Nieuwsbrief Nr. 66 - januari 2012

Merksplaseens iets anders met toch een funerair tintje


Twintig “zerkjes” gaven present voor een bezoek aan de landloperskolonie. Gids Karel Govaerts gaf tekst en uitleg. Tot 1992 herbergde de kolonie landlopers nu is het gedeeltelijk een centrum voor illegalen. Tussen de 150 en de 200 wachten hier om eventueel terug te keren naar hun land van herkomst. Karel vertelde dat dit maar voor de helft lukt: de andere helft geven een valse naam op of zijn gewoon “sans papiers”. Die krijgen dan het bevel om het land te verlaten. Je kunt al denken dat dit een ijdele hoop is. De andere helft van de kolonie is nu een gevangenis voor zo’n 700 gedetineerden. Karel preciseerde: overwegend jonge mensen en overwegend vreemdelingen.
 
Onze trip startte aan de landloperskapel die “averrechts” gebouwd is omdat ze deel uitmaakte van de kolonie. Onderweg passeerden we een aantal woningen. Karel wees ons op het onderscheid tussen een woning voor een beginnende cipier, een cipierswoning, een woning voor een hoofdcipier (met hier al een “upstairs-downstairs”-toestand met hoe meer trappen hoe hoger de graad van de cipier) en een directeurswoning, de enige woning met een boom in de tuin. We passeerden een aantal leegstaande gebouwen die vroeger gebezigd werden als postkantoor en als telegraafkantoor, de woning voor een aalmoezenier en een kloostergemeenschap. We zagen een aparte vleugel voor de geïnterneerde gevangenen. Wat verder konden we observeren dat het complex dateerde uit 1884. 
We passeerden de Gentse wijk zo genoemd omdat een voormalige Gentse gevangenis gesloten werd en de gedetineerden maar ook de cipiers naar hier verplaatst werden. Vlakbij de woningen voor de beginnende cipiers. Eenvoudig maar de cipiers die hier een woning kregen constateerden “we zijn vertrokken, we kunnen opklimmen in de cipiersladder. We zitten in de Zoeten Inval.”, daar ontleende de straat haar naam aan. Wat verder bevonden we ons tussen twee vijvers, vroeger kleiputten. De grootste vijver werd “de was” genoemd omdat vroeger de landlopers die bezigden om hun was (van hun kleding maar ook van zichzelf) te doen. 
Hoogtepunt voor de Grafzerkjes was de landlopersbegraafplaats. Naast landlopers werden ook enkele gevangenen begraven. 
De witte kruisjes bevatten geen enkele identificatie, enkel een loden plaatje aan de zijkant. “Zij leefden als een nummer en stierven als een nummer” poneerde Karel. Toch kwamen er enkele verhalen naar boven. Een dochter komt alle 14 dagen het graf van haar vader bezoeken. Via haar vernam Frans het verhaal: vader was havenarbeider. Zijn echtgenote was Française en het koppel had negen kinderen. Door het laden en lossen liep de man een longziekte op, werd werkloos en geraakte zonder inkomen. Vader bleef alleen achter want moeder verhuisde met haar gezin naar Frankrijk. De man verkoos om landloper te worden. Het bedrag dat hij in de kolonie verdiende, en dat normaliter diende om terug een plaats in de maatschappij te verwerven, werd opgedronken … zodat hij terug opgenomen werd. De dochter heeft recent terug contact genomen met haar, intussen overleden, vader en onderhoud het graf. Ooit was een gedeelte van de begraafplaats een “pestkerkhof”. Karel vertelde over de “zwevende kruisjes”. Men bezat slechts 12 houten kruisjes. Bij een nieuwe begraving werd het oudste kruisje overgebracht naar het nieuwe graf. 
Op het eind van de meer dan twee uur dertig durende tocht kwamen we bij de voormalige boerderij die indertijd uitgebaat werd door de landlopers onder leiding van een cipier. Karel vertelde dat de landlopers heel vindingrijk waren in het verstoppen van flessen sterke drank her en der rond de boerderij. De boerderij wordt nu gerestaureerd om een culturele functie te krijgen. We eindigden waar we begonnen waren: bij de landloperskapel die nu gebezigd wordt als gevangenismuseum waar onze gids Karel Govaerts ook de stuwende kracht is. Maar daar waren we van overtuigd toen we de man bezig zagen tijdens deze zonnige tocht. 
Het merendeel van de Grafzerkjes zakte nog af om een gezamenlijke maaltijd te gebruiken waar nog gezellig nagekaart werd.
 
Jacques Buermans
 
Foto’s Ria Vaes