Nieuwsbrief Nr. 50 - juli 2009

Tante Kato ging op reisEn zag het graf van Käthe Kollwitz


* Käthe Kollwitz-Schmidt * 1867-1945 * Berlijn, Duitsland *
 
Käthe  Kollwitz.  We kenden haar  van Vladslo.  Van de Neue Wache  in Berlijn  en haar  musea in diezelfde  stad  en Keulen.  Vanwege haar droevige beelden had  ik altijd  de indruk dat  ik haar  graf al gezien  had.   Niet  dus.   Daar  moeten we de eerstvolgende keer dat we in Berlijn zijn wat aan doen.  En zo gebeurde.
 
Het  Zentralfriedhof Friedrichsfelde ligt in oost-oost-oost-Berlijn.  Waarmee ik wil zeggen  : weg van  de  krioelende menigte, verder dan het Ostbahnhof.  Ik  ben  geneigd  eraan toe  te voegen : de woningblokken worden alsmaar grauwer naarmate de S-Bahn  of stadsspoorbaan je verder brengt.  Eerlijkheidshalve dien  ik te vermelden dat  die grauwe  monotonie per  jaar vermindert.  Bruin-beige woonkazernes krijgen  een  fris  kleurtje en  de  geraniums voor  de ramen zorgen  voor de bekende vrolijkheid. Vanaf het  station Friedrichsfelde-Ost is het  een wandeling langs  volkstuintjes die  ongemerkt  overgaan in  die  andere oase  van  rust  :  het Zentralfriedhof Friedrichsfelde.  We dachten hier  alleen  Käthe  Kollwitz  te vinden, maar  de begraafplaats  bleek   meer   te   bieden.   Wat   direct   opvalt   is  de   intimiteit.   Dit   is  geen parkbegraafplaats met  monumentale graven.   Dit  is een  bos  van  32 ha.  met grafstenen die ongeveer  tot   de  knie   reiken.   Naast   bomen  en  struiken  groeien  er  éénjarige  plantjes, overlevers (klinkt ongewoon in deze  context), wilde bloemen en onkruid.  Eerst  naar  Käthe Kollwitz.  In een aparte allee vindt  men  de kunstenaarsgraven, alle gemerkt met  “Ehrengrab Land   Berlin”.    De  andere  kunstenaars  waren   ons   totaal  onbekend.   In   het   familiegraf Kollwitz-Schmidt  liggen   begraven  broer   Konrad,  diens   vrouw   Anna,   Georg   Stern   (niet ontdekt wie dat is)  en het echtpaar Karl en Käthe Kollwitz.  Het bronsreliëf “Ruht im Frieden seiner Hände” werd door Käthe Kollwitz ontworpen rond  1935.
Käthe  Schmidt werd  in Königsberg in het toenmalige Pruisen (de huidige Russische enclave Kaliningrad  aan   de  Baltische  Zee) geboren  in  een   nest   met   sterke  sociale   en  morele overtuigingen.  Getalenteerd als  ze was  mocht  ze op  haar  zestiende naar Berlijn,  naar  de tekenacademie. Een jaartje later  leerde  ze de sociaal geëngageerde student geneeskunde Karl Kollwitz  (°1863)  kennen. Karl  en  Käthe  trouwden in  1891 en  gingen  in  een werkmansomgeving wonen.   Hij was een vertegenwoordiger van “geneeskunde voor het volk” en  Käthe  kwam  als  doktersvrouw in  contact met  de  problemen en  zorgen  van  de  gewone mens.   Hun  miserie, haar  verteld door  de vrouwen, werd haar  inspiratiebron. Käthe Kollwitz verdedigde de  sociale  democratie en  de  vrouwenrechten, zonder zelf aan  politiek  te doen. Het  echtpaar kreeg  twee  zonen  : Hans  (1892)  en  Peter  (1896).   Vanaf  1897  kreeg  Käthes oeuvre  publieke belangstelling.  Haar  werken, gebaseerd op diep  medevoelen met  de sociale noden van  de werkende klasse  en  haar protest tegen  hun  arbeidsomstandigheden, werden enerzijds op  lof onthaald maar  waren  tegelijkertijd een  bron  van  afkeer  bij hen die blind waren   voor  de  sociale   problemen  en  dachten  de  kunstlakens  uit  te  delen.    Uit  Käthes beginperiode kennen we alleen grafisch  werk.  In een later  stadium (ca. 1904)  gooide  zij zich op de beeldhouwkunst.  Verdriet werd  een  uitgesproken aspect  van haar  werk.   Een  eerste leed  trof  haar  in oktober 1914.  De oorlog  was pas  begonnen, toen  haar  achttienjarige zoon Peter  aan de Ijzer sneuvelde. Moeder Käthe sloeg na dit pijnlijke verlies definitief de weg van het pacifisme in.
 
In   1919   was   Käthe   Kollwitz   als   eerste  vrouw   verkozen  tot   lid   van   de   Pruisische Kunstacademie maar  daar  maakten de Nazis  in  1933  een  einde  aan.   Zij werd  tot  ontslag gedwongen en kreeg een tentoonstellingsverbod. In die periode werden de granieten beelden “De Treurende Ouders”  op  de  Duitse  oorlogsbegraafplaats van  Roggevelde  bij  Diksmuide, waar   Peter   begraven lag,  geïnstalleerd.  Later,   in  1956  verhuisden  verschillende graven, inclusief  dat  van  Peter  naar  Vladslo.   In  1940  overleed Karl Kollwitz  en  in 1942  sneuvelde kleinzoon Peter   in  Rusland (°1923;  een  zoon  van  Hans).  In  1943  verliet  Käthe  Kollwitz Berlijn,   een   goede   beslissing  want    later    dat   jaar   werd   haar    huis   vernield  in   een bombardement.  Ze heeft  het  einde  van die Tweede  Wereldoorlog net  niet  meegemaakt.  Op 22  april  1945 overleed ze.  Enkele  maanden later  werd  haar  asurne overgebracht naar  het familiegraf in  Berlijn-Friedrichsfelde.  De grootste postume eer  kreeg  de  kunstenares toen haar  beeld  “Moeder  met Dode zoon”  in de  Neue  Wache  opgesteld werd  : sinds  1931 is dit gebouw  een oorlogsmemoriaal en in 1993, na de eenmaking van Duitsland, kreeg  haar  Piëta (van 1937-39) hier een welverdiende plek.
 
We verlaten het vredige  graven-weggetje en onze expressioniste en wandelen verder over de begraafplaats. Die dateert van 1881 maar won belang  rond  1900,  toen  de medeoprichter van de   Duitse   sociaal-democratische  arbeiderspartij   Wilhelm   Liebknecht  (1826-1900)  hier begraven werd.   Toen  Karl  Liebknecht (1871-1919;  zoon  van  Wilhelm), Rosa  Luxemburg (1871-1919) en andere voorvechters van de linkse  beweging  vermoord werden, kregen  zij een graf op Friedrichsfelde.  De toen  nog jonge en onbekende Ludwig Mies van der  Rohe (1886-1969)  kreeg  in 1926 de opdracht een  Revolutionsdenkmal te ontwerpen.  De Nazi’s, die de aanhangers van  de KPD haatten, maakten de tombe (12L x 4B x 6H)   met  de grond  gelijk (1935)   en  vervolledigden  hun   ravage   in  1941.   Sindsdien  zijn  de  stoffelijke   resten  van Liebknecht, Luxemburg en de anderen verdwenen.  In  1983  werd  op de originele plek  een nieuw  gedenkteken voor de slachtoffers van de communistenvervolging opgericht.  Een even grote  basis  maar  een kleinere opbouw  met  een bronzen plaat  waarop een afbeelding van het origineel.
 
Terug vooraan bij de ingang  vindt  men het in 1951 opgerichte “Gedenkstätte der Sozialisten”. Rond het centrale monument zijn gedenkzerken voor oa Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg - op  beide  graven  enkele  steentjes, ze waren  inderdaad joods-  en het  echte  graf  van  Walter Ulbricht (1893-1973).
 
Voorwaar  een  belangrijke begraafplaats  voor  iedereen die  geïnteresseerd is  in  de  linkse beweging, de arbeidersbeweging, de sociale  geschiedenis, of de geschiedenis (van Duitsland) in het algemeen.
 
Tekst en foto's : Tante Kato