Nieuwsbrief Nr. 68 - mei 2012

Tante Kato ging naar Den Haag en zag het graf van Louis Couperusweer een nieuw verhaal van Tante Kato.


Louis Marie Anne Couperus * 1863-1923 * Begraafplaats Oud Eik en Duinen, Den Haag
 
Als ik de vijfenveertig stukjes (jawel), die ik tot nu toe voor Grafzerkje schreef bekijk, dan hebben ze op enkele uitzonderingen na een gemeenschappelijk punt : het zijn aparte laatste rustplaatsen zoals een graf in een tuin, een mausoleum of een schrijn. Deze keer wijk ik weer af van die stelling, want Couperus ligt begraven op Oud Eik en Duinen, ooit een kerkhof. In nieuwsbrief 35 van mei 2007 verscheen een artikel over deze Haagse begraafplaats. Over één schrijver, met name Louis Couperus wil ik wat meer vertellen. Volgend jaar is het ter gelegenheid van de honderdvijftigste verjaardag van zijn geboorte (én de negentigste verjaardag van zijn overlijden) Couperusjaar en ik ben met deze alle herdenkingen een beetje voor.
 
Ik begin met een kleine stadswandeling door het chique, aristocratische Den Haag. Onder een stralende lentezon stapten we met onze Nederlandse vrienden, die we in 2003 leerden kennen in Libië -u weet wel, dat Noord-Afrikaanse land waar ze destijds een dictator hadden en er nu totaal kapot geschoten bij ligt- naar het Couperus Museum, Javastraat 17 waar we toevallig de tentoonstelling “Van morbide miasma’s* tot omkomen in pracht” zagen. Jammer, maar deze tentoonstelling over dood en sterven eindigt op 27 mei 2012 ... ongeveer de datum dat deze nieuwsbrief verschijnt.
 
Daarna begon de echte Couperuswandeling. Op onze route door de Archipelbuurt* zagen we enkele Couperus-woonhuizen, locaties uit zijn romans, de statige huizen van zijn grootouders, zijn geboortehuis en we eindigden op het Lange Voorhout, ter hoogte van het Couperus-standbeeld met zijn uitspraak “Zoo ik iets ben, ben ik een Hagenaar”. Al wandelend leerden we de schrijver iets beter kennen :
 
Louis Couperus was de jongste van elf kinderen en hij stamde uit een familie van hoge ambtenaren. Als negenjarige vertrok hij met zijn ouders voor een kleine zes jaar naar Batavia in Nederlands-Indië*. Men kan hem moeilijk een goed student noemen maar het schrijven zat er wél in. Op vierentwintigjarige leeftijd verscheen Eline Vere als vervolgverhaal in het dagblad Het Vaderland. Mijn moeder noemde zoiets “mengelwerk”. Een woord dat ik jaren niet meer hoorde en me opeens te binnen schoot. In 1891 huwde Couperus zijn vier jaar jongere nichtje Elisabeth Baud, geboren in Batavia. Zij waren stijlvolle zwervers : België, Frankrijk, Italië, Duitsland, Engeland, Spanje, Algerije en Nederlands-Indië. Toch wel een vermoeiende activiteit zo eind negentiende, begin twintigste eeuw. Maar wél boeiend. Bij stijlvol moet u zich voorstellen dat bureau en enkele vaste attributen zoals een schilderij altijd mee op reis moesten.
 
In 1921 vertrok Couperus opnieuw naar het Verre Oosten, ditmaal als bijzonder correspondent van de Haagsche Post. In Japan was een neusinfectie de oorzaak dat hij noodgedwongen moest terugkeren naar Nederland. Daar woonde hij anderhalve maand in een landhuisje in De Steeg, Gelderland. Zijn zestigste verjaardag (10 juni) werd uitgebreid gevierd en met de financiële steun van zijn vrienden kon de hypotheek afgelost worden. Een dikke maand later (16 juli) overleed Couperus aan longvliesontsteking en een bloedvergiftiging in de neus. Mogelijk waren er ook nierproblemen. 
 
Uiteraard wilden we ‘s anderendaags naar zijn graf op de parkbegraafplaats Oud Eik en Duinen, waar zijn asresten begraven werden. De witte afgebroken zuil (Graf C2 Urn 6), zoals we weten het symbool van het afgebroken leven en het verdriet er om, is op korte afstand van de hoofdingang. 
Over crematie, begrafenis en graf van de schrijver valt wel een en ander te vertellen:
 
Louis Couperus werd gecremeerd in het oudste crematorium (1913-1914) van Nederland: Westerveld te Driehuis (Velsen). Cremeren was in 1923 tegen de geest van de tijd en een officiële toespraak houden was ongehoord.  Crematie werd trouwens pas in 1955 wettelijk toegestaan. Daarvòòr was er een gedoogbeleid. 
 
In “Waar ligt Poot ?”* vond ik volgende anekdotes over levenseinde, dood en graf van de schrijver :
De eerste komt van Simon Carmiggelt “In het bos raapte hij stenen op die hij, in zijn voortuintje, neerlegde in de vorm van letters. Zò werkte hij aan wat hij zijn laatste boodschap aan de wereld noemde : het woord Vale, dat uit het Latijn stamt en “vaarwel” betekent.  Maar hij voltooide zijn taak niet. Toen zijn kist het huisje uitgedragen werd, stond er “Val”.”  Deze steentjes werden mooi nagelegd in het Couperus Museum.
 
Annie Salomons getuigde over de crematie “Er was een gedrang dat je bijna de kapel niet in kon komen. Die mensen konden toch niet allemaal van hem en zijn werk houden; die zochten sensatie. Crematie was toen nog een nieuwtje. Het leek me een onwaardig gedoe.” 
 
Ene van Raak meldde over de afgebroken zuil: “Toen het monument in verval was geraakt, kwam er een inzameling voor restauratie. Velen droegen bij, maar niet uitgever Geert van Oorschot; die zei dat hij alleen zeer verwaarloosde graven mooi vond.”
 
Elisabeth Couperus-Baud, eveneens letterkundige en vertaalster, overleed in 1960 (drieënnegentig jaar oud) en haar asurne werd in hetzelfde graf bijgezet.
 
Verklaringen :
Miasma: Bezoedeling van de ondergrond door uitwasemingen van rottende organische stoffen;  Ziekelijke toestanden
Archipelbuurt: Ook Indische buurt. Wijk in Den Haag aangelegd tussen 1860 en 1890.  Verschillende straatnamen verwijzen naar de Indonesische archipel
Indië: Nederlanders hebben het over Indië, Indische mensen en Indisch eten. Wij Vlaamstaligen hebben het dan over Indonesië.  Heeft dus niets te maken met India.
Waar ligt Poot ? : Van Hans Heesen, Harry Jansen en Ed Schilders; Uitgeverij de Prom; 1997.  De titel van het boek is gebaseerd op het grafschrift “Hier ligt Poot.  Hij is dood.”
 
De begraafplaats Oud Eik en Duinen heeft zo’n lange geschiedenis, dat ik die er graag bij vermeld :
1247: Graaf Willem II van Holland laat een kapel bouwen ter nagedachtenis van zijn vader graaf Floris IV
1331: Kapel wordt parochiekerk met kerkhof. 
1396: In de kerk werd een splinter van het kruis van Christus bewaard. Dit maakte van de kerk een bedevaartsoord.
1574: De protestanten namen de bouwvallige kerk over. Zowel katholieken als protestanten werden er begraven.
1581: Gedeeltelijke sloop van de kerk omdat de calvinistische autoriteiten                         vreesden dat er een katholieke enclave zou ontstaan. Kerkhof in onbruik. 
17de eeuw: Heropening van de begraafplaats
18de eeuw:  Het merendeel van de katholieken werd op Eik en Duinen begraven.
1809: De begraafplaats kwam in handen van een protestantse jonkheer.
1891: Uitbreiding van de begraafplaats met Nieuw Eykenduynen (overkant laan)
1929: Bouw kapel ten noorden van de ruïne
20ste eeuw: De ruïne kreeg de status van rijksmonument. Als een opgestoken vinger blijft een stukje 13de eeuwse kerkmuur overeind. 
Tante Kato
 Foto’s Tante Kato + Lies Snijders (Couperus in de sneeuw) "februari 2012"