Nieuwsbrief Nr. 57 - september 2010

Sterven in stijlTweedaagse cursus Amarant


Een tweedaagse, ingericht door Amarant, cursus “Sterven in stijl gevolgd samen met nog enkele leden van vzw Grafzerkje. Lesgever was ons lid Stefan Van Camp. Een eerste luik werd gevuld met het verklaren van een aantal funeraire begrippen. Sommigen worden vaak verkeerdelijk gebezigd. Stefan zijn betoog werd rijkelijk geïllustreerd met voorbeelden wat het voor de minder funerair bevlogen deelnemers heel duidelijk maakte. Soms was de, misschien ongewilde, humor niet ver weg. Wat te denken van Karel de Grote die in 785 crematie verbood … op straffe van dood? In een tweede hoofdstuk belichtte Stefan Van Camp de geschiedenis van het sterven. Hier leerden we het verschil tussen de “getemde dood”, men wordt gewaarschuwd dat men gaat sterven, de stervende neemt zijn voorzorgen, krijgt vergiffenis en de “ongetemde dood”, na de invoering, in 1215, van een zevende werk van barmhartigheid: het begraven van de doden en het verschijnen van lijken in de kunst en literatuur. Het ging ook nog over de dood in de Romantiek waarbij de dood een erotische lading krijgt; thanatos verbindt zich met eros en het testament compleet gelaïciseerd wordt: de stervende toont aan zijn nabestaanden een vertrouwen dat hij hen voordien geweigerd heeft. Het hoofdstuk werd afgesloten met de “verbannen dood”. Het ritueel verliest zijn dramatische lading en men sterft niet meer thuis. Uiteindelijk is de dood een taboe geworden en vervangt de seksualiteit als belangrijkste verbod: men spreekt van de “pornografie van de dood”.Stefan Van Camp schetste dan de historische evolutie van het begraven. Een volgend hoofdstuk was gewijd aan de cultus van martelaren en relieken. Weerom geïllustreerd met ontelbare voorbeelden van primaire relieken, het lichaam zelf of delen ervan, secundaire relieken, voorwerpen waarmee de heilige tijdens zijn leven in aanraking kwam en tertiaire of aanrakingsrelieken. Een laatste item dat de eerste cursusdag aan bod kwam waren de dodenlantaarns en de ossuaria. Daar kwamen de geruimde knekels en schedels terecht. Typische inscripties waren dikwijls een dialoog tussen doden en levenden. Denk maar aan “Heute Mir, Morgen Dir” of “Passant penses-tu pas passer par ce passage?”.

Dag twee begon met een hoofdstuk gewijd aan de dodendansen. De beroemdste ervan bevond zich in het Cimetière des Innocents in Parijs. Deze dodendans is reeds lang verdwenen maar gelukkig bestaan er nog illustraties van. Ook het Duitstalig gebied kende een aanzienlijk aantal dodendansen. Stefan Van Camp had het hier ook nog over een aanverwant thema “Dit des trois morts et des trois vifs”: die luxueus geklede jonge ridders staan plots oog in oog met drie skeletten die hen moraliserend toespreken. Dan ging het over de evolutie van de types van grafmonumenten. Gestart werd bij de grafzerk in de kerk later vervangen door een gebeeldhouwde grafzerk. Om praktische redenen werden de grafzerken verticaal geplaatst. In een latere periode komt de gisant, liggende figuur, aan bod. Dan was het de beurt aan het epitaaf: meestal omvattend een busteportret van de overledene, diens aankomst in de hemel, de begrafenisscene en een voorstelling aan de gekruisigde Christus door de patroonheilige van de overledene. Een volgende stap was het grafmonumenten waarbij Stefan, terecht, veel oog had voor de daarbij aanwezig zijnde pleurants met als summum het graf van Filips de Stoute. Soms krijgt men een praalgraf op twee verdiepingen: beneden de transi, het al een staat van ontbinding verkerende lichaam, en boven een gisant of een priant, een biddende figuur. Wereldbekend is het praalgraf voor Louis XII en Anne de Bretagne in Saint Denis. Ook ging het kort over het apart begraven van hart en ingewanden. Eindigen deed Stefan Van Camp met het graf, lees: cenotaaf = geen lichaam bevattend, voor Jean Jacques Rousseau in Ermenonville. Met een graf in een aangelegde landschapsomgeving wat een nieuwe trend in het begraven inluidde kwam een eind aan deze boeiende voordracht van Stefan Van Camp.

Jacques Buermans