Nieuwsbrief Nr. 40 - maart 2008

Dood en begraven in de loop der eeuwenRoger Lathouwers vergaste ons op een fel gesmaakte voordracht


Dit was de titel waar Roger Lathouwers, 23 jaar ervaring als zelfstandig uitvaartondernemer, voorzitter van de beroepsvereniging “aannemers begrafenissen provincie Limburg” en verantwoordelijke uitgever Funebra onze leden vergastte op de nieuwjaarsbijeenkomst. 
De Egyptenaren bezaten reeds een hoge vorm van cultuur en verwachtten een nieuw leven na de dood. Roger vertelde over de verschillende wijzen van balseming van lichamen waarbij de hele ceremonie die daarmee gepaard ging bij hun Farao’s tot 72 dagen kon duren. Een aantal van onze voorvaderen namen gebruiksvoorwerpen mee in het graf en zorgde zo voor het nodige comfort voor het hiernamaals. De heer Lathouwers vertelde dat heden ten dage nog door de Chinese gemeenschap een hele boel voorwerpen in de kist van een overledene worden gedeponeerd. Karel de Grote vaardigde na het Concilie van Paderborn een crematieverbod uit. Het was eenieders religieuze plicht om doden te begraven, zelfs de verslagen vijand bleef niet onbegraven achter. De oudste wijze van begraven bleek het begraven onder de haard of drempel van woning van de overledene te zijn zodat de dode kon zien of in huis alles op de juiste manier geschiedde. In de middeleeuwen had een dode recht op 1/3 van de nalatenschap, het zieledeel. In realiteit was dit een schenking aan de kerk. In het geval dat de overledene schulden had of indien er geen testament opgemaakt was diende de familie blootshoofd en vóór de lijkkist te lopen. De ogen van overledene werden onmiddellijk gesloten uit schrik dat overledene zou wachten en daardoor spoedig een tweede overlijden zou volgen. Roger wist te vertellen dat er ook vandaag nog een paniekreactie heerst bij een overledene met open mond en open ogen. Het wassen van de overledene met heet water had alles te maken met het onschadelijk maken van boze geesten, water vormde een hindernis voor boze geesten, en men had meer zekerheid dat de overledene niet schijndood was. Het waswater werd onmiddellijk weggegooid zonder in aanraking te komen met gebruiksvoorwerpen. De plaatselijke kapper kwam en het aankleden met doodshemd van de overledene geschiedde zonder aanwezigheid van familie omdat er zeker geen tranen op het doodshemd zouden komen. Bij de overledene werd gewaakt, gordijnen en luiken bleven dicht, men plaatste een groot zwart kruis aan de gevel en er werd stro aan voordeur geplaatst als geluidsdemping.
 
Roger Lathouwers vertelde dan over de 13de eeuw waar de doodskist enkel een vervoermiddel was en de dode in een lijkwade gewikkeld werd. De doden werden naar kerk gedragen, een eer die te beurt viel aan zonen en schoonzonen. Het luiden van klokken was dan weer om boze geesten op een afstand te houden. Dikwijls werd een vaste route naar de kerk gevolgd. Roger zegde dat er op sommige plaatsen nu nog straten zijn die “Lijkweg” noemen (Genk-Zutendaal). De oorspronkelijke rouwkleur was wit maar bij het overlijden in 1498 van Karel VIII koning van Frankrijk vroeg diens echtgenote, Anna van Bretagne, aan iedereen om in zwarte kleding te verschijnen. Een rouwmaaltijd na de begrafenis was als afschrikking van schimmen van de afgestorvene bedoeld en tot heropneming van de rouwenden in de kring der levenden.
 
Vanaf de 17de eeuw bestaat het gebruik van lijkkisten. Burgers en boeren werden buiten de kerk begraven, geestelijken, de adel en personen met bijzondere verdienste werden in de kerk begraven. Vandaar de uitdrukking “rijke stinkerds” wegens het vrijkomen van gassen en onwelriekende geuren door ontbinding. In 1776 werd in Frankrijk bij wet verboden om in kerken te begraven. De Code Napoleon bepaalde dat begraafplaatsen buiten de stadsmuren moesten komen.
 
Roger Lathouwers maakte dan een stap naar de crematie. Dit moet heel wat voeten in de aarde gehad hebben vooraleer de wet er in 1932 doorkwam. Hij vertelde dat in de Kamer der Volksvertegenwoordigers er gestemd werd: 82 stemmen, 72 stemmen tegen en één onthouding. Vandaar uit diende de wet nog goedgekeurd te worden door de Senaat. De wet werd er aangenomen met één meerderheidsstem. Bleek dan nog te zijn omdat men ene Volckaert op een brancard naar het parlement had gebracht om daar voor de wet te stemmen. De dag daarop overleed Volckaert.
 
Door gemakszucht en uit praktische overwegingen kwamen begrafenisondernemingen op de markt. Roger Lathouwers eindigde met een kritische noot aan het adres van een aantal “collega’s” die het blijkbaar niet zo nauw nemen en profiteren van de toestand waarin nabestaanden verkeren. Een aantal van die mensen wordt nadien geconfronteerd met rekeningen waarvan de bedragen uit de pan swingen.
 
Nadien was er ruimte voor het stellen van vragen. Dat het gegeven de aanwezigen enorm geboeid had bleek uit de talloze vragen die vanuit het publiek afgevuurd werden op Roger Lathouwers.
De aanwezige Nederlandse leden wierpen een aantal vragen op waaruit bleek dat er toch nog soms opmerkelijke verschillen heersen tussen de twee buurlanden. Ik wil langs deze weg de heer Lathouwers danken omdat hij deze voordracht gratis verzorgde voor onze vzw Grafzerkje.
 
tekst : Jacques Buermans
foto's : Jacques Buermans en Rina Reniers