Nieuwsbrief Nr. 67 - maart 2012

Gietijzeren kruisenons lid Cis Kennes verzorgde een uitgebreid artikel.


IJzer en open lucht: geen voor de hand liggende combinatie.  En toch zijn –  of beter: waren –  er heel wat voorbeelden van te vinden op  begraafplaatsen. Niet alleen in onze streken, maar van Litauen over Polen tot in Tsjechië. Tientallen jaren doorstonden ze de tand des tijds: kruisen, omheiningen, ‘bedjes’, ‘serres’, ja zelfs massieve monumenten.
 IJzeren kruisen kunnen onderverdeeld worden in twee grote groepen: de gietijzeren en de smeedijzeren kruisen. Algemeen kan men stellen dat gieten serieproducten oplevert en smeedwerk unica als resultaat geeft, nl. het soms zeer eenvoudig maar ook soms erg kunstig werkstuk van de plaatselijke smid. Dit gaat zeker op voor de grote gieterijen. Maar bij de kleine gieterijen, waar men soms nog werkte met plaasteren modellen, werd de grens met het ambachtelijk werk toch heel erg dun. Smeedijzeren kruisen vindt men trouwens niet alleen op begraafplaatsen, maar ook als ‘wegkruisen’: juweeltjes van volkskunst die dikwijls veel rijker en speelser waren uitgewerkt dan de grafkruisen, gewoon  omdat de aanleiding niet een afsterven was, maar een belofte (n.a.v. een genezing bvb.): een heuglijke gebeurtenis dus.

Geschiedenis

Alhoewel het toppunt van de (ons bekende) gietijzeren kruisen te situeren is in de laatste helft van de 19° eeuw en de eerste van de 20° eeuw, is hun geschiedenis veel ouder. Het hoeft ons ook niet te verwonderen dat vooral in het Waalse landsgedeelte nog veel sporen terug te vinden zijn van voor de bloeitijd van de grote metaalindustrie: op twee nog bewaarde kruisen is de datum 1538 af te lezen: één uit Les Hayons bevindt zich in het Musée Ducal van Bouillon; het andere komt uit Auby. Het gaat hier om ambachtelijk werk. Niet-massieve of opengewerkte kruisen beginnen voor te komen vanaf 1840, maar het is pas rond 1850 dat de productie verheven wordt tot  kunstig gedetailleerd filigraanwerk met een overvloed aan symbolen. Ondertussen zijn modellen uit de periode 1840-1860 bijzonder zeldzaam geworden.
Twee elementen speelden weliswaar in het voordeel van het behoud: de duurzaamheid van het materiaal en het feit dat de ijzeren plaat met persoonsgegevens vervangbaar was, wat een economische vorm van hergebruik mogelijk maakte. Langs de andere kant lagen echter drie elementen aan de basis van de teloorgang: het einde van de ‘eeuwigdurende concessie’ waardoor in veel gemeenten massaal werd ‘geruimd’ zonder besef van de historische waarde van dit erfgoed. Verder het optreden van oxydatie bij slecht onderhoud, en tenslotte het gebrek aan flexibiliteit van gietijzer bij verkeerde belasting. Algemeen kan men zeggen dat tegen de vijftiger jaren de productie van gietijzeren kruisen zo goed als stilgevallen was. In Wallonië produceerde één gieterij ,nl.  Bayol-Malacourt  in Yves-Gomezée  nog tot in 1966. Helemaal uitzonderlijk was de gieterij Rodrique in Ciney die nog in de jaren ’80 een reeks uitbracht op bestelling van de abdij van Rochefort.

Materiaal, techniek, ateliers…

Materiaal
Gietijzer is een in vorm gegoten legering van ijzer, koolstof (2,5 % tot 6 %), mangaan en silicium. Het wordt vervaardigd door omsmelting van ruw ijzer, samen met cokes en kalk in een koepeloven, inductieoven of een trommeloven. Het smeltpunt van ijzer (Fe) ligt tussen 1530° en 1535° C. Het gehalte aan koolstof (C) is bepalend voor de smeedbaarheid, de hardbaarheid en de gietbaarheid van het materiaal: hoe meer koolstof er aanwezig is, hoe vloeibaarder. Terwijl dit gehalte bij smeedijzer 0,5 % bedraagt, ligt het bij gietijzer tussen 1,5% en 5 %. Vandaar het  erg fijne filigraanuitzicht van sommige kruisen.

Productie
Om een gietijzeren stuk te vervaardigen, is een driedimensionale afdruk (in de vorm van een holte) van het eindproduct in een matrijs nodig. Hiervoor gebruikt men een gemakkelijk te bewerken materiaal, nl. hout (grenen voor grote stukken, notelaar voor kleinere). Twee op elkaar gezette vormkisten worden met een licht klevend zand bedekt (kwartszand + klei + water). Vroeger werd dit mengsel  verstevigd met paardenvijgen die door de plaatselijke jeugd werden  verzameld en verkocht aan de gieterijen. Aan deze zandmengeling werd soms grafietpoeder toegevoegd voor een betere oppervlaktekwaliteit. Wanneer de vormkasten worden gescheiden en het model verwijderd, blijft een exacte afdruk achter. Deze wordt  na het weer samenvoegen van de vormkasten volgegoten met gesmolten gietijzer. Na stolling wordt het zand verwijderd en blijft het gietijzeren kruis achter. Dan volgt nog het handmatig verwijderen van braam en andere onzuiverheden met beitels en vijlen. Vervolgens wordt naargelang  het model nog een gekruisigde Christusfiguur en/of een ijzeren plaat voor persoonsgegevens toegevoegd. Daarna worden de pinnen onderaan de voet verankerd in een sokkel van blauwe hardsteen of beton tegen verzakkingen. Tenslotte wordt nog een afwerklaag gegeven in roestwerende verf (vroeger gewoon teer) : zwart, wit of bruin voor de volwassenen, met soms de persoonsafbeeldingen (Maria, Johannes, engeltjes…) in het zilvergrijs. Blauw werd voorbehouden voor de kruisen op de kindergrafjes, en in Frankrijk ook voor militaire graftekens.
Dit hele procedé vertoont veel gelijkenis met het gieten van brons. Gietijzer werd dan ook nogal eens ‘het brons van de arme mens’ genoemd.

Afmetingen
Veruit de meeste gietijzeren kruisen variëren in hoogte tussen 0,955 m en 1,770 m. Uitzondering hierop is  o.m. model 1781 van Nestor Martin met een hoogte van 2,000 m !
Omgekeerd vinden we in de catalogus van de gieterij Barbezat (Frankrijk)  onder plaat 349, type N (Heilige Geest als duif) een exemplaar van slechts 0,483 m hoog. De breedte schommelt tussen 0,540 m en 0,830 m. Ook hier vormen de twee genoemde types een uitzondering: model 1781 van Nestor Martin met een breedte van 1,110 m en het kleine kruisje  ‘N’ van Barbezat met nauwelijks 0,300 m.

Kostprijs
De gegevens waarover we beschikken zijn erg beperkt. Volgens de catalogus van Nestor Martin van 1 mei 1939 was de kostprijs toen  50 Bfr. voor de 1800-reeks (kinderkruisen van ong.1 m x 0,5 m). De prijs voor de kruisen voor volwassenen varieerde tussen 90 Bfr (model 1741) en 225 Bfr (grote modellen 1780 en 1781). Blijkbaar waren de afmetingen hierbij de doorslaggevende factor.
Tegenwoordig liggen de prijzen voor gietijzeren kruisen op ‘e-bay’  en ‘kapaza’ in dezelfde orde van cijfers; alleen worden zij nu uitgedrukt in euro…
 
Onderhoud
In tegenstelling tot smeedijzeren kruisen mag gietijzer niet behandeld worden met hoge druk of met producten met zuren. Men is aangewezen op mechanisch of manueel onderhoud met borstels en schuurmiddelen (papier, staalwol…).

Restauratie
Meermaals zal men gietijzeren kruisen tegenkomen die al dan niet esthetisch hersteld zijn na breuken. De meest verscheidene middelen worden hier aangewend: een houten kruis erachter, een ijzeren stang, een schuine steun achteraan, ijzerdraad…
Tegenwoordig is gietijzer te herstellen met speciale laselektrodes in nikkel of in een legering van nikkel en ijzer. Bij gebrek aan elektriciteit is het echter niet evident om op een begraafplaats tot laswerk over te gaan. Omwille van het hoog koolstofgehalte (3 à 4 %) van het gietstuk, moet het lastoevoegmateriaal dezelfde eigenschap hebben. Dit is alleen mogelijk mits voorverwarming van 600 à 800° en een aansluitende spanningsarme warmtebehandeling.
In Annevoie (deelgemeente Anhée) worden ze hersteld en op graven van armen of eenzamen geplaatst: een lofwaardig initiatief.

Gieterijen
Het gieten van kruisen was in veel gevallen niet rendabel genoeg om een industriële activiteit op zichzelf te vormen; zeker in de grote gieterijen was het een nevenactiviteit  naast een meer grootschalige productie. (Men vermeed soms zelfs te veel ruchtbaarheid aan dit segment te geven uit vrees  de goede naam van het bedrijf in diskrediet te brengen). Zo zijn de “Fonderies de Zeelem, Usines Cruls Frères”, ver buiten Zelem bekend om hun balkonafsluitingen (o.a. met zweepslagmotief) en Nestor Martin staat  uiteraard bekend voor zijn kachelproductie. Wat niet wil zeggen dat het geen volwaardige afdelingen waren: zowel Nestor Martin in België als de “Fonderie Corneau” in Charleville (Noord-Frankrijk) gaven een specifieke catalogus uit met honderden modellen.
Van deze twee gieterijen zijn sporadisch nog genummerde exemplaren terug te vinden, maar over de kleine gieterijen moet nog heel wat in kaart gebracht worden. Overigens werd ook in deze sector heel wat gekopieerd, zodat de oorsprong van een bepaald model niet altijd traceerbaar is.
In kleine dorpen was de levering en plaatsing (misschien zelfs de productie) van gietijzeren kruisen het werk van  de plaatselijke (hoef)smid . In de steden waren het de opkomende uitvaartbedrijven die met de catalogi van de grote gieterijen onder de arm voor de verspreiding zorgden via een netwerk van vertegenwoordigers. Vandaar is het niet ongewoon, een kruis van Nestor Martin uit Hoei terug te vinden op de begraafplaats in Blankenberge, of model 181 van Alfred Corneau uit Charleville aan te treffen in Marminiac (Midi-Pyrenées).  Ook in het Zuiden van België vindt men gemerkte exemplaren van dit bedrijf, dat dus zijn producten over de landsgrenzen exporteerde, net zoals Foubert uit Béthune dat deed met funeraire keramiek. Hetzelfde geldt voor de Parijse gieterij Barbezat van wie exemplaren werden weergevonden in Bertrix, Arlon, Straimont, Orgéo, Neufchâteau, Saint Hubert…
In het Vlaamse landsgedeelte was de hoger genoemde gieterij van Cruls in Zelem actief van 1919 tot 1943. Eerst werd het bedrijf over genomen door schoonzoon Ramaekers, en na WO II door G. Moens de Fernig. Brialmont in St Truiden vanaf 1920. In Brugge was het Atelier De Jaegher de voorloper van het latere Brugeoise & Nivelles. Verder was er Jaenen in Diest, Van Aerschot in Herentals, Alidor Claeys in Zedelgem, De Cloedt in Veldegem en de ‘Société Anonyme des Fonderies Tongreoises in Tongeren. Kleine gieterijen  deden meer dan eens beroep op modelleurs uit het Luikse ( Pekeleers en Mols).
In het Waalse landsgedeelte kennen we Bayot-Malacourt  en les Fonderies Remy in  Yves-Gomezée, les Fonderies d’ Andenne  en het atelier Davin in Andenne, Chapa in Retinne, Demoulin in Farciennes, Dominicy in Châtillon, Nestor Martin en N.Porta in Hoei, La Société de Fonderies in Marloie,  J.G.Requilé in Luik, Rodrique in Ciney en Verdoodt in Ottignies.
Kleine gieterijen lieten ook hier weinig of geen sporen na…

Symboliek

In tegenstelling tot smeedijzeren kruisen die hun schoonheid in grote mate ontlenen aan hun bogen- en krullenwerk, geven hun gietijzeren tegenhangers blijk van een overvloedige symboliek, die niet zozeer teruggrijpt naar de klassieke funeraire vormentaal, dan wel verwijst naar passages uit de Bijbel. Het voordeel is dat zij een grote variëteit aan symbolen laten zien, die door de christelijke goegemeente konden gelezen worden als een set stripfiguren, naar het voorbeeld van de glas-in-loodramen in de kerken.  In onze tijd echter wordt de interpretatie meer en meer beperkt tot theologen en Bijbelkenners, terwijl smeedijzeren kruisen omwille van hun abstract karakter, meer toegankelijk blijven.
Wat de gietijzeren kruisen betreft, kan men een onderscheid maken in vier groepen:

Massief gegoten stukken
In hun eenvoudigste vorm: gewoon gekruiste balken, zonder veel versiering. De symboliek blijft beperkt tot een banderol met het opschrift I.N.R.I.  of min of meer abstracte bloemblaadjes.

Massief gegoten ‘boomstammen’
Gewoonlijk werden ze onderling verbonden door een dik touw. Ook hier blijft de symboliek beperkt tot klimop die zich rond de stammetjes slingert. Aan de voet van het kruis groeien soms lisdodde ( waarvan sommige geknakt) , korenaren , rozen  en andere bloemen die soms de vorm van een krans aannemen .
Onder deze noemer van deels massieve, deels versierde kruisen, kan men ook de kleine kruisjes rangschikken, waarbij aan de voet een wenend meisje staat, dat met de ene hand zijn traantjes droogt en met de andere hand een krans van immortellen vasthoudt. Het wordt gewoonlijk blauw of blauw/wit geschilderd en heeft meestal een ovalen plaat met persoonsgegevens onder de dwarsbalk .De kruisbalken zijn versierd met klimop of wijnranken en dragen een banderol met de letters I.N.R.I. . Hierbij moet vermeld worden dat men zich in Frankrijk helemaal niet beperkt tot  beschildering met de ‘klassieke’ kleuren, maar waar kruisen van dit type wel eens felgroene kastanjebladeren en tulpen in velerlei kleuren mee krijgen.
Militaire kruisen
In plaats van de boomstammen van de Kalvarieberg, wordt hier het kruis soms gevormd door zwaarden (Arras). In het centrum komt dan een naamschildje  en bovenaan een leeuwenkop met soms de vermelding “Souvenir de…”. Zwaarden en geweren, gedrapeerd met een doek, vindt men ook in Mons. Nog uitgebreider wordt de militaire symboliek op het perk in Charleville: zwaard, vlag, lauwerkrans, medaille, twee helmen en het opschrift ‘Pro Patria’ vallen te beurt aan de gesneuvelden van 1914-1918.
Opengewerkte of filigraan-kruisen: veruit de grootste groep
Wat hier onmiddellijk opvalt, is dat  - in tegenstelling tot wat men zou verwachten – het kruis niet zozeer dient om een Christus-figuur te dragen van dezelfde verhoudingen, dan wel als basis-vorm wordt gebruikt voor een zeer uiteenlopende symboliek en ornamentiek. De Christus-figuur krijgt dikwijls nog wel een centrale plaats, maar dan zonder of met een fel gereduceerd kruisje.
Meest voor de hand liggend is uiteraard de opstelling waarbij Maria en Johannes overeenkomstig de evangelist Johannes (19: 26-27) aan de voet van het kruis stonden: een in Vlaanderen veel voorkomend tafereel. Soms wordt de centrale figuur van de gekruisigde Christus omringd door een bloemenkrans of door vier stralen.
Deze vier stralen aan de binnenhoeken van het kruis vindt men trouwens ook terug in Ouffet rond het Lam met de zegels (Openb. 5:1-14), rond een vrouwenhoofd (Maria ?) in Givet, rond het symbool van het hart (Celles), een ciborie. Zelfs gewone cirkeltjes in het centrum worden soms omgeven door dezelfde vier stralen.
Het thema van Christus’ lijden en dood wordt eveneens uitgedrukt in de lijkwade (Ouffet) of als hoofd met een doornenkroon. Hetzelfde thema komt trouwens ook voor op ijzeren graftekens die helemaal geen kruisvorm hebben, maar een plaatvorm met een gothische omkadering. Eén dergelijk model is getekend ‘Châtillon’.
Lijden en dood vormen uiteraard niet de enige onderwerpen: veel voorkomend is de Doop van Jezus in de Jordaan door Johannes de Doper (Math. 3: 13-17):  model 181 van Alfred Corneau, 1.200 mm hoog en 730 mm. breed. In de uiteinden van de armen herkennen we de hoofden van Maria en Johannes de evangelist. Onderaan staat een vrouw, getooid met een aureool en een kelk. Volgens Dom Eric Anciaux de Féveaux staat dit geheel voor de Kerk als lichaam van Christus. Dit type kwam voor van 1850 tot 1927. Wegens groot succes van het centrale thema werd het gekopieerd door Nestor Martin en gelanceerd als model 1739 met als afmetingen 1.344 mm op 690 mm. De oudste teruggevonden versie hiervan dateert van 1896. Het heeft geen figuren in de zij-armen. 
Andere verwijzingen naar de Bijbel zijn : Jezus als kind bij Maria en Elisabeth (Luc. 1: 39-56); Jezus als kind op schoot bij zijn moeder Maria die op een stoel zit: een model van Alfred Corneau; Jezus als leerling met een boek; Jezus met een lange stok, blijkbaar als rondtrekkend leraar, de Verrezen Christus, Christus die na de Verrijzenis zijn hart toont (Joh. 20: 24-29), een zegenende Christus  enz.
Als tweede belangrijkste figuur treedt uiteraard Maria naar voor: afzonderlijk in een bloemenkrans bij het model 1738 van Nestor Martin, in de fase van Maria Hemelvaart, al dan niet omringd door twee (Nestor Martin model 1712) of zes engelen. Verder Maria als kind met gevouwen handen, maar zoals hoger vermeld ook met haar zus Elisabeth, met het kind Jezus op schoot, of met de hele Heilige Familie. Behalve in het centrum komt Maria ook voor aan de voet van het kruis (samen met Johannes), en gekroond met twee engeltjes (Westkapelle). Tenslotte komt het  ‘Ave Maria’  meermaals voor als ineengevlochten initialen. De letter M komt ook alléén voor.
De H. Jozef komt uiterst zelden voor: een enkele keer met de obligate lelie in de rechterhand.
Engelen daarentegen zijn er in overvloed, maar zelden of nooit in het centrum van het kruis, tenzij als randfiguren bij Maria Hemelvaart. Maar wel aan de voet van het kruis (o.a. bij model Nestor Martin 1712 en 1713) of in de zijarmen van het kruis als gevleugelde puttihoofdjes, geknield, met een zwaard in de hand, of zelfs met een vlag.
Ook de vier evangelisten blijken enkel voor te komen in de zijarmen van de kruisen, en dan nog onder de vorm van hun apocalyptische dierensymbolen: de arend (Johannes), de leeuw (Marcus), de stier (Lucas) en de mens (Mathëus) ,verwijzend naar het Boek der Openbaring 4: 7-8.
Tenslotte zijn er de apostelen Petrus en Paulus die meermaals  het onderste gedeelte van het kruis flankeren rond een ciborie met een stralenkrans: een verwijzing naar de stichters van de Kerk.
Zoals gezegd komen de ‘klassieke’ funeraire symbolen bij gietijzeren kruisen niet zo frequent voor. Meest van al misschien nog het ‘vanitas’-symbool met doodshoofd en tibia’s en verder de Golgotha-symbolen: lans, ladder, spons, nagels.
Klassiek onder de dierensymbolen zijn de pelikaan en de duif, symbool van de H. Geest. Dit laatste o.m. als model N op plaat 349 van de catalogus van gieterij Barbezat uit Parijs. Het is –soms in bedenkelijke staat – terug te vinden op de begraafplaatsen van Bertrix, Charleville, Orgéo, Neufchâteau, Saint Hubert, Rochefort en Elby. Dit is een eerder klein model van slechts 483 mm hoog en 300 mm breed. Dat het hier om de H. Geest gaat kunnen we afleiden uit de aanwezigheid van een aureool (Math. 4:16) en de kleine vlammetjes eronder die verwijzen naar Pinksteren (Hand.9: 3). Sporadisch komt ook de slang rond de urne voor.
Ook de klassiekers uit de flora komen uiteraard voor: klimop, viooltjes, rozen in de knop, druivenranken, immortellen, korenaren, lisdodde.
Op te merken valt dat ook hier wel eens het funerair symbool van de ineengeslagen handen gebruikt wordt  als centraal thema, zelfs met een klein kruisje erboven en een krans er rond .
Tenslotte komt ook het alziend oog van God de Vader in beeld , gesymboliseerd als een driehoek met stralen: een vertrouwd beeld in vele huiskamers van toen…In dezelfde lijn ligt een model met alleen een ster in het midden omgeven door een stralenkrans .
Op te merken valt dat ook hier wel eens het funerair symbool van de ineengeslagen handen gebruikt wordt  als centraal thema, zelfs met een klein kruisje erboven en een krans er rond.
Tenslotte komt ook het alziend oog van God de Vader in beeld, gesymboliseerd als een driehoek met stralen: een vertrouwd beeld in vele huiskamers van toen…In dezelfde lijn ligt een model met alleen een ster in het midden omgeven door een stralenkrans.
Uiterst ongewoon is een gietijzeren grafteken voor een vrijmetselaar, nl. op de (overigens lelijke) begraafplaats van Bogny (Fr). Het heeft uiteraard geen zijarmen maar enkel een vertikaal opengewerkte vorm, en in de top de klassieke vrijmetselaarssymbolen, o.m. een ster met stralen en het opschrift ‘Libre Pensée’. Daaronder zijn twee fasces-bundels te zien en helemaal onderaan viooltjes: een merkwaardige verschijning !
Opschriften

Een aparte studie zou kunnen gewijd worden aan de ijzeren platen met persoonsgegevens die zich gewoonlijk in de onderste helft van de kruisen bevinden. Ze zijn meestal rechthoekig, ovaal, of een gefestonneerde combinatie van beide, met als afmetingen 50 x 25 cm. Aparte studies hierover zijn vooral van lokaal belang. Alhoewel ze dikwijls een aanduiding kunnen geven over het oprichten van het grafkruis, zijn ook voorbeelden bekend waarbij ze gewoon zijn uitgeschroefd en vervangen door een recenter opschrift.

Besluit
Het laatste woord over dit onderwerp is zeker niet gezegd. Erosie, vernielingen, roestschade en niet het minst het onverdroten ‘ruimen’ door de gemeenten maken deze studie dringend.
Sommige symbolen zijn nu al niet meer leesbaar.
Wie eens met het onderzoek begonnen is, besluit steevast met een bezorgde oproep tot zorg voor dit bijzonder stuk patrimonium. Terecht.
''Met dank aan de Grafzerkjes die informatie over dit onderwerp aanbrachten”.

Tekst en foto's : Cis Kennes