Nieuwsbrief Nr. 63 - juli 2011

Tante Kato ging op reis en zag graf van tegenpaus Johannes XXIIIWeer een nieuwe ontdekking van tante Kato


Baldassarre Cossa * ca.1370-1419 * Battisterio di San Giovanni Battista, Firenze, Italië

Vòòr we naar Firenze/Florence vertrokken wist ik dat we in kerken en kapellen veel graven zouden zien. Schoon volk als Michelangelo, Galilei, Brunelleschi, Botticelli, Machiavelli, Rossini en de niet te versmaden Medici-familie. Welk graf zou mij het meest inspireren tot het schrijven van een stukje ?

Het werd (tegen)paus Johannes XXIII en wél omdat het mijn kinderjaren terug voor de geest bracht. Da’s eigen aan ouder worden. Toen Angelo Giuseppe Roncali (1881-1963) in 1958 tot paus verkozen werd en als pausennaam Johannes XXIII aannam, stonden curie, katholieke onderwijs en pers met open mond : “Hij neemt naam en nummer van een paus die als tegenpaus afgezet werd.” Straffe kost. Geen enkele paus had in die 500 jaar die naam willen of durven kiezen. Wie was die eerste Johannes XXIII dan wel ? Dàt was geen voer voor kleine meisjes, daar kreeg ik geen antwoord op. Logisch : slechts “ingewijden” kenden het antwoord en hielden dat voor zich. ‘t Waren tijden !

Nu, jaren later met nog altijd iets van het nieuwsgierige meisje in mij stond ik in het baptisterium van Firenze voor het graf van die duistere figuur uit het einde van de middeleeuwen. Tijd om iets meer over de man te weten te komen. Deze keer geen afwijzende en afwijkende stilte.

Baldassare Cossa kwam uit een verarmd adelijk gezin uit de buurt van Napels. Hij begon aan een militaire opleiding en omdat zijn twee broers zich met piraterij bezig hielden, kreeg hij de reputatie zelf een piraat te zijn. Wie weet ... Na zijn studies aan de universiteit van Bologna werd hij schatbewaarder van dé vaticaanfabriek. Het waren de gecompliceerde tijden van het Westers Schisma (1378-1417). Er was een paus in Rome, één in Avignon en één in Pisa. In 1410 werd Baldassare Cossa tot paus van Rome verkozen. Hij was pas de dag voordien priester gewijd, wat toen meer gebeurde. Nu hadden die drie pausen politieke, militaire én financiële steun nodig. Onze Johannes vond florijnen bij de voorzichtige en gereserveerde bankier Giovanni di Bicci de’ Medici, dé stamvader van de beroemde Medici’s van Firenze. De bank deed goede zaken in Rome en de Medici’s hielden er de prestigieuze positie van bankier van het Vaticaan aan over.

In 1415 werd Johannes XXIII beschuldigd van criminele praktijken, ketterij, meineed, moord én het verleiden van tweehonderd Bolognese schonen. Hij werd af- en gevangen gezet. Drie jaar later werd hij vrijgelaten nadat de trouwe Medici’s losgeld betaalden. Paus Martinus V (ambt 1417-1431) benoemde hem tot kardinaal-bisschop van Tusculum (huidig Frascati). Baldassare werd met open armen in Firenze ontvangen. Ook dit was van korte duur. Op 22 december 1419 blies hij zijn laatste adem uit. De begrafenisceremonie -in grote stijl- duurde negen dagen. In afwachting van zijn definitieve laatste rustplaats kreeg hij een voorlopig graf. Zijn weldoende bankier zorgde ervoor dat hij in het baptisterium van Johannes de Doper een praalgraf kreeg ontworpen door Donatello en Michelozzo.

Dat achthoekige baptisterium voor de Duomo is Firenze’s oudste gebouw. 


Of het nu dateert van de zesde of zevende eeuw, of het nu origineel een Romeinse tempel was, maakt niet uit. Zeker is dat er geschreven bronnen over het gebouw bestaan daterend van 897 en dat het baptisterium vergroot werd in de twaalfde en dertiende eeuw. Hier geen lofzangen over Ghiberti’s bronzen deuren. We gaan recht op ons doel af. Het mozaïeken plafond verdient enkele bladzijden proza, we blijven echter terzake: het meer dan zeven meter hoge en twee meter brede wandgraf van Johannes XXIII. 

Rechts van het altaar tegenover de oostelijke deuren, tussen twee monolitische Korintische zuilen is het majestueuze graf een blikvanger. Een korte beschrijving van boven naar onder :

Vanuit een bronzen ring lijkt een marmeren gedrapeerd baldakijn te vertrekken. Daarin een schelp met een reliëf van madonna en kind.

Daaronder op een door leeuwen gedragen baar de levensgrote vergulde bronzen gisant van de antipaus, gekleed in zijn liturgische gewaden.

Op de sarcofaag houden twee “engeltjes” een tekst vast met een Latijns opschrift dat vrij vertaald meldt “De vroegere Paus Johannes XXIII overleed in Firenze in het jaar 1419 op de elfde dag vòòr de kalendae van januari”. Op die paustitel kwam protest van Martinus V toen die het graf bezocht. Maar Firenze hield voet bij stuk : eens paus altijd paus.

Onder de sarcofaag in drie kleine nissen zijn afgebeeld : het familiewapen, de pauselijke tiara en het pauselijke wapenschild.

Tenslotte drie nissen met de theologische deugden Geloof, (naasten)Liefde en Hoop, elk een meter hoog en helemaal onderaan een fries met engeltjes.

En dat alles dus onder die meer dan overweldigende gouden koepel.

Het Westers Schisma met Johannes XXIII en zijn twee rivaliserende pausen eindigde in 1417. Ik had het daarstraks over de middeleeuwen, maar eigenlijk is deze tombe -op dat moment het grootste beeldhouwwerk van Firenze- het oudste voorbeeld van een Renaissance-praalgraf. Beëindigd rond 1427 en het laatste pausengraf dat zich buiten Rome bevindt. In de zestiende eeuw werd de tombe geopend en daaruit bleek dat de grafkleding helemaal overeenkwam met het beeld.

Onder de indruk stonden we terug buiten in een schitterend lentezonnetje en we vroegen ons af welke symboliek er achter die achthoekige gebouwen stond. Wél : volgens o.a. de christenen werd de wereld in zeven dagen geschapen en de achtste dag is de afronding met de Hemelvaart van Christus waar Hij boven de aardse zevendaagse tijdsindeling staat. Ingewijd in het christelijke geloof stapt men met de dood in de achtste dag zonder einde, zeg maar het beloofde paradijs. Als we er dan nog aan toevoegen dat dit baptisterium origineel omringd was door een begraafplaats...

Ja, dàt hebben we dan ook weer geleerd. Nu bent u ook een beetje “ingewijd”.

Tekst en foto's : Tante Kato