Nieuwsbrief Nr. 53 - januari 2010

Tante Kato ging op reisen zag het praalgraf van koningin Louise-Marie van België


Louise-Marie van Orléans * 1812-1850 * Oostende, België

Eind november en een weekje naar Oostende.  ‘t Kan regenen, ‘t kan waaien, de zon kan schijnen.  We kregen alles behalve storm op zee.  We hadden prints meegenomen van de Grafzerkje-rondleiding in Oostende (nieuwsbrief 36; juli 2007) en toen we de avonturen van voorzitter Buermans lazen, wisten we “We moeten naar dat praalgraf van Louise-Marie”.

We telefoneerden op vrijdagochtend.  “Is de grafkapel deze namiddag rond 3 uur open ?”.  “Geen probleem, ik verwittig mijn collega”.  We waren er om 3.15 uur en werden er toch even op gewezen dat we te laat waren op onze “afspraak”.  Blijkbaar is een spraakverwarring tussen Antwerpen en de kust een natuurverschijnsel.  Maar kom, niet gezeurd : we kregen een uitstekende rondleiding van onze koster van dienst (hij werd al grappend professor Georges genoemd door een trouwe kerkganger).

Eerst ging alle lof naar de neogotische architect van kerk en grafkapel.  “U weet toch dat de Bruggeling Louis Delacenserie (1838-1909) ook dé architect is van het Centraal Station van Antwerpen ?”  De verbroedering Oostende - Antwerpen was begonnen.  Dan moesten we de glasramen van Michel Martens (1921-2006) bewonderen.  Dat hadden we trouwens al gedaan en we waren al tot de constatering gekomen “Dit zijn wél heel mooie moderne glasramen”.  Het motto van de kunstenaar was dan ook “Licht is mijn materie, glas mijn medium”.  Martens werkte na Wereldoorlog II gedurende zo’n 7 jaar aan deze glasramen.  De toegang tot de grafkapel is achter het hoofdaltaar en we werden verwittigd op te passen voor ons hoofd.  De vleugels van de adelaar van de (missaal)lezenaar zijn ijzerscherp en de poetsvrouw zet die altijd in het midden van de doorgang.  Bovendien zijn er ook al dames van de gladde en lichtjesdraaiende marmeren trap gevallen.  Via een gang bereikt men het praalgraf dat zich eigenlijk één verdieping boven de begane grond bevindt.  

In de grafkapel was het vochtig en koud.  Er scheen geen zon waardoor men niet afgeleid werd door het kleurenspel van de glasramen en het praalgraf alle aandacht kreeg.    Het Carraramarmer was wit en bleef wit.  Beeldhouwer Charles August Fraikin (1817-1893) uit Herentals stelde met dit beeld de laatste dagen van Louise-Marie voor : de stervende koningin, in het gezelschap van de treurende “stad Oostende” (gezeten in een kogge), krijgt van een engel de hemelse kroon. In de linkerhand draagt het hemelse wezen een olijftak, hét symbool voor de vrede.  De beeldhouwer besteedde ontzettend veel aandacht aan de details : de gevallen bloemen, het kantwerk van de mouwen, de franjes en de expressie op de gezichten.  Als de naam Fraikin niet direct iets oproept, we kennen hem allemaal sinds onze schoolbanken via zijn monument voor de graven Egmont en Hoorn op de Brusselse Zavel.

Boven het praalgraf zag ik het Belgische wapenschild met de originele Nederlandse wapenspreuk “Eendracht baart macht”.  ‘k Stond toch even verbaasd te kijken.  De glasramen stellen bijbelse koningen als David en Salomon voor.  En voor de rest is het marmer, marmer-inlegwerk en nog eens marmer.

Voor we naar Oostende vertrokken had ik één en ander opgefrist over onze eerste koningin : Louise-Marie was de dochter van de Franse koning Louis-Philippe en was een afstammelinge van de Bourbons, de Orléans en de Habsburgers.  Toen ze twintig was (1832) trouwde ze met Leopold I, dubbel zo oud, weduwnaar en de kersverse koning van België.  Louise-Marie kwam uit een katholiek nest en ze kreeg van haar gemaal -protestant en vrijmetselaar- gedaan dat de kinderen rooms-katholiek zouden opgroeien.  Het echtpaar kreeg vier kinderen : Louis-Philippe (1833, die al in 1834 overleed), de latere Leopold II (1835), Filips (1837; vader van Albert I) en Charlotte (1840) of beter : de tragische keizerin Carlotta van Mexico.  Volgens onze koster had Louise-Marie een gouden hart; ze was gul, vrijgevig, liefdadig maar ze had een zwakke gezondheid.  Haar contacten met het gewone volk leidden tot tuberculose en uiteindelijk naar haar dood op 38-jarige leeftijd.

Louise-Marie hield van Oostende, ze had er een zomerpaleis in de Langestraat.  Daar overleed zij op 11 oktober 1850.  Haar lichaam werd per trein naar Brussel overgebracht en werd begraven op het kerkhof van Laken.  Vanaf 1854 werd er door architect Joseph Poelaert een Onze-Lieve-Vrouwekerk gebouwd, als aandenken aan de eerste koningin.  Rond 1872 verhuisde haar lichaam naar de koninklijke crypte.

En het praalgraf ?  Fraikin beëindigde zijn opdracht in 1855 en het beeldhouwwerk werd eerst tentoongesteld in verschillende Europese steden, waarna het overgebracht werd naar de Oostendse Sint-Pieterskerk.  Tijdens de brand van de kerk (1896) bleef het beeld gespaard.  Leopold II gaf opdracht de kerk te herbouwen, deze maal als Sint-Petrus-en-Pauluskerk (ingehuldigd 1905) en hij liet in de lengteas een zeshoekige kapel bijbouwen voor het praalgraf van zijn moeder.  De buitengevel van deze kapel werd versierd met beelden van vier heilige vorstinnen : Elisabeth van Hongarije, Clothilde van Frankrijk, Elisabeth van Portugal en Bathilde van Frankrijk.

Leopold II gaf Oostende een tweede geschenk : de titel “Koningin der Badsteden”, nog regelmatig gebruikt.

Toen ik aan onze voorzitter voorstelde een stukje te maken over dit praalgraf, stuurde hij mij spontaan zijn foto’s want hij was er inmiddels in geslaagd op een drafje binnen te glippen om enkele foto’s te nemen.  Maar toen scheen de zon; lastig voor fotograaf Buermans.  Ik neem dankbaar één van zijn foto’s op en zeg : bekijk zelf het verschil.  Persoonlijk ben ik erg gecharmeerd door het kleurenspel, maar da’s misschien omdat ik het zò niet zag.

Tekst en foto's : Tante Kato