Nieuwsbrief Nr. 51 - september 2009

Tante Kato ging op reisEn zag het graf van Picasso


Pablo Ruiz y Picasso * 1881-1973 * Vauvenargues, Frankrijk

 

Deze zomer hadden we twee reizen gepland : in juni naar Sagalassos, Turkije en in september een halve ronde van Spanje. Mooie vooruitzichten. Midden april lazen we in de krant een artikel “Verhuizen met Picasso” : een trip langs de Zuid-Franse woonplaatsen van de meester. Jammer, maar dit kan er deze zomer écht niet meer bij. Het zou té gulzig zijn. Een jaar uitstellen? Nee, want het kasteel van Vauvenargues, waar Picasso begraven ligt, was in 2009 uitzonderlijk geopend voor het publiek. Reden daarvoor de grote Picasso-Cézanne tentoonstelling in het nabijgelegen Aix-en-Provence. Niet toevallig was het nét vijftig jaar geleden dat Picasso zich effectief in Vauvenargues vestigde. Eigenlijk was het een “nu of nooit” verhaal.

Het lot besliste voor ons. Vanwege ziekte van mijn echtgenoot dienden alle reizen geannuleerd. Ze doorkruisten behandelingen en operatie. Toen de artsen ons onverwacht het advies gaven er vòòr de operatie toch even tussenuit te trekken, werd het krantenartikel bovengehaald : doen ! Manlief kreeg tranen in de ogen van dit onverwachte geschenk.

Wij die nooit in juli op reis gaan, stapten op de TGV naar Avignon en begonnen aan onze aangepaste Picasso-route. Is het trouwens opgevallen dat ik in lijn 2 Picasso’s echte naam Ruiz vermeld ? Picasso was de naam van zijn moeder en die nam hij als artiestennaam aan. Zijn vader schilderde namelijk ook en zo kon hij eventuele misverstanden vermijden. Hoogtepunt van onze reis was inderdaad de Picasso-Cézanne expo waarvoor we in onze eigen FNAC kaarten besteld hadden. Voor het kasteel moest er telefonisch gereserveerd worden. Toen we belden bleek alles uitverkocht. Geen paniek : als je ‘s morgens om 8.30 uur naar de billetterie gaat, zijn er voor de dag zelf nog een beperkt aantal plaatsen. We waren extra vroeg, namelijk om 7.45 uur maar we waren bijlange niet de eerste. Zeg maar de twintigste. En het lukte. Diezelfde middag begonnen we aan de omslachtige weg naar Vauvenargues : stadsbus 4 tot een parking met de welluidende naam “Les 3 Bons Dieux”, daar overstappen op een navette, dan een wandeling door het dorp en om 13.30 uur stonden we met onze toegangskaarten aan de kasteelpoort. Aan die poort hing het bordje

“PROPRIETE PRIVEE. ACCES INTERDIT. LE CHATEAU N’EST PAS A VISITER.

LE MUSEE EST A PARIS. N’INSISTEZ PAS. MERCI.”

Dat bevestigde hoe uitzonderlijk gelukkig we wel waren. Elk half uur werden onder streng toezicht van 2 lieve Françaises 19 bezoekers toegelaten. Onze charmante begeleidsters waakten erover dat we geen stap verkeerd zetten, niet achterbleven, niets aanraakten.

Ik bespaar u de geschiedenis van het kasteel en we verplaatsen ons naar 1958, het jaar dat Picasso het 17de eeuwse kasteel met landerijen tot en met een stuk van de montagne Sainte-Victoire kocht. Hij was verliefd op de soberheid, de leegte, de naaktheid van het interieur. Hier kan ik niet naast een platgeslagen anekdote, een (telefoon)gesprek tussen Picasso en zijn kunsthandelaar Kahnweiler :

“J’ai acheté la Sainte-Victoire de Cézanne”

“Laquelle ?” (Cézanne schilderde de berg zo’n tachtig keer)

“La vraie”.

Slechts twee jaar hebben Picasso, zijn vrouw Jacqueline, zijn dochter Paloma en Jacquelines dochter Catherine/Cathy er gewoond. Picasso was toen al tachtig en ik heb beelden gezien waarop hij -niettegenstaande een pas geïnstalleerde centrale verwarming- in huis rondliep met daim botjes, gevoerd met schapenwol. Verkleumd van de kou verlieten ze hun spartaanse burcht voor het warmere Mougins. Tot 8 april 1973, de dag van Picasso’s dood. Jacqueline en zijn zoon Paulo beslisten de meester vòòr de hoofdingang van het kasteel van Vauvenargues te begraven. Toen de lijkstoet er toekwam lag de Provence, heel uitzonderlijk voor die tijd van het jaar, onder de sneeuw. Zes dagen lang lag de meester opgebaard in de wachtzaal die als rouwkapel was ingericht. Al die tijd werd er gespit en gegraven in de bevroren grond tot ze op de rotsen stootten, wat het delven niet vergemakkelijkte. Jacqueline Roque, de erfgename van het kasteel werd in 1986 naast haar man begraven. De mini-tumulus is met gras begroeid en afgezoomd met een rand lage klimop. Geen enkele naam. Geen enkel bordje. Alleen het bronzen beeld “La Dame à l’offrande”. Een éénarmige dame. Een cementen versie ervan stond opgesteld vòòr het Spaanse paviljoen op de Wereldtentoonstelling van 1937 in Parijs, waar Picasso’s Guernica voor het eerst te zien was.


In de rouwkapel staan twee door de geniale kunstenaar gemaakte ijzeren afbeeldingen. Een van hem en een van Jacqueline. Haar dochter en eigenaresse Catherine Hutin zorgt voor de aanvoer van verse bloemen.

We verlieten het domein en ik zocht een woord dat dit bezoek moest omschrijven.

“Orgelpunt” zei Willem.

“Orgelpunt” beaamde ik.

Tekst en foto's : Tante Kato