Nieuwsbrief Nr. 35 - mei 2007

Tante Kato ging op reis En ze zag het graf van Amália Rodrigues


* 1920-1999 * Nationaal Pantheon Lissabon, Portugal *

Ze is de Portugese Maria Callas (1923-1977). Wat Billie Holiday (1915-1959) voor de blues betekende, was Amália voor de fado. Vergelijkingen met andere grandes dames is voor de hand liggend maar weinig origineel. Feit is dat de Rainha do Fado (koningin van de fado)
het symbool is van de Portugese culturele heropstanding. Wie zoals ik midden de twintigste eeuw geboren werd, leerde de fado via haar kennen. Amália Rodrigues was méér dan vijftig jaar de belangrijkste fadista en dankzij haar kreeg dit muziekgenre wereldwijde bekendheid.  Een reisje naar Lissabon is niet compleet zonder het graf van Amália Rodrigues met een bezoek te vereren.

De exacte origine van de fado (van het Latijnse fatum, het lot) is nog niet achterhaald. Volgens een bepaalde interpretatie gaat de zang terug tot de eerste zeevaarders, die met heimwee aan hun land dachten. De fado kan ontstaan zijn in Brazilië, waar de zwarte slaven hun lot betreurden. Zoals de blues is de fado een uiting van ellende, hoop, leed, liefde, passie, pijn, verdriet, verlangen en zorgen. Fado is een schreeuw, een sfeer, een gemoedsgesteldheid.  Noch vrolijk noch triestig. Rond 1822, in de periode dat Portugal de kolonie Brazilië verloor, kwam de fado naar Lissabon. Daar werd de muziek vermengd met de nog steeds aanwezige eeuwenoude Arabische invloeden. Bij alle miserie voegde men de treurnis om de vergankelijkheid van Portugals glorieuze verleden en het heimwee naar vervlogen heldenmoed. Rond de tijd dat Amália geboren werd, had de fado zich in heel Portugal verspreid.

De ouders van Amália migreerden van de westelijke provincie Beira Alta naar de hoofdstad.  Amália werd dus aan de oevers van de Taag in Oost-Lissabon geboren, in het oude stadsdeel Alfama. Die naam is afgeleid van het Arabische Al-Hama  en betekent Warm Water, naar de op deze heuvel gelegen bronnen. De hele wijk leefde van de haven en haar producten en de kleine Amália moest een centje bijverdienen door langs de straten te leuren met vis en fruit. ‘s Avonds na een dag hard labeur kwam de hele wijk samen om te luisteren naar de fado vadio, de reizende fado of volksfado, vaak zonder begeleiding van instrumenten. In 1935 kon de jonge Amália voor het eerst optreden begeleid door een gitaar. In 1940 huwde zij met Francisco da Cruz, een draaier-mecanicien maar ook amateur gitarist. Het huwelijk duurde maar twee jaar. In 1943 trad zij voor het eerst buiten de landsgrenzen op, met name in Spanje en Brazilië. Na de Tweede Wereldoorlog raakte de fado over de hele wereld bekend. Vanaf 1947 trad Amália ook in een aantal films op. In 1961 vond zij het huwelijksgeluk aan de zijde van César Seabra, een ingenieur met wie ze in Copacabana woonde. Ze hadden drie kinderen.
Amália is opgegroeid onder de dictatuur van Antonio Salazar (1933-1968) en dit zorgde voor een wrang aspect van haar leven. Salazar, die de grootheid van Portugal maar al te graag hoorde bezingen, bracht de fado tot het niveau van nationale kunst. Amália genoot dus in een zekere zin de bescherming van het fascistische regime. Op onze Expo 58 kreeg ze van Portugal een eremedaille en in 1966 zong ze bij de inauguratie van de Salazar-brug (nu 25 April-brug). Na de Anjer-revolutie (1974) kwam de muziek, die zo intens door de dictatuur omarmd was, in diskrediet. Amália koos de zijde van de revolutionairen waarna haar verweten werd een vermomde fascist, een collaboratrice en een opportunist te zijn. Laat ons aannemen dat Amália nooit aan politiek gedaan heeft en dat ze zich alleen maar met haar kunst bezig hield. 
Amália Rodrigues trok zich een tijdje terug uit de schijnwerpers maar uiteindelijk was de fado sterker. Twee jaar voor haar dood verscheen “Segredo”, haar laatste CD.
Amália werd eerst begraven op het Cemitério Dos Prazeres. Kort daarop werd ze als een nationale heldin bijgezet in de Santa Engrácia-kerk, die in 1916 de bestemming van Nationaal Pantheon gekregen had. Dit gebouw heeft een merkwaardige geschiedenis: een eerste kerk dateert van ca. 1570 maar die werd op een koude winternacht van 1630 ontheiligd. Iemand had het tabernakel stukgeslagen en de hosties ontwijd. Als zondebok werd een jood aangeduid, die onschuldig was maar niet voor een alibi kon zorgen. De man had namelijk een geheime verhouding met een kloosterlinge. Om haar en haar klooster niet in verlegenheid te brengen, zweeg hij als de dood, tot op de brandstapel.  In de kerk mocht wegens die heiligschennis geen mis meer opgedragen worden. Gelukkig zorgde een storm in 1681 voor de oplossing. De oude kerk stortte in en men was eindelijk verlost van alle miserie. Nu kon
een nieuwe kerk gebouwd worden. Groter, prachtiger en hoger dan de vorige.  De bouw van de mastodont duurde maar liefst 284 jaar. Eigenlijk moest in 1916 alleen nog de koepel geplaatst worden, maar de architecten en bouwkundigen vreesden dat de muren nooit het gewicht van de koepel zouden kunnen torsen. Een “werk van Santa Engrácia” betekent in Portugal dan ook “een werk van lange adem”. In 1966 werd het Pantheon eindelijk ingehuldigd.


Het witte gebouw torent boven de rode daken van Alfama uit. Van op het terras op de zesde verdieping (gelukkig is er een lift) heeft men een schitterend panorama over oostelijk Lissabon. Het is een van de weinige plekken waar men Lissabons twee bruggen kan zien. Het grondplan van het gebouw is een Grieks kruis met verkorte armen. Onder de koepel is de centrale ruimte, uitgevoerd in kleurige koele marmer. Hier staan onder meer cenotafen voor Hendrik de Zeevaarder en Vasco da Gama. In de vierkante hoektorens zijn vier zijkamers ondergebracht. Zo is een kamer gereserveerd voor politiekers en een voor de Lusiphonos, de
verspreiders van de Portugese taal. Hier vinden we de tombe van Amália Rodrigues, de ambassadrice van de fado.

Haar huis in de Rua Sao Bento werd een museum. Wij hebben het jammer genoeg niet gezien. Manlief, we zullen toch nog eens terug naar Lissabon moeten !
Tekst en foto's : Tante Kato