Nieuwsbrief Nr. 59 - januari 2011

Studiedag Brugs Funerair ErfgoedEen verslag van ons lid Leo Rondelez


Op donderdag 25 november had een studiedag plaats over het Brugs Funerair erfgoed. Er waren 7 sprekers voorzien en er waren, echt waar, 87 personen ingeschreven waarvan 15 grafzerkjes.

Na de eerste koffie (Philippe, Jacques en Ludo en Philippe, Jacques en Leo en een korte inleiding door Benoit KERVYN, Coördinator funerair erfgoed   verwelkomde Bernard DE CUYPER, schepen voor bevolking, burgerlijke stand en groen van de Stad Brugge de aanwezigen.  Hij had het ondermeer over het feit dat de Stad Brugge sinds 1989 bezig is met restauratie en behoud van monumentale grafmonumenten waarvan er thans 249 zijn hersteld voor een bedrag van 620.000 €. Er konden ook dit jaar door de campagne ‘Grafmonumenten nieuw leven ingeblazen’ een 20-tal grafmonumenten gered worden. Hij lichtte dan ook de rol van Benoit KERVYN toe die werd aangesteld als coördinator van het funerair erfgoed voor de Centrale Begraafplaats en de 8 andere kerkhoven.  Hij stelde daarbij ook dat de inbreng van alle vrijwilligers van onschatbare waarde is! Ook de eerste deelname aan de Europese week van de begraafplaats bracht zowat 219 mensen naar de Brugse begraafplaatsen.  Kortom in Brugge wordt wel een en ander gedaan in verband met het behoud van de grafmonumenten.

De eerste spreker was Brecht LAGAE van de dienst Monumentenwacht West-Vlaanderen en die had het over ‘Leven na de Dood’ wat voor hem inhoudt dat hij zich vooral inlaat met het verval van de organische en anorganische materialen gebruikt op de kerkhoven.  Aan de hand van dia’s toonde hij allerhande beschadigingen van grafmonumenten zoals het ‘opsteken’ van arduinen grafzerken,  de granulaire degradatie van witte marmer (eigenlijk kalksteen).  Er dient om de 2 jaar een inspectie te worden uitgevoerd omdat deze verschijnselen eigenlijk alleen maar verergeren.  Betonrot wordt veroorzaakt omdat meestal het betonijzer te dicht aan de oppervlakte zit. Terrazo kan niet worden hersteld. Bij brons is het aangeraden vernis te gebruiken of microkristallijne was; zeker geen chloor! Hij pleitte ook voor het verankeren van bronzen ornamenten tegen diefstal.  Hij stelde ook dat bij de verstoring van de visuele appreciatie er moet worden ingegrepen.  Dit wil zeggen dat bijvoorbeeld overhangende takken en klimop moeten worden verwijderd (schade aan de steen door zure regen + algenvorming en mos); beelden in de wintermaanden beschermen (‘Cliveden’ winterbescherming). Vooraleer te reinigen eerst goed nagaan met welk materiaal we te maken hebben.  Mossen op blauwe hardsteen kunnen op zich geen kwaad maar ze zijn zuur en houden het vocht vast waardoor bij vriezen de steen barst.  Verwijderen niet met hoge druk of door afstomen.  Dit beschadigd de steen verder. Er werd dan uitgebreid gehandeld over de behandeling van de beelden ‘Das trauernde Elternpaar’ van Kate KOLLWITZ.

Ronald VAN BELLE, historicus, gaf een overzicht in zijn lezing ‘Graven, Grafmonumenten en Grafsymboliek’ van de grafmonumenten sinds de 12e eeuw tot het decreet van Jozef II. Voor de 12e eeuw werden in een zeldzaam geval sarcofagen gebruikt maar niet in Vlaanderen. Deze trapeziumvormige graven werden meestal in Doornik gemaakt en werden versierd met een ‘levensboom’.  De oudste grafzerk in Brugge dateert van 1270. Vanaf de 13e eeuw zien we meer geïndividualiseerde graftombes met een beeltenis en een grafschrift. Dit kwam door de groeiende bevestiging van de vagevuurgedachte.  Zo wilden de clerus en de adel zo dicht mogelijk bij het altaar worden begraven en hoopten zij dankzij gebeden en giften het verblijf in het vagevuur te verkorten (aflaatbrieven). De gewone mensen werden in een lijkwade of in stro in een kuil op het kerkhof begraven.  De afbeeldingen waren onder andere de hemel als een versterkte stad waarvan de muren in het goud gekleurd waren. De doden werden meestal afgebeeld als een persoon van 33 jaar oud zijnde de leeftijd van Christus.  Ook werden onder de voeten draken, leeuwen (bij man voor macht en moed) of honden (bij vrouw als trouw en gehechtheid) afgebeeld. Vanaf de 14e eeuw wint de realiteitszin veld en wordt in tekstbanden verwezen naar de ijdelheid van het leven en manen aan tot bescheidenheid. De hemel wordt afgebeeld als een kathedraal en de dierfiguren verdwijnen (enkel nog bij de adellijken).  Er wordt ook meer nadruk gelegd op de hoge functies die de dode bekleedde. Door de reizen van handelaars naar het oosten werd het leven van Boedha ingevoerd (bescheidenheid) maar dan in een verchristelijkte versie.  De rijken die in de kerk werden begraven kregen een grafsteen of een bovengronds verheven graf waarop hun levensverhaal werd geschreven of afgebeeld.  Ook onzelievevrouw  was belangrijk om voorspraak te verkrijgen bij god.  Ook glasramen werden gebruikt als memorietaferelen.  Koperen platen werden in Brugge heel populair. In de Renaissance werd ook belang gehecht aan heraldiek waarbij een wapenschild met een helm er op wees dat de persoon van adel was.  Vanaf 1566 (Beeldenstorm) werden ontelbare grafmonumenten vernield en is er kolossaal veel verloren gegaan. Tijdens de 17e en 18e eeuw verdwijnen meer en meer de persoonsafbeeldingen en na het decreet van 1784 van Jozef II (verbod begraven in de kerken) ging de grafkunst in de kerken teloor.  Op de nieuwe begraafplaatsen buiten de steden onstond er een nieuwe grafkunst en symboliek.

Door Jean VAN CLEVEN, kunsthistoricus en afgevaardigd beheerder van vzw. Bethunianum werd een voordracht gegeven over de ‘Neogotiek op de Brugse begraafplaatsen’.  In de 19e eeuw was Brugge een belangrijk centrum van de internationale neogotiek waarvan zelfs al tekenen waren aan het eind van 18e eeuw met de herinrichting van de Lanchalskapel (O-L-V-kerk) als decor voor de Bourgondische praalgraven. Hij deelt de gotiek in volgens de ‘Vroege periode zijnde 1800-1850’.  Daarin speelt de Belgische onafhankelijkheid in 1830 zijn rol.  Van dan af duiken de eerste elementen op in de kerken, aan de huisgevels en op de begraafplaatsen onder de vorm van eenvoudige ‘steles’ met een ezelsrug- of accoladeboog.  We zien dan ook de opkomst van gietijzeren kruisen. Dan volgde de ‘Rijpe neogotiek 1850-1865’ waarvan Brugge het internationaal centrum werd onder impuls van bisschop J.B. MALOU.  De funeraire kunst was gebaseerd op ‘Les vrais principes de l’architecture ogivale’ gepubliceerd in 1850 door de Engelse architect T.H. KING, een volgeling van A.W.N. PUGIN. Aan de hand van deze principes werd in Brugge de nieuwe Magdalenakerk gebouwd.  De heidense kunst werd tegenover de christelijke kunst geplaatst.  Op de begraafplaats rond de kerk van Sint-Kruis zijn 2 van de belangrijkste voorbeelden van deze strekking te zien, namelijk dat van DEZITTER-POTTEVYN (ontworpen door JB. BETHUNE op initiatief van kanunnik CH. CARTON) en dat van ROSKELL-KAYE gerealiseerd door KING (maar een letterlijke kopie van een werk van PUGIN). Een ‘raadsel’ is het model voor het grafteken (tekening van PUGIN)  voor de zusters van Spermalie dat uiteindelijk op een stuntelige manier op het graf van Henri Heldenberg  werd geplaatst op de begraafplaats van Roeselare. Tot het einde van de 19e eeuw werden de ontwerpen van T.H. KING zelf veelvuldig gereproduceerd door de Brugse steenhouwers.  Onder invloed van JB. BETHUNE werd overgeschakeld van de pinakelvorm naar het lijkkistvormig type (zie graf van kanunnik VAN COILLIE). Andere ontwerpers waren Ch. VAN ROBAYS, Samuel COUCKE en L. GROSSé. Belangrijk was de bouw onder impuls van bisschop MALOU van de grafkapel van het kapittel naar een ontwerp van BETHUNE op het ‘Raepstick’ waar de Brugse Centrale begraafplaats werd opgericht. Door daar een kapel  te bouwen voorkwam men in Brugge een pijnlijke ‘kerkhovenstrijd’ die in die tijd overal woedde. Toen kwam de derde periode, de zogenaamde ‘Reformed Gothic’ van 1965 tot 1885. Door de verarming van Brugge werd teruggegrepen naar de vroeggotiek vertegenwoordigd door Willam Curtis BRANGWYN. Van die periode dateren grafmonumenten of werken van Bauwens-Feys (1867), Eyre , de gotische zaal van het Stadhuis en het grafmonument van Guido Gezelle.  Door de zeehaven kwam er nieuwe welstand tegen het einde van de 19e eeuw –begin 20e eeuw resulterend in de bouw van het Provinciaal Hof op de markt en andere bouwwerken van architect Louis Dela Censerie.

Door Heidi GOEMINNE van de groendienst van Stad Brugge werd eerst een opsomming gegeven van de symboliek van de beplantingen gebruikt op kerkhoven zijnde de zomerlinde en leilinde (verbondenheid en bescherming), de treurboom (brengt melancholische droevige sfeer), taxus (bij de Kelten boom van de dood en een geestenwerende kracht die de boze geesten buiten houdt), buxus (altijd groene bladeren wijzen op onsterfelijkheid en later via godin Aphrodite de liefde, vruchtbaarheid en de dood), hulst (wintergroene bladeren en rode bessen verwijzen naar eeuwig leven en vooruitziendheid maar ook het lijden van Jezus en de doornenkroon), klimop (duurzaamheid, vruchtbaarheid, wedergeboorte en eeuwig leven en volharding), zonnebloem (symbool van het gezicht of de ziel die altijd naar het licht (Christus) is gedraaid). Door het Vlaamse parlement werd beslist in 2001 om het gebruik van chemische middelen drastisch te verminderen en daarom is voor begraafplaatsen bewust gekozen voor een stapsgewijze afbouw. Om dit te verwezenlijken werd geopteerd voor een duidelijke gelaagdheid in de beplanting. De omvorming gebeurt in 2 of 3 fasen. Eerst gras dan bodembedekkers (die onkruid weren) en dan hogere plantengroei.  De dolomiet en het zand worden daardoor vervangen.  Het wieden gebeurt met de hand.  Spreekster verwees als voorbeelden naar de ‘park’begraafplaats Marienbjerg Kirkegard te Kopenhagen (groene kamers, beukenhagen zodat er geen verplichtingen zijn voor de nabestaanden om het graf te onderhouden of te versieren) en de Parkbegraafplaats ‘Blauwe Toren’ te Brugge waar ook het crematorium is gevestigd (afzonderlijke kamers met groepjes graven zodat intimiteit wordt bewaard).  Zij had het ook nog over de kracht van mossen(?).  Volgens een studie van de Universiteit Gent zijn er op de Centrale begraafplaats 37 verschillende mossen te vinden en 87 soorten korstmossen wat veel meer is dan in bijvoorbeeld Antwerpen. Dit zou te wijten zijn aan het zeeklimaat want het is pas vanaf de Ardennen dat op arduin zoveel soorten mossen voorkomen. Spreekster vindt dus dat de mossen moeten blijven.

Noot: ons Oppergrafzerkje (Jacques dus) lag bijna in coma na deze toespraak wetende dat nog een zekere Andy Malengier nog over spirituele landschapsarchitectuur zou spreken.  Nee ik heb hem gelukkig niet moeten reanimeren!

Door Stehanie HAP , kunstwetenschapster, werd ons uitleg gegeven over haar uitgebreid archiefonderzoek met betrekking tot het Brugs funerair erfgoed. Na de afschaffing van de eeuwigdurende concessie in 1971 kwam onderzoek naar funerair erfgoed in een stroomversnelling. Vanaf 1984 worden er door elke gemeente thans inventarissen opgemaakt van de grafmonumenten. Over de begraafplaatsen te Gent, Brussel en Antwerpen bestaan reeds omvangrijke publicaties doch niet zo voor Brugge. Eigenaardig, aangezien Brugge een voortrekkersrol speelde op het vlak van behoud en beheer.  In 1978 reeds werd de Stedelijke Commissie voor Graftekens opgericht en Brugge was ook de eerste om het principe van het ‘hergebruik’ toe te passen waarbij een budget werd vrijgemaakt om te restaureren en premies toe te kennen aan particuliere restauraties (er bestaat een fiche algemene omschrijving, uit te voeren werken, algemeen technische beschrijving en de prijsbepaling). Het rijk bewaarde archief werd digitaal ontsloten waardoor de grafconcessies kunsthistorisch konden worden geanalyseerd.  Het archief bestond uit 65 dozen waarin de rekeningen 1805-1869, de staten van de kapelaan 1865-1867, de begrafenisrechten 1883-1939, de staten van begravingen 1842-1860, de grondvergunningen 1818-1905 en de infrastructuur.  De archiefdocumenten werden vergeleken met de bestaande grafmonumenten.  De databank bevat fiches vanaf 1818 tot 1905 waarop ondermeer de typologische en de stilistische kenmerken worden weergegeven.  Daaruit blijkt de grote Franse invloed. De modelboeken & kopieën tonen de Franse kopieën (dus weinig originele ontwerpen), ondermeer 4 x dezelfde treurende dame, het kopiëren door eenzelfde ontwerpen/uitvoerder en ook aanpassingen en toevoegingen van een bestaand monument (zie graf WEMAER – doodshoofd op kussen). De ontwerpers zijn ofwel onbekende ambachtslieden ofwel bekende kunstenaars. Daarover werd informatiegevonden in de concessiedossiers (tekeningen, aanvraagbrieven, plannen), almanakken (Wegwijzer waarin opsomming handelslieden), werkboekjes, uithangborden, bouwaanvragen, bevolkingsregisters. Twee casussen illustreerden bovenstaande, namelijk de verblijfplaatsen van Louis PYCK (28/7/38-3/6/1910) en het grafmonument PICKERY op de Centrale begraafplaats waar er een discrepantie bestaat tussen het monument zelf en de overleden persoon alsmede het blijkbaar ontbreken van een pleurante die wel voorkwam op de ontwerptekening. Spreekster pleitte ook voor de uitbreiding van de databank tot heden alhoewel er nu reeds 2831 fiches bestaan. 

Tenslotte werden we vergast op een diavoorstelling met muziek van landschapsarchitect Andy MALENGIER.  Bij zijn ontwerpen gaat hij uit van de innerlijke ervaringen die leiden tot een ‘spirituele landschapsarchitectuur’.  Daarbij gebruikt hij 5 ontwerpaspecten: natuur, respect (poorten), eenvoud, overgang en afscheid.   Hij toonde ook de confrontatie tussen België (rommelig) en Engeland (krachtig met veel groen). Hij lichtte ook het nog te realiseren monument ‘Brothers-in-arms memorial project’ toe. De getoonde beelden en de achterliggende filosofieën stemden blijkbaar menige aanwezige tot stilte en nadenken. Het blijft de vraag welke weg er verder zal moeten worden bewandeld bij het ontwerpen van nieuwe (park)begraafplaatsen.

Zoals u merkt aan bovenstaand omstandig relaas waren alle sprekers heel onderlegd in hun materie en wisten ze daar heel veel over te vertellen maar de tijd was helaas te beperkt.

Brugge, 25.11.2010 

Tekst :Leo RONDELEZ  (indien meer info gewenst e-mail: [email protected])

Foto's : vzw Grafzerkje