Nieuwsbrief Nr. 41 - mei 2008

Reisverslag Wenen funerairons lid Johan Moeys ontdekte in Wenen weer enkele knappe funeraire dingen


Onze Johan Moeys zal vernomen hebben dat ik, zie elders, een oproep deed om wat meer inbreng van de leden en bezorgde volgend verslag. Waarvoor onze hartelijke dank. (J. B.)

Op speedtempo door Wenen om op enkele dagen een punkfestival te combineren met enkele bijzondere funeraire bezienswaardigheden.

Wenen, al veel van gehoord. Een must voor de funeraire liefhebber. Wenen: de dood moet een Wener zijn. Wenen, Rebellionfest, twee dagen punkfestival. Twee liefhebberijen die raar maar waar te combineren zijn. Goed voorbereid vetrok ik naar Wenen. De afspraak met het Bestattungsmuseum lag vast. Met een spiksplinternieuw stadsplan en een uitgewerkt activiteitenplan kom ik aan in het hotel. Daar moet ik noodzakelijkerwijze enige aanpassingen doen: het weer zit de eerste dag niet mee, bepaalde plaatsen zijn moeilijker bereikbaar dan ingeschat. De Michaelerkirche is vlot bereikbaar. In de kerk zelf zijn mooie sarcofagen. De crypte is alleen met gids toegankelijk. Blijkbaar is dit niet zo bekend want slechts twee toeristen nemen deel aan de rondleiding. Je voelt onmiddellijk een andere sfeer: intiemer, echt geïnteresseerden. In de hoogdagen kwam zelfs Andy Warhol er een bezoekje afleggen. Minpuntje: fotograferen niet toegelaten. 

 

De crypte werd gebruikt tussen 1631 en1784 (bekend jaartal voor de doorwinterde Grafzerkjes: Decreet van keizer Jozef II op het begraven in kerken). Zo leerden we dat zijde en leder bijna niet vergaat, maar wol wel. De kisten liet men vanuit de kerk in de crypte zakken. Omdat er uiteindelijk toch geurtjes vrijkwamen, probeerde men de gangen de ventileren. Daardoor ontstonden er in wat kisten mummies. Sommigen nog met hun prachtige kleren aan. De vrouwen werden kaalgeschoren en kregen dan een pruik op. De mannen droegen meestal een muts. Vocht vreet nu de houten kisten aan, zodat men nu volop bezig te redden wat er nog te redden valt. Houtwormen hebben ook hun best gedaan. Ze letten er wel op niet in de giftige verflagen te bijten. Slimme houtwormen. Wat je mooi kan zien: vermemeld hout waar dan nog een stuk onaangeroerde verf op staat. Bij de inventaris ontdekte men nog een urne (koperen pot), die men tevoren niet gezien had. Wellicht omdat deze ergens tussen of in een kist moet gezeten hebben. De gids was zeer blij toen ik mijn zaklamp bovenhaalde. Handig om bepaalde delen van mummies onder de aandacht te brengen. Ze wees ons ook op de “graffiti” op de muren. De werkmannen vroeger noteerden de plaatsen van de kerk waaronder ze zich bevonden, als oriëntatiepunt. Met alleen fakkels als verlichting, kan je er snel verdwalen. Ondertussen zijn er al vele zaken verdwenen, meegenomen door bezoekers die hun handen niet konden thuishouden.
De gietende regen deed me besluiten om toch maar niet naar het Sanct Marx Friedhof te gaan. De Stephansdom leek ideaal om te gaan schuilen. Vonden nogal veel toeristen ook. De catacomben zijn ook hier alleen met gids te bezoeken. In het oudste gedeelte uit de 14de eeuw liggen de bisschoppen begraven. Er is nog plaats genoeg voor enkele meer. Wat verder vind je de zerken van Rudolf IV (1339-1365) en zijn vrouw Catharina. Hertog Rudolf werd ook bekend als De Stichter maar ook wel als De Fraudeur. De praalgraftombe kan je boven in de kerk bekijken. De Habsburgers hebben er ook hun plaatsje gevonden. In de urnen liggen hun ingewanden. Het was de gewoonte bij de Habsburgers om hun ingewanden, na hun dood weliswaar, te bewaren in koperen potten. Zo kan het lichaam langer geconserveerd worden. Het was even slikken toen we de put zagen waarin de pestlijders terechtkwamen. Teveel om individueel te begraven, dus samen de put in. Je kan letterlijk de botten aanraken. Wenen, waar men grote begrafenisrituelen heeft? Dat idee kreeg nu toch een flinke deuk. Deze pestlijders worden wel herdacht in de grote wandelstraat in het centrum. Een enorm groot monument: de Pestzuil. Je moet al blind zijn om hem niet te zien. Destijds opgericht door Leopold I in 1679.
’s Anderendaags waren de weergoden wat beter gehumeurd zodat het festival onder een lekker zonnetje kon plaatsvinden. Na wat puzzelen en vergelijken van stadsplannen, metrolijnen, weergoden kwam ik tot de lumineuze vaststelling dat het festival en het Sanct Marx Friedhof feitelijk niet zo ver van elkaar verwijderd lagen. Zelfde metrolijn, enkele haltes verder en dan nog een kleine wandeling. Aha, het behoort toch nog tot de mogelijkheden. De Sanct Marxbegraafplaats is een Biedermeierbegraafplaats uit 1784. Vroeger ver buiten de stad, nu omringd door een lawaaierige verkeersweg die over de begraafplaatsmuur loopt, en een spoorweg. “Rust in stilte” is hier met een korrel zout te nemen. Aan de ingang staat een enorm bord met al de beroemdheden die hier begraven liggen. Zoals Jozef Strauss (zoon van de walskoning) en zijn moeder Anna Streim. Destijds begroef men hier Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791). De precieze plaats is niet bekend. Wel staat er een monument waar men vermoed dat hij begraven werd. Men heeft er blijkbaar voor gekozen om de begraafplaats onverzorgd verzorgd te houden. De paden, het gras, de netheid: piekfijn in orde. Bomen en struiken daarentegen overwoekeren de stèles. Met risico voor eigen leven (grapje) zocht ik bewust die rijen op waar op het eerste zicht niets te vinden was, alleen wildgroei van planten. En daar vind je dan zeer mooie monumenten. Ondertussen vermijd je een zonneslag door uit de blakende zon te blijven. Het Servisch gedeelte is zo mogelijk nog desolater.
Op de laatste dag van mijn welverdiende vakantie trok ik naar het Bestattungsmuseum. Een goed teken was dat de portier al afwist van mijn afspraak met de curator. Hij verwees me naar het museum. Daar vond ik een enthousiaste Herr Keller, curator van het museum. Die sprak, gelukkig voor mij met mijn beperkte kennis van de Duitse taal, vloeiend Engels. Hij gaf een persoonlijke rondleiding met de hele geschiedenis van de begrafeniscultuur in Wenen. Daarna kreeg ik de kans om het hele museum op eigen tempo te bestuderen. Ze bezitten er echte pareltjes uit de funeraire geschiedenis. De angst om levend begraven te worden leidde tot de uitvinding van de alarmbel. Men bevestigde een touw aan de overledene. Indien hij nog leefde, kon hij aan dit touw trekken, zodat er een schelle bel begon te rinkelen. Teken voor de begrafenisondernemer om te komen kijken. Spijtig genoeg had men geen rekening gehouden met de natuurlijke ontbindingsprocessen (gasophopingen die zorgen voor spiertrekkingen enz) waardoor er wel veel gebeld werd, maar zelden door een levende. Een andere methode om te voorkomen dat men levend begraven werd, was het tweezijdig mes. Dit stak men in het hart van de overledene. Indien nog niet dood, was men het dan zeker. Een echte vernieuwing van recente datum is het laten maken van een diamant uit de asse van de overledene. Je kan zelf het karaat kiezen. Voor de luttele som van € 4680 heb je al een diamant van 0,4 karaat. En eentje van 1,0 karaat kost € 13.440. Voor sommigen de kans om na de dood meer waard te zijn dan tijdens hun leven? Ein schones leich, inderdaad.
 
Johan Moeys
 
Foto’s van Johan Moeys