Nieuwsbrief Nr. 43 - juli 2008

Prachtige funeraire trip naar Oost-Duitslandjuweeltjes van begraafplaats gezien in het voormalige Oost-Duitsland


Zondag 30 juni.  Een 40-tal funerair geïnteresseerden, waaronder een 15-tal leden van vzw Grafzerkje, boden zich aan in Eindhoven om een achtdaagse reis richting het voormalige Oost-Duitsland aan te vatten onder de deskundige leiding van Rindert Brouwer en Jeannette Goudsmit en deze keer terug onder de auspiciën van de Terebinth. De eerste dag moest er niet minder dan 600 kilometer overbrugd worden. In een snikhete bus, de airconditioning liet het namelijk afweten, gevolg: enkele extra rustpauzes. Rond 19 uur waren we in ons hotel in Leipzig. Even verfrist en de stad in voor een korte kennismaking. Het stadscentrum liep vol met Duitse supporters. De “Mannschaft” speelde namelijk de finale tegen Spanje. Iets voor 20 uur zorgden die Spanjaarden ervoor dat er rustig kon gegeten worden. Het werd namelijk 0 – 1 voor de Spanjaarden en het bleef rustig. Dank u wel.
 
Maandag met de bus, met airco!, naar het Sudfriedhof, met zijn 82 hectare, een groene long in Leipzig. We raakten al onmiddellijk in de gepaste sfeer. Rindert loodste ons langs pareltjes van grafmonumenten. We vonden hier, bij ons niet gekend “mustergraven”. Onder deze graven ligt niemand. Het zijn wel voorbeelden van steenkapperskunst. We ontdekten ook dat urnen onder een boom kunnen begraven worden. Een bloemlezing van al het moois: Christian Gellert, de oudst begravene, was dichter, schrijver en moraalfilosoof. 
De familie Najork, papier- en kartonfabrikanten, kreeg een overgangsmonument tussen classisistische stijl en jugendstil. Op het familiegraf Oelssner een grafmonument van architect Max Pommer en beeldhouwer Josef Magr. Meissner, monument van architect Fritz Schumacher en plastiek van beeldhouwer Fritz Klimsch.
Op het wandgraf Goepel treffen we een bronzen doodsgenius aan. Fabrikant Albin Gottschalk kreeg een monument van Paul Möbius, een van de meeste vooraanstaande jugendstilarchitecten. Op de laatste rustplaats voor koopman Heinrich Schaub spant een knielende man zich in om de deur te openen. We troffen hier ook verscheidene urnenvelden aan waar ontelbare naamloze urnen begraven werden. Op een ervan een beeld van Max Klinger.
Op het familiegraf Böhme staat een opstijgend hemelvaartspaar. Hugo Haschke was sigarenfabrikant. De ouders van partijleider Walter Ulbricht kregen uiteraard een prominente plaats op deze dodenakker. Ulstein liet een monument in piramidevorm op zijn graf plaatsen.
Berger kreeg een marmeren knielende vrouw. Fritz Baedeker is bekend als uitgever van reisgidsen. Op het graf voor Ludwig Hupfeld, fabrikant van muziekinstrumenten, staat een engel die zich over een vrouw buigt terwijl op het graf van het echtpaar Behrends, een vrouwenkop van de hand van beeldhouwer Josef Magr staat. 
Na een laatste blik geworpen hebben op deze imposante begraafplaats werd een bezoek gebracht aan het imposante Volkerslachtdenkmal, het grootste gedenkmonument van Europa dat spijtig genoeg in de steigers stond. Het monument, in 1913 ingewijd, herdenkt de meer dan 120 000 gesneuvelden in de veldslag tussen Napoleon en de Pruisische en Russische troepen uit 1813. In de namiddag werd nog een bezoek gebracht aan het alter Johannisfriedhof. De enige overgebleven familiekelder is die voor de familie Baumgärtner. Friedrich Spohn, Egyptoloog, kreeg een grafmonument met Griekse en Egyptische invloeden. Homeopaat en apotheker Karl Schwabe kreeg een beeld van, alweer, Josef Magr.
Boekhandelaarsfamilie Koehler kreeg een imposant bronzen reliëf. Hier liggen ook de moeder en de zuster van componist Richard Wagner begraven. Later die middag werd Johann Sebastian Bach nog met een bezoekje vereerd.
Dinsdag Leipzig verlaten richting Dresden. Eerste halte Radebeul. Laatste rustplaats van Karl May, je kent hem wel van Winnetou en Old Shatterhand. De man kreeg een gigantisch grafmonument. Het graf met een dode jongeling werd opgericht voor de familie Burghagen. In 1995 werd het graf overgenomen door de familie Meyer. Hier ook, we zouden er nog meer zien, een plek voor ongeboren kinderen (foetussen). Ook Ernst Beckert, de uitvinder van de naaimachinenaald, kreeg een kanjer van een grafmonument. 
We zagen de laatste rustplaats voor Franz Bauer. Zelfs onze Nederlandse vrienden hadden spijt dat het niet de laatste rustplaats voor de, blijkbaar toch niet zo gewaardeerde, zanger was. Dolores Kulowitz, ijsberentemster kreeg een “aangepast” grafmonument. Van daar ging het naar het 53 hectare grote Heidefriedhof dat werd aangelegd in een bestaand bos tussen 1934 en 1936. Iets wat wij ook niet kennen zijn anonieme urnenvelden. Zo’n veld biedt plaats aan 40 000 urnen. Midden op het veld “Werden und Vergehen”, ontstaan en vergaan. Een prachtig monument op de herdenkingsplaats voor de krijgsgevangenen en dwangarbeiders uit de Sovjetunie. 
Ook troffen we hier een klein ereveld aan met Griekse patriotten die in ballingschap in Dresden woonden en Italiaanse soldaten. Op de begraafplaats troffen we, wat normaal is op een “bosbegraafplaats”, ontelbare houten graven aan. Na de middag bezochten we nog het Innerer Neustadter Friedhof. De begraafplaats zelf wordt, zoals elders, keurig onderhouden maar hier waren verwaarlozingen troef. Een kleine selectie: Gregory een grafkelder uit 1754. 
Wassily Armstrong was generaal. Het monument, een zeilschip met volle zeilen, is zeker 100 jaar ouder dan de sterfdatum (1869) van de generaal.  De familie Roch kreeg een prachtig monument met sfinx.
Dag vier kondigde zich aan als een rustige dag, zo wat een “overgangsrit in de Tour de France”. Voormiddag bezoek aan de Hofkirche met de crypte. De lokale gids wilde alles kwijt over de kerk en dat zinde al een aantal begraafplaatsfanaten niet. Zij wilden knekeltjes zien. De crypte “an sich” viel dan nog fameus tegen zeker wanneer je Wenen kent en zeker wanneer de gids al wat zij weet wil overmaken aan mensen die enkel geïnteresseerd zijn in het schieten van beelden. In al het geharrewar een beeld van de grafmonumenten voor Albert,  koning van Saksen (1828 – 1902), Georg, koning van Saksen (1832 – 1904) en een zicht op de grote crypte. Vrije tijd die ingevuld werd om van het ene terrasje naar het andere te trekken. Het was namelijk 34 graden warm. In de namiddag stond allereerst het urnenhain Tolkowitz, crematorium annex urnengraven, op het programma. Normaliter is zo’n urnenbegraafplaats een eerder saaie bedoening. Hier niet, prachtige grafmonumenten, jugendstil, art deco en dies meer of toch wat er in mijn geest voor dient door te gaan.
Gelukkig werd ik regelmatig terechtgewezen door Lin, Marie-Claire en Edgard, mijn Vlaamse medereizigers die van die dingen veel meer kaas gegeten hebben dan ik. Zelfs dan staan er pareltjes tussen: Roesch, Kahle, Max Immelmann, de adelaar van Lille genaamd was Duits gevechtspiloot, een prachtig joods urnenmonument, Muschweck en Koehl. 
Daarnaast ligt het Johannisfriedhof. Rindert en Jeannette hadden ons gewaarschuwd: de mooiste monumenten vind je langsheen de twee muren die de begraafplaats splitsen. Ja, watte!! Vooraleer aan de eerste muur aan te komen hadden de fototoestellen reeds meerdere malen geflitst. Aan de muren ging het van kwaad naar erger. Mensen lief, wat een juweeltjes stonden er tussen. Na enige tijd was er zo een overvloed van al dat moois dat er een grondige selectie moest gemaakt worden: monumenten die een halfuur daarvoor onder de noemer “juweel” gecatalogeerd werden, kwamen nu zelf niet meer door de selectie.
  
  
Een kleine bloemlezing: Roetschke, Fischer, onbekend, Jahn, Gukassian, beeldhouwer Adolf Rehm, Preusser, Schmidt, Siebert, Müller en Külsen. Nadien, het kwik was intussen nog enkele graden opgelopen, gebeurde iets wat geen enkele Terebinther voor mogelijk hield: Rindert schrapte gewoon een Joodse begraafplaats uit het programma wegens “niet interessant genoeg” en de volgende dodenakker het Trinitatisfriedhof werd op zulk een drafje afgewerkt dat Amerikanen in snelheid geklopt werden. Naast Johann Serre, een Pruisisch majoor, bemerkten we ook de bekendste bewoner: Caspar David Friedrich, landschapsschilder. In de vlucht nog een mooi kindergraf ontdekt en de familie Pfund, zuivelhandelaar.
Dag vijf was eigenlijk een “schoolreisje”: een trip tot vlak tegen de Poolse grens. Een eerste stopplaats was Bautzen gelegen in een gebied bezet door de Sorben. We zagen tweetalige naamborden, Duits en Sorbisch. In het mooie kleine stadje werden we vergast op een begraafplaats die zich in een kerkruïne bevond. Origineel en zoals steeds mooi onderhouden grafmonumenten. 
Rindert had nog een extraatje in petto: Taucherfriedhof. Ook hier weer enkele mooie dingen. Vandaar trokken we naar Görlitz door de Neisserivier verdeeld in een Duits en een Pools gedeelte. Hier bezochten we het Nikolaifriedhof. We zagen hier de Mollerlinde. Martin Moller was mysticus en dichter van kerkliederen. Hij werd ervan verdacht afgeweken te zijn van de strenge Lutherse leer en vroeg om een linde op zijn graf zetten. Als de boom zou groeien was dit een bewijs dat hij het woord Gods trouw verkondigd had. Het feit dat de boom er nog steeds staat bewijst genoeg. Hier een grafsteen met een duivelsvork. Het verhaal wil dat de duivel dit monument met de gekruisigde Christus wilde verhinderen, twee tanden van zijn vork bleven in het monument steken zodat de duivel zijn meerdere in het kruis diende te erkennen. De “waarheid” is eenvoudiger: de “vork” behoedt de steen tegen omvallen. De beroemdste bewoner hier is Jacob Böhme, schoenmaker en mysticus. Op de stedelijke begraafplaats ligt burgemeester Gottlob Demiani.
  
Na een vrije, funerairloze, dag weer verder. Vooraleer Dresden achter ons te laten brachten we nog een bezoek aan het Alte Katholische Friedhof. Bijlange niet slecht. We kamen voorbij de laatste rustplaats voor bisschop Mauermann. Iets verder Bartholomeo Bosco, goochelaar. Carl Maria von Weber, componist van onder meer Der Freischutz en Balthasar Permoser, de grootste barokbeeldhouwer van Dresden.
Het dochtertje van graaf en gravin Bielinski kreeg een mooi kindergraf. We ontmoetten een bekende naam: Giovanni Casanova. Niet de vrouwenversierder maar diens broer en schilder. Op zijn graf een beeld van beeldhouwer Franz Pettrich die we zelf iets verder tegenkomen. 
Een graf met jugendstiltrekjes vinden we bij beeldhouwer Ernst Holleroth. Nog vlug een blik geworpen op het nabijgelegen Matthäusfriedhof en weg waren we. Onze laatste stop in het voormalige Oost-Duitsland was Halle. Wat hier opviel was het enorme aantal bezoekers op deze Stadtgottesacker. De stad heeft hier zeker de nodige promotie voor gemaakt. Prachtig initiatief. Het eigenlijke Campo Santo bevat bijna 100 grafbogen. Een groot aantal ervan werden reeds “hergebruikt”. Paul Erberius kreeg een prachtig monument. In een hergebruikte grafboog ligt Georg Händel, vader van de componist.
Een andere grafboog kreeg een leuk hekwerk. De familie Behm kreeg een gietijzeren grafmonument in neogotische stijl. Dan togen we westwaarts richting Hannover om ons “laatste avondmaal” mee te maken.
Wat een “finale”. Het Hannoverse Engesohde. Gestart werd aan het urnenhain, de urnenbegraafplaats. Toen wist ik al dat er veel fraais zou volgen. Mensen die mij kennen weten dat ik het niet zo hoog op heb met groen en aanleg van begraafplaatsen maar hier was er echt nagedacht over de aanleg van deze dodenakker. Opvallend was dat elk perk op een andere wijze aangelegd werd. De ene keer enkel dennenbomen, een andere keer met een waterpartij en steeds kregen de grafmonumenten hun “plaats” op het perk. 
Hierna volgt een selectie van het vele moois dat ik mocht aanschouwen: Ludwig Roselius was de grondlegger van koffie HAG. Op zijn graf een vrouwengestalte. Op de rand van afdeling 33 een enorm grafmonument dat bewaakt wordt door twee wachters. 
Munke, Uhl, Flemming, Spiegelberg, Krolow, Hufte, Knorr, Barnay, boekdrukker Hermann Schlüter kreeg een tempeltje met Dorische zuilen met daarin de Engel van de Hoop terwijl buiten de Genius van de Dood zit.
  
  
architect Heinrich Kochler kreeg een zuilenbouwwerk met Ionische zuilen en drie vrouwelijke gestalten in klassieke kledij, Rohde, Lange, Otto von Emmich veroverde bij het begin van de Eerste Wereldoorlog de vesting van Luik, Friedrich Janecke kreeg een decor van een moeder met haar twee kinderen, De Haën is een gigantisch grafmonument dat voor hergebruik bestemd werd.
   
Georg Ebeling ligt in een mausoleum met mozaïekwerk, Karl Schwitters is de bekendste bewoner van deze dodenakker. Hij was schilder, graficus, beeldhouwer en dichter. Schwitters was een belangrijk vertegenwoordiger van het dadaïsme, Wrede en Pratje.
  
Gedurende heel de reis was er een quiz en een aantal letters uit de antwoorden dienden een slogan aan te vullen. De laatste vragen kwamen tussen Hannover en het thuisfront. Eens alle letters verzameld kwam het er op aan om de slogan “reizen met Eskoo en Terreaarde” te vervolledigen. Marie-Claire gaf als eerste haar antwoord binnen en vervolledigde met “mooier kunnen we het niet maken”. Ook ondergetekende had dit, foute, antwoord. Maar de eerste prijs bleef toch in Vlaamse handen want Edgard had het correcte antwoord “dooier kunnen we het niet maken”. Niet te verschieten dat de Nederlanders nooit prijzen halen in “Tien voor taal” want bij ons heeft een dooier iets met eieren te maken.
 
Conclusie van de funeraire trip zoals onze bekendste Vlaming, Eddy Wally, zou zeggen Geweeeeeeeeeeeeeeeldig.
 
Jacques Buermans, ook alle foto's