Nieuwsbrief Nr. 7 - september 2002

Schandaal op Schoonselhofof hoe de stad Antwerpen met haar funerair erfgoed omgaat


Enkele dagen na de herinhuldiging van het grafmonument voor Theodoor Verstraete, 28 juni 2002, maakte ik een zwarte zondag mee op de begraafplaats Schoonselhof. Ik kroop in mijn pen en stuurde de Schepen voor Begraafplaatsen, Erwin Pairon, zijn kabinetschef Gab. De Buysscher (u kent beide tekenfilmfiguren reeds van de vorige Grafzerkjes), de Werkgroep Antwerpse Begraafplaatsen en de Vlaamse erfgoedcel een brief, waarvan hierna de neerslag:
 
“Vorige vrijdag was ik een tevreden man, zondag kreeg ik de keerzijde van de medaille te zien.
In de eerste plaats werd de begraafplaats de ganse dag geteisterd door wandelaars. Een wandelaar, daar kan men toch niets op tegen hebben hoor ik u zeggen. Inderdaad niet wanneer het over mensen gaat die oog hebben voor al het moois dat de Antwerpse dodenakker te bieden heeft maar deze hadden blijkbaar maar één bedoeling: op zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk kilometers afmalen. Dit is zeker mijn dada niet maar dit kan mij niet echt raken. Wat mij wel raakt is dat tientallen van hen de tocht met een hond maakten. Nadat ik in de late voormiddag reeds enkele malen opgeschrikt werd door een loslopende hond, was het hek helemaal van de dam in de namiddag toen ik een groep geïnteresseerde mensen rondleidde. De “wandelaars” betraden grasperken dat het een lieve lust was, honden liepen los, niemand die het beruchte “kakzakje” bij zich had en wanneer de begraafplaats sloot gingen er nog 100den over de omheining zonder respect die die zondagmiddag wel heel veel te verduren kreeg.
 
Mijn tweede ergernis zit nog dieper. Ikzelf, de mensen van de Werkgroep Antwerpse Begraafplaatsen en vele anderen die de dodenakkers een goed hart toedragen zetten ons al jaren in om het Schoonselhof te beschermen en hier een daar een grafmonument van de ondergang te redden.
 
Groot was dan ook mijn verbazing toen ik zondagmiddag een volledige filmcrew, zeker vijf wagens, op de begraafplaats bezig zag om een of ander Draculagebeuren te verfilmen. Op de oude perken Y en Z1 gingen zij hun gang zonder enig respect voor de monumenten. Er werd op grafzerken gestapt, camera’s erop bevestigd, men werkte met vuur, grafkapellen werden tot schminkkamer gedegradeerd, bij andere waarvan de deuren gedeeltelijk open waren werden die ingestampt om “mooie beelden te kunnen schieten”! Sommige mensen waren heel agressief en versperden met hun materiaal de weg van de bezoekers.
 
U begrijpt ongetwijfeld dat het, voor mensen die zich constant inzetten voor ons Antwerps Père Lachaise, moeilijk te verwerken is wanneer men zo nonchalant met deze prachtige dodenakker omspringt.”
 
Ik vroeg de heer Pairon of de nodige toelatingen werden verleend en of er niet constant een verantwoordelijk iemand moet aanwezig zijn om excessen tegen te gaan? Uiteraard, dit is Antwerpen begrijpt u, kreeg ik geen antwoord.
 
Enkele dagen later stelde ik het volgende vast, wat ik hem schreef: “Op exact dezelfde plaats waar ik zondag de filmploeg bezig zag lag een plaasteren Christusfiguur in drie stukken. Veel erger nog was dat een meer dan levensgroot bronzen beeld tegen de vlakte was gekieperd. Het was nochtans op drie plaatsen verankerd en kan, tot nader order, nog altijd niet uit zichzelf op stap gaan.
Ik heb ook niets vernomen van hevige stormen die Antwerpen teisterden, buiten de stormen van filmvandalen dan. Ik hoop dat u beseft dat een begraafplaats in de eerste plaats een oord van respect dient te zijn ten overstaan van de overledenen en dat in de tweede plaats het Schoonselhof, dat toch zo graag door politici als het Antwerpse Père Lachaise geprofileerd wordt, gekoesterd moet worden voor al het funeraire erfgoed dat ze herbergt. Met de huidige afbraakpolitiek en de verregaande nonchalance van de officiële instanties lijkt dit alles nog mijlenver af en wordt het voor personen die zich inzetten voor deze dodenakker vechten tegen de bierkaai.”

Enkele dagen later bekwam ik dan toch een antwoord van de heer Gab. De Buysscher, kabinetschef van schepen Pairon en in onze kringen bekend als “Pietje de leugenaar” omdat hij reeds meermalen leugens verspreidde én anderen laat opdraaien voor de stommiteiten van zijn schepen en hemzelf. Nu was het weer niet anders. Hij schreef onder andere: « Het verwondert me dat u nog geen reactie kreeg. Er was toelating voor bepaalde filmopnames en er werd geen beschadiging vastgesteld.”

Op zijn aanraden begaf ik mij naar de mensen van de administratie waar bleek dat hij hén wou laten opdraaien voor het al dan niet verlenen van de toelating. Gelukkig hadden die mensen zijn kabinet gebeld om de toelating te vragen. Eens te meer liet hij een ander opdraaien voor zijn fouten. Daar komt nog bij dat hij blijkbaar in het bezit moet zijn van een glazen bol, want hoe kan hij anders verklaren dat er géén beschadigingen waren, terwijl hij daar niet aanwezig was?
Misschien zijn de bijgevoegde foto’s getrukeerd?

Tekst en foto's : Jacques Buermans