Nieuwsbrief Nr. 65 - november 2011

BüchenwaldOns lid Lin Verbeemen stuurde volgend, aangrijpend, verslag door.


Dit jaar ging de funeraire reis met Terre Aarde, onder leiding van Rindert Brouwer en Jeannette Goudsmit richting Duitsland en Tsjechië en kreeg de naam: Tempus fugit, de tijd vliegt. Uiteraard werd Praag bezocht maar vermits de meerderheid onder ons Praag al wel eens bezocht of er zelfs al meerdere keren verbleef deze keer geen verslag van deze stad maar wil ik toch wat kwijt over ons bezoek aan Büchenwald.

Vanuit Weimar is het ongeveer een 10km rijden via de ‘Blutstrasse’ naar het Gedenkstätte Büchenwald. Diezelfde weg werd in de donkere oorlogsjaren door een massa mensen te voet aflegden. Wij, als toerist met de bus passeren tijdens deze rit de plek hun laatste eindstation. Haast zonder het te merken omdat er niet veel meer dan enkele overwoekerde rails te zien zijn. Maar het station was er wel degelijk. Van die plek af moesten ze nog een drietal kilometer te voet naar het kamp lopen: vandaar bloedweg. Een lange weg door een loofwoud waardoor deze mensen echt geen idee hadden waar ze uiteindelijk zouden terechtkomen. En het moet gezegd, op de bus was het opmerkelijk stil…ook wij hadden geen idee.

Allereerst houden we halt bij “het Mahnmal” een herinneringsmonument. Via een brede betegelde trap loop je langzaam naar beneden met aan de linkerzijde grote rechthoekige blokkenzuilen die de dagdagelijkse dingen van het kamp uitbeelden. Mij trof vooral een van de eerste afbeeldingen van een schuimbekkende hond die amper door zijn bewaker in bedwang werd gehouden, voorstelde. Ook een op een hoop gegooide magere lijken, de bewakers met hun zware laarzen en lange jassen. Een wandeling langs een stripverhaal, maar geen aangenaam verhaal.
Eens beneden start de “Strasse der Nationen”, beginnende met een ringgraf. Een grote cirkelvormige oppervlakte (voorheen een diepe put) omringd door een hoge muur waar vroeger de lijken werden ingegooid. In het midden een tweede en op het eindpunt de derde, de grootste met een enorme echo.
Vanwaar je dan weer omhoog klimt via een trappenwegrichting klokkentoren. Maar eerst passeer je nog 18 gedenkzuilen ter ere van de even zoveel nationaliteiten die hier omgekomen zijn (Strasse der Nationen).
Tijdens de klim word je aangetrokken door een grote beeldengroep die het verzet in het concentratiekamp uitbeeldt. Uitgemergelde mannen met diepliggende ogen en vooral een jongetje met het veel te grote hoofd is pakkend.
Dan pas merk je de weidsheid van de omgeving.

Vier uur, de klok begint te luiden en de metaalklank maakt het geheel nog wat triester.

Richting het oorspronkelijke kamp. Met de bus arriveren we op een plein met gele nette gebouwen. Voor mij is het een dorpsplein maar het blijken de voormalige woningen van de kampbewaarders te zijn. Het volgende is een gebouw met een klok en gietijzeren poort. Niet eens een imposante poort met als opschrift “Jeden das Seine”. Meer dan duidelijk kon het niet zijn, want eens binnen kon je het wel vergeten.
Een enorme vlakte, de vroegere appelplaats, maar nu nog grootser omdat de achterliggende barakken ondertussen werden afgebroken met alleen plaatsmarkeringen. Op één daarvan werd een gedenkteken voor de vermoorde Roma zigeuners opgesteld. Ontelbare rechtopstaande zwarte stenen, verspreidt over een volledig barakoppervlakte. En omdat de stenen vrij laag werden gehouden kan je het hele veld overzien. Op de voorste stenen werden de namen van de vernietigingskampen gegraveerd. Ook legden bezoekers keitjes op de voorste stenen om de slachtoffers te gedenken.
De verbrandingsoven heeft dan weer helemaal niets afschrikwekkends, een eenvoudig gebouw met een mastodont van een schouw erbovenop. Gewoon een oven.

Langs de andere kant van de omheining, nog geen twintig meter van de oven vandaan hadden de kampbewaarders een berenkuil gebouwd voor het vermaak van henzelf en hun familie.

Zelfs de honden hadden aan de betere kant van de omheining hun eigen gebouw! Over contrasten gesproken.
Een bezoek waar je stil van wordt...

Tekst en foto's :  Lin Verbeemen