Nieuwsbrief Nr. 58 - november 2010

York en Hubberholmeonze An Hernalsteen maakte een verslag van haar tocht doorheen Engeland.


Met de helft van onze huisraad in een rugzak gepropt, op stap van Helmsley (North York Moors) naar de Lake District. Een akkefietje van pakweg 240 km. Af en toe het pad verlaten en een funerair zijsprongetje maken, mijn trouwe tweevoeter achter mij aan sleurend, moet kunnen.

York Minster

Te veel om allemaal te beschrijven maar wat mij in Groot-Brittannië altijd vertederd zijn de knielende, biddende Renaissance-poppetjes in hun kijkkastjes (Whittam; Ingram; Swinburn; Miles). Zie eens hoe devoot ik ben en hoe ik mijn biddende best doe om in de hemel te geraken.

Hier en daar zit er een klepper tussen waar je iets meer informatie over vindt. Zoals Matthew Hutton (1529-1606) aartsbisschop van York (1595-1606) die van de vrouwtjes hield en achtereenvolgens Catherine Fulmesby (1565), Beatrice Fincham (1567) en Frances, weduwe van Martin Bowes (1582) versleet, met een gans nest kinderen als kroostrijk resultaat.

John Dolben (1625-1686) aartsbisschop vanaf 1683, ligt in zijn corpulente zelf, bombastisch zwaarwichtig te doen.

Hubberholme

Een godvergeten boerengat ergens in de Yorkshire Dales. Een kerk, een pub, enkele boerderijen en dat is het. Maar volgens John Boyton Priestley (1894-1984), JB Priestley voor de vrienden, de mooiste plek op deze wereldbol. Zijn “An inspector calls” behoorde ooit tot mijn verplichte Engelse schoolliteratuur. Ik ga eerlijk zijn, van die “inspector” kan ik mij na al die jaren nog bitter weinig herinneren (dringend eens herlezen dat boekje) maar de naam van de auteur JB Priestley is blijven hangen.

In het kerkje van Hubberholme hangt een plaat waarop duidelijk te lezen staat dat zijn asse ergens in de nabijheid werd bijgezet. Wij dus in de gietende regen het kerkhof op, op zoek naar de eeuwige stek voor JB. We vinden niets en denken dat we door het water in onze ogen erover gekeken hebben. We beslissen om de troepen, bestaande uit 2 zielig kletsnatte figuren, op te splitsen en de techniek van “verdeel en heers” toe te passen. Elk zal de helft van het kerkhofje opnieuw minutieus onderzoeken want vinden zullen we hem. Nog altijd niets. We overvallen een autochtoon op een tractor. Wat volgt is een toneelstuk JB waardig.

Boer (met zwaar York’s accent): Asse werd uitgestrooid, niets verwijst nog naar die man.

Sterreporter (Engels met Vlaams accent): Hoezo, in de kerk op die plaat staat…….

Boer: Ik weet het, maar ik was erbij, bij die uitstrooiing, deed veel stof opwaaien. Elke dag zien we hier in het dorp bewonderaars van JB’s werk, als dolende zielen over het kerkhof dwalen, zoekenden in de woestijn zijn het (schudt het hoofd bij zoveel idioot gedrag).

Sterreporter: Bedankt, we gaan er in de pub een “pint” op pakken.

Moraal van deze komedie, vraag altijd eerst aan een autochtoon op een tractor hoe de vork in de aardappel steekt, je komt vlugger aan je “pint” toe.

Toch hebben we Hubberholme niet zonder een speciaal graf, een ware schat, verlaten. Een hazelaar (hazel) voor Hazel met daarbij een prachtig gedicht.

I love to plant a growing thing-

A tree, a shrub a vine.

And know it will for years and years

Keep growing there, a sign-

To children, who come after

That someone thought of them,

And left behind a living friend

More precious than a gem.

-- For Hazel 1920-2006

Ook voor Hazel hebben we er enen gedronken.

An Hernalsteen, foto’s An Hernalsteen en Dirk Joos