Nieuwsbrief Nr. 49 - juni 2009

Campo Santo GentAnne-Flor Vanmeenen


Zaterdagmiddag, 14u30. We beginnen het rondje Campo Santo met een passende historische noot. De immer bruisende An Hernalsteen weet te vertellen dat Sint-Amandsberg tot 1847 deelt uitmaakte van de parochie Oostakker. Bij omvangrijke plechtigheden zoals een uitvaart of een huwelijk, moest men dus naar Oostakker trekken omdat het kleine kapelletje in Sint- Amandsberg geen ruimte bood voor zoveel mensen.
 
Midden 19e eeuw komen arbeiders in het spoor van de ontluikende industrie naar de regio en vervoegen ze de plaatselijke boertjes. Er komt dus aanzienlijk meer volk en vooral : er komt een zekere Jozef van  Damme ten  tonele. Dankzij  zijn  ijver  en  zijn  netwerk wordt Sint- Amandsberg een eigen parochie, met een eigen kerk en kerkhof. Omdat de parochianen echter niet de meest welstellende burgers denkbaar zijn, spreekt Jozef zijn gegoede kennissen aan om zich op Campo Santo te laten begraven en zodoende krijgen we de basis voor de soms riante grafkapelletjes en aparte bouwwerken die de begraafplaats sieren.
 
Voor we dan echter de graven zelf gaan bewonderen, nog een kleine noot die met veel - terechte- nadruk werd verkondigd : de naam Campo Santo is een complete misvatting. Die naam duikt pas meer dan een halve eeuw later op en raakt kant nog wal. Er is niets ‘Campo Santo’-achtigs aan deze plek; zowel de kruisvorm als basisplan, de gaanderijen als de muren ontbreken. Niettemin neemt iedereen de naam over en de gemeentelijke begraafplaats van Sint-Amandsberg raakt stilaan bekend als Campo Santo. De begraafplaats was overigens ook helemaal niet strikt katholiek in oorsprong, ook vrijzinnigen, joden en protestanten vonden er hun laatste rustplaats. Alleen al om deze misvattingen de wereld uit te helpen was deze rondleiding nuttig. De historische waarheid kan weer zegevieren.
 
Op  onze  tocht  tussen  de  graven  staan  we  onder  andere  stil  bij  de  gedenkplaat  van  de bouwheer Henri Louis Van Overstraete tegen de kapelmuur, het graf van Jozef Mengal met de krans van eik en papaver, typische funeraire symbolen voor duurzaamheid ( de grootse boom) en vergankelijkheid (de eeuwige slaap), en het graf van Marie de Hemptinne. Dit is het oudste graf van de necroplis en herinnert ons aan het mooie levensverhaal van Marie die als enige van de industriële familie Nederlands (lees: Gents) kon spreken en zo dichter bij de arbeiders stond. Ze ging hen zelfs onverschrokken gaan verzorgen tijdens de uitbraken van cholera en bezweek ook zelf aan de ziekte. Ze werd herinnerd als ‘de engel van Gent’. Een andere kleine held in het verhaal van de epidemieën is Daniel Mareska, die een vlammend rapport schreef over de hygiëne en leefomstandigheden van de beluikarbeiders en zo ijverde voor hun welzijn. Hij rust iets verderop van Marie, geflankeerd door Jozef Guislain die op zijn beurt een weldoener was voor de ‘zotten’ en grondlegger voor een nieuwe aanpak binnen de psychiatrie. Het toeval wil dat hij overigens stierf op ‘zottekesdag’ ! We zien op zijn graf nog een ouroboros, de slang die in eigen staart bijt en zo oneindigheid en het herhalen van tijdscycli symboliseert. We houden ook even halt bij de steen van Ledeganck, of tenminste het gebrek aan steen. Het zandstenen reliëf is helaas helemaal vergaan maar An toont ons hoe die er moet hebben uitgezien en verklaart het tafereel :  Moeder Vlaanderen, de lier (kunstenaarschap) met de gebroken snaren (dood) en de ouroboros.
We stappen verder richting imposant bouwwerk ter ere van Jan Frans Willems, een van de luttele drie ‘Vlaamse helden’ die op deze zogenaamde ‘Vlaamse heldenheuvel’ begraven zijn. Het is een van de overledenen die van het Dampoortkerkhof naar Campo Santo verhuisd zijn, Jozef van Damme kon zijn dodenhof aanprijzen als geen ander ! Ook Snellaert, een ander literair talent van eigen bodem, onderging dezelfde procedure. Op zijn graf verwijzen perkament en veer nog naar zijn kunstenaarsactiviteiten.
 
We staan aansluitend nog stil bij de pompeuze obelisk voor Napoleonisten waarop de keizerlijke adelaar prijkt, het mooie grafmonument van Minard, de rustplaats van Pieter de Vigne (183) die het bekende Arteveldebeeld vorm gaf, het graf van Leo Joos (onder)pastoor van het begijnhof in de Lange Violettestraat, en het graf van de baron met de stenen kist bovenop, als echo voor de kist onderin.
We nemen ook een kijkje bij de dodenstede van Veesaert, een onbekende kapitein- commandant die echter een ‘sprekend graf’ bezit. De attributen vertellen het leven van de gestorvene,  bv.  het  kanon  met  kogels,  laad-  en  schoonmaakstok  ,  het  kussen  met  de epauletten (typisch militair) en de erekrans. We bewonderen ook de papaverbollen en sculptuur van Hippolyte Leroi op het graf van Jules Lechat. Enkele bekende beentjes horen er ook bij zoals die van van de Woestijne, of het lokale bedevaartsgraf van ‘heilig Treeske’, een Elizabetsbegijntje dat geëerd wordt met een verfijnde buste en reliëf waar we ze in volle actie, m.n. devoot biddend tot Sint-Antonius, gade slaan. Naast de bekende resten maken we echter ook tijd voor plaatsen van vergane glorie, van bijzondere funeraire werkjes die dreigen te verkommeren omdat hun bewoner nu de mist der vergetelheid is ingegaan en sociaal niet interessant genoeg is. Grafbouwkundig daarentegen… parels op de tocht naar onherroepelijk verval.
 
We roemen ook even de halsstarrigheid van de Saint Gevois, die niet wilde verplaatst worden ten tijde van uitbreiding van de kerk en wiens grafsteen dan maar in de muur is gemetst, samen met die van enkele medekeikoppen. We maken ons even vrolijk bij Prudens van Duyse, die onder andere het loze vissertje van muziek heeft voorzien. Bij wijze van eerbetoon (en  amusement)  heffen  we  deze  tijdloze  klassieker  even  aan  bij  zijn  graf.  Ongepast? Hoogstens een tijdsgebonden opvatting, in oudere tijden werd vaak gezongen op begraafplaatsen, Jan Frans Willem ging zelfs ter aarde (voor de tweede keer) met een hele fanfare.
Tenslotte gaan we kunstzinnig kwijlen bij een unicum unicorum: een grafmonument ontworpen door Victor Horta! Na dit goed verborgen artistiek hoogtepunt, sluiten we ludiek af met het graf van Martens (185), de man die zijn krantenboer beval om ook na zijn dood de krant te  blijven bezorgen. Kwestie dat hij  iets  te  lezen had als  hij  levend begraven zou worden. Om die angst verder te bezweren verordende hij ook het aanbrengen van galmgaten (zodat hij goed te horen zou zijn) en wou hij de luiken naar de kelder open houden. Hij is er nooit uit geklommen, maar zijn graf blijft zo wel een leuk aardigheidje!
 
Al bij al een onderhoudende, interessante wandeling doorspekt met eindeloze anekdotes zoals we die gewoon zijn van An. En dan viel er natuurlijk nog massa’s méér te vertellen maar ja, … zo bewaren we iets voor de volgende keer…
 
Met excuses voor eventuele onnauwkeurigheden of naamspellingsfouten maar de anekdotes waren effectief zo meeslepend dat noteren en verifiëren soms fataal op de achtergrond raakte.
 
Anne-Flor Vanmeenen, foto's Jacques Buermans
Voor alle informatie slechts één adres:
Jacques Buermans, Frieslandstraat 4 / bus 6, 2660 Hoboken
Tel. / Antwoordapparaat / Fax: 03 / 829 16 03 (vanuit Nederland 00/32/3/8291603) - GSM:
0494 / 47 37 46
E-mail: jacques[email protected]
Websites:
www.grafzerkje.be - voor al uw informatie over vzw Grafzerkje www.schoonselhof.be - voor al uw informatie over de begraafplaats Schoonselhof www.antwerpsebegraafplaatsen.be - voor al uw informatie over Antwerpse begraafplaatsen