Nieuwsbrief Nr. 35 - mei 2007

Van kerkhof naar begraafplaats: makkelijker gezegd dan gedaanCis Kennes pleegde volgend artikel


Elke geleide kerkhofwandeling die zich respecteert, begint met de vermelding van de maatregelen van Jozef II en Napoleon (23 prairial jaar XII), waardoor steden en gemeenten op zoek moesten gaan naar begraafplaatsen buiten de stad. En dat was niet zo simpel, alleen al omwille van de onbereikbaarheid ervan voor de diepgelovige jan-met-de-pet: we zijn tenslotte nog niet in 1900 ! Een tweede probleem was om grond te vinden die niet te nat en niet te droog was waardoor de  termijn van ontbinding (5 j.) mogelijk zou verlengd worden : in het polderlandschap niet zo eenvoudig om het drijven van  kisten te vermijden! (Vandaar de optie om dan maar boven de grond te gaan in Oostende) .Maar ook andere factoren speelden een rol. Ik geef het voorbeeld van twee steden aan de kust: Blankenberge en Oostende.
Die moesten nog met een bijkomende factor rekening houden: de opkomst van het toerisme dat toen nog in volle expansie was. Geef toe: wanneer je in leuke vakantiestemming van de trein stapt en het eerste wat je ziet is een kerkhof (vb.Sint Antonius in Blankenberge) dan weet je dat zo iets “impressionne désagréablement l’étranger dès son arrivée”. Bovendien: hoe verder van de kerk gelegen, hoe groter de afstand werd die de zwarte snikkende rouwstoet voor het oog van de toeristen moest afleggen!
Bovendien had men in die tijd net enkele verwoestende epidemieën (in Blankenberge de pokken) achter de rug en werd hygiëne, lucht en licht een topprioriteit. Kerkhoven werden algemeen aanzien als een belangrijke oorzaak van ziekten of minstens van bezoedeling, zowel van het grondwater (en zo van het putwater) als van de gezonde zeelucht. In Blankenberge zou een pomp van het Slachthuis (ironisch genoeg gelegen vlak bij het kerkhof) door organische resten verstopt zijn geraakt…
In de discussie met de randgemeenten naar waar men wilde uitwijken, werd met dat soort bekommernissen over en weer geslingerd. Zo argumenteert het gemeentebestuur van Uitkerke (waar Blankenberge zijn oog op had laten vallen voor de nieuwe Begraafplaats):” Voegt daarbij dat wij…nog bijzonderlijk ten gevolge van de noordwestenwinden die alhier om zo te zeggen voortdurend heerschen de eerste slachtoffers zijn der vuile en besmettende dampen die ons zullen tegenwaaien”. Er wordt dan ook prompt een “Comite local de salubrité” opgericht en een wetenschappelijk onderzoek gevraagd bij M.Rutot, “géologue et conservateur au Musée royal d’histoire naturelle à Bruxelles”.Oostende pakt het nog wetenschappelijker aan: daar kennen ze zelfs de chemische samenstelling van de gevaarlijke dampen :”La putréfaction d’un cadavre a pour résultat immédiat la formation de gaz, tels que l’acide carbonnique, l’ hydrogène phosphorique, l’ammoniaque ,l’hydrogène sulfure etc.; de plus, des exhalaisons d’une nature spéciale ,qui ne se soumettent à aucune analyse chimique…,d’une perfidie qui leur est propre. » En dat is niet alles: er is ook brandgevaar door « l’exhalation du gaz (hydrogène phosphoré) dont nous avons parlé et qui, arrivant à l’air dans des conditions déterminées, s’enflamme spontanément ». Het was dus toen met de begraafplaatsen  zoals nu met de stortplaatsen voor nucleair afval : Oké, maar niet in mijn achtertuin!…

Tenslotte was er nog het niet te onderschatten economisch argument :de winkeliers, handelaars en neringdoeners van Uitkerke vrezen in 1895 zwaar inkomensverlies door de rondtrekkende lijkstoeten en eisen van Blankenberge compensaties. Maar nog belangrijker is de invloed van de grondspeculanten (toen ook al ! ).De nabijheid van een begraafplaats kan de prijs van de omliggende grond doen dalen. En om een begraafplaats in duinenzand aan te leggen zouden bij onteigening exuberante bedragen moeten  neergeteld worden aan de grootgrondbezitters (die meestal uit het binnenland kwamen) (1).
Om maar te zeggen dat het soms letterlijk heel wat voeten in de aarde had vooraleer ook effectief tot de verhuis werd overgegaan…
 
Cis Kennes
Bronnen :
-  Verslag van het college van Burgemeester en Schepenen over het Bestuur en den Toestand der Zaken van de Stad Blankenberge gedurende de dienstjaren 1893-1898.
(1)   p. 326 :”Un cimetière ne pouvant être une cause de dépréciation pour les terrains à bâtir environnants, aucun de ces  spéculateurs ne consentirait à nous vendre à l’aimable un emplacement. Nous serions obligés d’exproprier judiciairement et comme il s’ agit de terrains de grand avenir, nous serions condamné à les payer un prix insense… »
-  Ville de Blankenberghe. Règlement concernant la police de la voirie (…) des inhumations, des bains de mer, des bâtisses etc., 25 janvier 1882., p. 32, Titre IV : Inhumations.
-  Ostendiana 1907, Tome Troisième ,par Robert de Beaucourt de Noortvelde.
 
Foto’s bekomen van Cis Kennes