Nieuwsbrief Nr. 65 - november 2011

Tante Kato ging op reis en zag de oorlogsbegraafplaatsen van Gallipoli, TurkijeWeer een nieuwe ontdekking van tante Kato.


* Eerste Wereldoorlog * 18 maart 1915 - 9 januari 1916 *

Stel je voor: een bus vol Engelstaligen van Australië, Nieuw-Zeeland, Groot-Brittannië, Ierland, Canada en de Verenigde Staten en daartussen vreemde eend Kato, die door de Turkse gids de Belçikali genoemd werd. Wat zij, die andere toeristen, daar deden, was vanzelfsprekend: hun grootouders of overgrootouders vochten tijdens de Groote Oorlog tegen de legers van de sultan en diens bondgenoot Duitsland. Zij waren daar op een soort herdenkingsbedevaart. Iets wat de Westhoek maar al te goed kent. En ik? Enerzijds geïnteresseerd in de geschiedenis en ook een beetje berekend “Zit daar een Kato in ?”.

Eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat wij daar in de buurt waren om Troje te zien. Een jongensdroom van mijn man kwam eindelijk uit. Als een helmboswuivende Achilles stond hij voor de muren van Troje (VI), ten strijde trekkend tegen een moderne vijand, die als een giftig wapen de ene na de andere lijkt te vellen. Terwijl mijn moedige strijder een dagje rust nam van tegen muren te vechten ging ik op excursie naar Gallipoli.

De belangrijkste (wat mij betreft) punten van de geschiedenis van Gallipoli (Gelibolu in het Turks) wil ik eerst op een rijtje zetten:

Feit 1: Nét vòòr Wereldoorlog I hadden de Osmanen (ik mag nog niet over de Turken of het land Turkije spreken) twee oorlogsbodems besteld én betaald in Groot-Brittannië. Bij het uitbreken van de oorlog besliste Winston Churchill, toen First Lord of the Admiralty (Minister van Marine), dat de levering niet kon doorgaan en dat het geld niet teruggestort werd. Geef toe: da ’s vragen om woede en de Zieke Man van Europa koos de kant van Duitsland.

Feit 2: Het tsaristische Rusland was in die tijd goed voor een groot deel van de graanproductie die West-Europa nodig had. 33% van de internationale handelsvloot lag vertrekkensklaar in de Zwarte Zee. De woedende Osmanen en Duitsers beslisten de Bosporus en de Dardanellen te sluiten voor alle geallieerd transport.

Gevolg: De Geallieerden stuurden een oorlogsvloot naar Gallipoli op de westelijke oever van de Dardanellen, ze landden er en belegerden het schiereiland gedurende 240 dagen: van 18 maart 1915 tot 9 januari 1916. Door die doorgang te blokkeren kregen de Geallieerden ook geen vat op Istanbul, wat toch wel een schone parel aan de Britse kroon zou geweest zijn.

De geschiedenis hangt soms aan mekaar van toevalligheden: rond 1911 had de dertigjarige Moustafa Kemal het schiereiland in kaart gebracht en nu een vreemd leger zijn bodem bezette, stelde hij zich kandidaat om daar het commando te voeren. Zo geschiedde. Een van de slogans van de kolonel was “Ik beveel jullie niet op te rukken en gebied te winnen, ik beveel jullie om hier te sterven. In die tijd kan versterking komen”. Maandenlang werd in loopgraven gevochten door de Mehmets en Selims tegen de Johnny’s en Tommy’s. Op sommige plaatsen was de afstand tussen de twee kampen slechts acht meter. Geen meter werd prijs gegeven tot de Geallieerden zich, staart tussen de benen, terugtrokken. Moustafa Kemal had zijn reputatie gevestigd en de succesvolle strateeg kon als redder van Gelibolu rekenen op de steun van de militairen en de bevolking. Hij schreef een brief aan alle moeders van de gevallen soldaten, waarmee hij niettegenstaande hun verdriet hun hart veroverde. Moustafa Kemal werd later uitgeroepen tot vader van de Turken: Ataturk (1881-1938).

In het 33.000 hectare grote Gallipoli Nationaal Park staan op de 70 begraafplaatsen talloze oorlogsmonumenten en er liggen 131.000 soldaten (34.000 Gemenebest, 10.000 Fransen en 87.000 Turken) begraven, een groot aantal in anonieme graven. De ravage was nog groter: tel daarbij nog 262.000 gewonden (97.000 Geallieerden en 165.000 Turken). Het is onbegonnen werk de begraafplaatsen en monumenten te beschrijven, dat doet de Commonwealth War Graves Commission wel.
Opmerkelijk is dat de graven er anders uitzien dan wat ik ken van de Westhoek en El Alamein. Geen rechtopstaande grafstenen maar kubusjes met een iets schuine deksteen. De wind kan hier serieus te keer gaan en op veel plaatsen is de ondergrond drassig. Dit ontwerp verhelpt dat de graven zouden wegzinken. Om diezelfde reden hebben de memorialen een brede onderbouw.
Ik wil één soldaat, één graf toelichten: John Simpson Kirkpatrick, geboren in Noord-Engeland, was in Australië verzeild geraakt en helemaal homesick daar down under bij het uitbreken van de oorlog vervoegde hij het Australische leger in de hoop naar Europa en dus dichter bij huis gestuurd te worden. Hij werd ingedeeld bij het Medical Corps en met zijn ezel Murphy bracht hij drinkwater naar het front. Hij redde op nog geen maand tijd 300 gewonde soldaten door ze van het slagveld en naar de verzorgingsbarakken te voeren. Tot hij, die fatale dag van 19 mei 1915, zelf getroffen werd door een Turkse sluipschutter. En Murphy, die bracht zijn baasje terug. ‘t Lijkt wel een interpretatie van de Wet van Murphy “als iets mis kan gaan, dan zal het zeker mis gaan”. John Simpson Kirkpatrick, 22 jaar oud, voor altijd verdwenen en begraven op Hell Spit Cemetery is niet vergeten. In Australië is “The man and his donkey” een nationale held.
Elk jaar herdenkt ANZAC (Australian and New Zealand Army Corps) zijn slachtoffers. De Kiwi’s op 18 maart en de Aussi’s op 24 april. Elk jaar komen duizenden afstammelingen en getrouwen naar Turkije gevlogen voor de plechtige herdenking. Alleen in 2010 was de herdenking in mineur. Toen strooide de Ijslandse vulkaan Eyja... (u weet wel) letterlijk roet in het eten.

Om deze brok geschiedenis te illustreren moet ik nog op zoek naar de film Gallipoli (1981) van het Australische duo regisseur Peter Weir en hoofdrolspeler Mel Gibson. Ook al is die blijkbaar niet correct en volledig opgenomen in Australië... Liever een boek waarin Gallipoli een belangrijke rol speelt? Weet dat ik onder de indruk was van “Birds without wings” van Louis de Bernières. De Nederlandse vertaling “Vogels zonder vleugels” werd uitgegeven bij de Arbeirderspers (2004).

Tekst en foto's : Tante Kato