Nieuwsbrief Nr. 53 - januari 2010

Edinburgh Deel 1Onze An Hernalsteen trok naar Schotland en maakte volgend verslag. In deze Nieuwsbrief deel 1


Edinburgh Castle

Op het plein voor het kasteel (Castle Esplanade) ligt vaandrig Charles Ewart begraven (Kilmarnock 1796- Salford 23 mei 1846).

Op 18 juni 1815, gedurende de slag van Waterloo, maakte sergeant Charles Ewart deel uit van de Royal Scots Grey. Na een manhaftig gevecht, waarbij hij verschillende Fransen in mootjes hakte, slaagde Charles er eigenhandig in de keizerlijke standaard te veroveren van het Franse 45ste infanterieregiment, beter bekend als de onoverwinnelijke.

Toen de zegevierende troepen Brussel binnenmarcheerden, droeg hij het kleinood en werd hij door een uitzinnige menigte toegejuicht.

Eenmaal terug in het vaderland promoveerde men hem tot vaandrig.

Charles Ewart stierf op 77 jarige leeftijd een vredige dood, thuis in zijn bed. Hij werd te Salford begraven.

Later ontwijdde men de kerk, het gebouw toverde men om tot fabriek. Bij werken in 1937 herontdekte men het graf van de moedige vaandrig, zijn stoffelijke resten werden ontgraven en in 1938 naar de Esplanade overgebracht en herbegraven. Zijn eeuwige slaap duurde nu 30 jaar want rond 1967 besliste men om het kasteel te restaureren en Charles lag in de weg. De stakker werd opnieuw uit de grond gehaald en naar Preston Hall (Midlothian) op transport gezet. Pas toen het kasteel er picco bello bij lag, mocht hij terugkeren.

Nu rust hij onder een blok grijze, Noorse graniet.

In de “regimental museums”, binnen de muren van het kasteel, (een dure grap maar ik vond het de moeite) bewaart men de standaard met adelaar. Ook allerhande snuisterijen van de vaandrig zijn te bewonderen zoals het zwaard dat hij in Waterloo hanteerde, zijn Waterloo-medaille voor bewezen moed, een horloge dat hij in Parijs kocht, zijn zilveren snuifdoos.

In de “Great Hall” hangt het schilderij “Het gevecht voor de standaard” waarop men de dappere kerel in volle actie kan bewonderen.

Eveneens in het kasteel en alleen te bekijken in vogelperspectief vanaf de walmuur bevindt zich een klein hondenkerkhofje. Sedert 1840 worden hier regimentmascottes en de lievelingen van de officieren begraven.

Jess stierf in 1881 en was de trouwe hond van het 42ste Royal Highlanders.

Dobbler volgde 9 jaar lang, tot aan zijn dood in 1893, de Argyll en Sutherland Highlanders. Hij was een echte wereldreiziger en bezocht met zijn baasjes o.a. Zuid-Afrika, China en Sri Lanka.

ST. GILES

Deze kerk herbergt binnen de muren de praalgraven van twee politieke opponenten.

In het ene mausoleum rust James Graham, eerste markies van Montrose (1612-1650), alias “the great Montrose”. Leider van de Graham clan en aanhanger van Charles I.

Maar het waren turbulente tijden voor de Schotse adel en de koppen rolden. James werd gearresteerd, gefolterd en op 20 mei 1650 ter dood veroordeeld en een dag later opgehangen. Het lijk verloor zijn hoofd en ledematen. Het hoofd spietste men aan de Tolbooth op een speer. Armen en benen gingen op transport naar Glasgow, Perth, Stirling en Aberdeen. Nadat het hart er door zijn nicht Lady Napier was uitgehaald, verdween de romp in de ongewijde grond van Burgh Muir (een gehucht ten zuiden van het oude stadscentrum). James politieke tegenstander, Archibald Campbell keek toe en zag dat het goed was. Maar het kan verkeren zei Bredero en in 1661 kreeg James eerherstel.

Op 7 januari 1661 werd het lichaam (of wat er nog van restte) van onze onfortuinlijke held opgegraven, in een kist geplaatst en onder een fluwelen baldakijn vervoerd richting Tolbooth, waar men “en passant” het hoofd opdiepte. Vanuit de vier windstreken kwamen armen en benen  terug naar Edinburgh. In een rijk versierde kist kon men gans het zootje in Holyrood Palace gaan bewonderen. Op 11 mei 1661 kregen alle stukjes “great Montrose” een luisterrijke bijzetting in St Giles.

Op het graf plaatste men een vers uit zijn eigen dichtersziel ontsproten.

“Scatter my ashes, strew them in the air
Lord, since thou knowest where all these atoms are…”

Een staatsbegrafenis voor de één, betekent meestal de val van de andere. Bijna pal tegenover James Montrose kreeg Archibald Campbell zijn laatste stek of cenotaaf  (nog altijd een discussie of hij er ook begraven ligt want dit monument zou pas van 1895 dateren).

Archibald Campbell, markies van Argyll (1607-1661) stond aan het hoofd van de Campbell clan en keek volgens de overlevering zo scheel als een otter. In 1651 mocht hij te Scone de kroon op het hoofd van Charles II neerpoten en was het nog koekenbak tussen hen beiden. In 1661 echter viel hij in ongenade, werd op water en brood gezet en onthoofd. Zijn koppeke nam de plaats in van dat van Montrose aan de Tolbooth. Het lichaam werd begraven te Holy Loch. Pas drie jaar later kreeg Archie zijn hoofd terug.

Aan de ene kant van het orgel vinden we Walter Chepman terug (1473-1538), een handelaar en in 1494 als griffier verbonden aan het Koninklijk Secretariaat. Walter financierde de eerste Schotse commerciële drukpers onder leiding van Andrew Millar. Tot meerdere eer en glorie van zijn mecenas, wijlen James IV liet Chepman in 1513 deze kapel inrichten waar hij in 1538 zelf begraven werd.

Aan de andere kant van het orgel verwijst een grijs, eenvoudig monument naar James Stewart, graaf van Moray (1531-1570). Hij was de onwettige zoon van James V en bijgevolg de halfbroer van Mary, Queen of Scots. James Stewart speelde een belangrijke rol in de Schotse politiek. In 1570 werd hij gedurende zijn tocht van Stirling naar Edinburgh doodgeschoten door Hamilton van Bothwellhaugh wiens leven hij twee jaar voordien gered had in de veldslag van Langside. Moraal van dit verhaal, red nooit iemands leven tijdens een veldslag.

Op één van de zuilen is een herdenkingsplaat bevestigd voor James Dalrymple, burggraaf Stair (1619-1695), een prof filosofie die de universiteit verliet in 1648 om advocaat te gaan spelen. Olver Cromwell promoveerde hem tot rechter in 1657 en oh wonder onder Charles II mocht hij zijn ambt verder uitoefenen. In 1670 werd hij parlementslid, viel uiteindelijk toch in ongenade en vluchtte in 1682 naar Nederland. In 1688 keerde hij met Willem III van Oranje terug naar zijn moederland. James Dalrymple schreef een turf van een boek in verband met het Schots  rechterlijk stelsel.

Zijn dochter Janet verwierf via een omweg wereldfaam. In 1669, een maand na haar huwelijk, verdween ze spoorloos. Sir Walter Scott vond in deze mysterieuze verdwijning zijn inspiratie voor “the bride of Lammermuir” en Donizetti vond het een fantastisch gegeven om er een opera (Lucia di Lammermoor) aan te wijden.

JOHN KNOX, DE MAN MET EEN TEGELTJE ALS MONUMENT

Naast St. Giles werd op de gronden van het kerkhof Parliament Square aangelegd. Op parkeerplaats 23 markeert een tegeltje het graf van John Knox (1512-1572), de spilfiguur van de Schotse Reformatie en een ongelofelijke oude snoeper. In 1553 huwde hij Marjorie Bowes die qua leeftijd zijn dochter kon zijn. Zij stierf in 1560 en John Knox begon een zoektocht naar een kersverse bruid. In 1564 stootte hij op Margaret Stewart. Hij was er 52, zij telde met moeite 17 lentes.

Als streng protestant is John waarschijnlijk superblij met zijn tegeltjesgraf want soberder dan dit kan het niet.

An Hernalsteen, ook foto's.