten herbergt zoals Hector Mc Donald, die als bevelhebber in Ceylon zelfmoord pleegde omwille van beschuldigingen van homosexualiteit. Daarom rond zijn nek een sjaaltje van groene en gele tartan met heidetakje. Twee slapende leeuwen bewaken (?) het graf voor James Steel. Een piramide in roze graniet voor Andrew Rutherford.
Een klassiek monument voor James Buchanan en een opmerkelijk monument voor advokaat John Leisman en militair Offley Shore. Rindert had ons verwittigd voor New Calton: het is een ontmoetingslek voor homo’s! Johan en ikzelf gingen er eens kijken en konden constateren dat het verhaal van Rindert klopte. Verschillende manspersonen dwaalden er rond. Niettegenstaande dat konden we toch enkele opmerkelijke funeraire dingen ontwaren. Zo was er de wachttoren om te waken tegen de lijkenpikkers. Misschien kan die nu een tweede leven leiden als “bewaking tegen …”, jullie weten wel wat? Hier liggen ook de grootvader en de vader van schrijver Robert Stevenson. Vandaar waren het maar enkele stappen tot Old Calton.
Hier kon men niet naast het politieke martelarenmonument kijken, liefst 27 meter hoog. Ook filosoof David Hume werd herdacht in een “leuk” optrekje. Eigenaardig dat Abraham Lincoln hier een beeld heeft. Het staat hier om vijf Schotten te herdenken die stierven in de Amerikaanse burgeroorlog. Beeldhouwer John Steel is de gelukkige bezitter van een mortsafe, bescherming tegen lijkenpikkers. Ten slotte werden Saint John en Saint Cuthbert ook nog met een bezoekje vereerd. Deze laatste bezit ook een wachttoren.
Dag zes bracht ons naar Glasgow. Gestart werd met het Southern Necropolis. Wat een verval. Het merendeel van de monumenten lag tegen de vlakte. Uitschieter was Thomas Lipton, van de thee weet u wel. Ook het monument voor “The White Lady” trok de aandacht van het gezelschap. Mevrouw Smith en haar huishoudster togen na een kerkbezoek huiswaarts, schuilend onder een paraplu wegens de regen. Daardoor zagen ze de aankomende tram niet. Beiden kwamen om. Om te vermijden dat je in steen veranderd dien je driemaal rond het monument te lopen “White Lady, White Lady” roepend er voor zorgend niet in de ogen van het beeld te kijken.
Na een bezoek aan Saint Mungokerk werd funerair Glasgow afgesloten met een pracht van een begraafplaats. Er diende geklommen te worden maar naast het prachtige uitzicht zagen we ook kanjers van grafmonumenten zoals die voor Alexander Allan, eigenaar van een scheepslijn; Charles Mc Kirdy eigenaar van katoenspinnerijen; fabrikant John Houldsworth; William Wilson, advokaat; eerwaarde Mc Farlan en Douglas Mounteath.
Maar groter dan groots was het monument voor de man achter de reformatie John  Knox. De man ligt begraven op een parkeerplaats 23 achter Saint Giles cathedral in Edinburgh maar kreeg als compensatie een zuil van 18 meter hoog. De laatste dag ging de terugreis langs de abdij van Dryburgh. Prachtige omgeving aan de rivier Tweed. Daarom verkoos Walter Scott, schrijver van Ivanhoe, om hier begraven te worden. Douglas Haig, opperbevelhebber tijdens de Eerste Wereldoorlog ligt hier ook. Volgens sommigen een held (?) maar wegens zijn conservatieve wijze van leidinggeven schuldig aan enorm grote, onnodige, verliezen door velen als de “Butcher of the Somme”, slachter van de Somme, genoemd.
Melrose Abbey was onze laatste stap op Schots grondgebied. Hier ligt het hart van Robert the Bruce, zijn lichaam of toch de restanten ervan, troffen we eerder aan in Dunfermline.

Een meer dan geslaagde reis dankzij Jeannette en Rindert zeker omdat er ruim de tijd was om niet-funeraire dingen te ontdekken.

Tekst en foto's : Jacques Buermans