Nieuwsbrief Nr. 42 - juni 2008

Welgeslaagd einde Koor zorgt voor welgeslaagd einde van Antwerpse " Europese Week"


De eerste deelname aan de Europese Week van de Begraafplaatsen werd op Schoonselhof afgesloten met de nodige muziekklanken en wat voor een klanken. Voor de illustratie van zijn componistenwandeling kon ondergetekende een beroep op het Sint Ceciliakoor 26 mannen/vrouwen groot onder de leiding van mevrouw Lambrechts. We eindigden groots ook al wat het aantal deelnemers betreft. Niet minder dan 34 muziekliefhebbers waren op de afspraak.
De toon werd onmiddellijk gezet want op de trappen van het kasteel werd “Het wasser te nacht” van Florimond Van Duyse ten gehore gebracht. En dan op stap. Natuurlijk eerst langs de door onze vzw Grafzerkje gerestaureerde “eilandjes”. Op het eerste konden we, het thema indachtig, stilstaan bij het grafmonument voor baritonzanger Adolf Coryn wat prachtig opgeknapt werd en dit voor Alexis Van Mechelen, bouwmeester van de Antwerpse opera, op het tweede troffen we Jules Schrey aan een van onze prominentste violisten en dirigent gespecialiseerd in Wagneruitvoeringen. Vandaar trok de groep naar het ereperk van de begraafplaats. Eerst werd stilgestaan bij componist Jef Van Hoof die, naast directeur van het Koninklijk Vlaams Conservatorium van Antwerpen (verder in het artikel wordt dat K.V.C.), stichter van de Vlaamse nationale zangfeesten was. Hier trad onze disc jockey van dienst, ons lid Ria, in actie en kregen we “Daar is maar één Vlaanderen en het is Diets” te horen, tekst die ook op het grafmonument voor Jef Van Hoof te lezen staat. 
Een eenvoudig “stadsmonument” kreeg Emiel Wambach, derde directeur van het K.V.C.. Zijn bekendste werken zijn de opera “Quinten Matsys”, de oratoria “Mozes aan de Nijl” en “Blancefloer” en kerkmuziek. Hier bracht het koor “Hoor hoe in stille dalen”. We stonden nog even stil bij het graf voor Lodewijk Mortelmans. Naaast directeur van het K.V.C. was deze componist ook een groot muziekpedagoog die de belangrijkste Antwerpse componisten als leerling had: Jef Van Hoof, Jan Broeckx, Lodewijk De Vocht en Jef Van Durme.
Van Flor Alpaerts, alweer een directeur van het K.V.C. en bekend van de solfègeboekjes, werd een toepasselijk stuk uit James Ensorssuite ten gehore gebracht: “Gemaskerde geraamten twisten om een gehangene”. Dit kon toch nooit op een geschiktere plaats ten uitvoer gebracht worden is het niet?
Renaat Veremans is misschien meest bekend als de componist van “Vlaanderen”, op tekst van Willem Gijssels. Het grafmonument is een werk van Albert Poels en stelt, naast een reliëf van de toondichter, een uitbeelding van de drie zustersteden (belfort Brugge, kathedraal Antwerpen en belfort Gent) voor. Ons koor liet hier “De avond doet ons luisteren”, van Armand Preud’homme in bewerking van Renaat Veremans horen. 

Op het kunstenaarsereperk stonden we eerst stil bij Renier Van der Velden componist van onder meer balletten “Judith”, “Pierlala” en “Oostendse maskers”. Daaruit lieten we de “Kleine dodenmars” en de “Dans van de dodenmaskers” horen. Willem Kerstens werd uitgestrooid maar vrienden zorgden voor een mooi herdenkingsmonument van de hand van beeldhouwer Robert Vandereycken. Iets verder lag de vreemde eend in deze klassieke bijt: de Ferre, ofte Ferre Grignard. Hij was plastisch kunstenaar en zanger. In 1966 had hij een wereldhit met “Ring, ring I’ve got to sing” wat hier ook gespeeld werd. Armand Preud’homme is bekend van “Kempenland”, “Susa Nina” en “Op de purpere heide”. Het koor zong hier “Kempen o land” en alle deelnemers werden uitgenodigd om mee te zingen. Sommigen hadden onmiddellijk hun plaats in het koor verdiend, voor anderen, ondergetekende (?), valt nog een lange weg af te leggen. Bij pianist, componist van onder meer pianowerken en samensteller van pedagogische werken zoals “Methode voor beginnelingen” en “Ik zal goed pianospelen” Emmanuel Durlet werd toepasselijk “Chrysanten” gespeeld. Jan Broeckx naast componist van onder andere “Karrekiet” ook gekend van zijn handleidingen bij het muziekonderricht bracht het koor “Ik ken een rustig plekje”. Ik ken ook een rustig plekje, we bevonden ons namelijk op een rustig plekje dat door al die gezangen niet meer zo rustig was maar ik denk dat al de hier onder de zoden liggende componisten en ander kunstenaarsvolk ten volle genoten hebben deze zondagmiddag. We passeerden een van de mooiste grafmonumenten op de begraafplaats. Die voor dichter Julius De Geyter van onder andere “de Rijn” en “de Oorlog van Peter Benoit. Vandaar was het maar een boogscheut naar de grootmeester zelf. Peter Benoit was de man van werken met een enorme bezetting. Meer dan 250 koorleden waren niet uitzonderlijk. Daar het koor met niet zo veel personen aanwezig was werd dan maar de “Koorzang der Volkeren” met  het “Beiaardlied”, uit de “Rubenscantate” gepeeld. Als toetje werd de Rubensmars, gespeeld op beiaard, nog eens ten gehore gebracht. Onze laatste componist, opvolger van Peter Benoit als directeur aan het K.V.C. was Jan Blockx, bekend van het ballet “Milenka” en onze eerste operacomponist. “Herbergprinses”, “Tijl Uilenspiegel” en “Bruid der zee” waren de bekendste. Hier werd de vijfde van zijn “Vijf Vlaamse dansen” gebracht. Toen was het tijd om afscheid te nemen. Afscheid te nemen van het Sint Ceciliakoor dat zich voortreffelijk van haar taak had gekweten en van de geïnteresseerde toehoorders. Het koor deed dit dan ook met “Ik zeg adieu”. Ik hoop ook dat het geen adieu is voor de organisatie van de Europese Week van de Begraafplaats. Voor een eersteling konden we terugblikken op een goed, door de stad Antwerpen, georganiseerde Week met enkele uitschieters en een belangstelling die al het beste voor de toekomst van het funeraire doet verhopen.

 

Jacques Buermans