Nieuwsbrief Nr. 33 - januari 2007

Mechelen toont zijn, funeraire, schattenGeslaagde dag met twee verschillende rondleidingen


Onder leiding van de heer Wellens, die ons in het verleden reeds vakkundig rondleidde op de Mechelse begraafplaats, ging het om 10 uur richting Sint Rombouts.
 In 1207 werd aangevangen met de bouw van de kerk. In 1451 werd de sluitsteen van het koor geplaatst. Eén jaar later startte men met de bouw van de toren, wat nog eens 70 jaar zou duren. In 1559 werd Mechelen tot aartsbisschopdom gepromoveerd, de eerste kardinaal was de Granvelle. Een eerste grafmonument dat we bekeken was dit van Berthouts, heren van Mechelen. Boven het altaar, zo vertelde ons gids, geen schilderij zoals gebruikelijk is het gebeente van de Heilige Rombout. Aan de hand van een aantal schilderijen werd het leven van deze heilige uitgelegd. Spijtig genoeg konden we niet in het koor, daar zijn eigenlijk de prachtigste mausolea te bewonderen, onder meer voor de opvolgers van kardinaal de Granvelle: Joannes Hauchain, Mathias Hovius, Jacobus Boonen en Andreas Cruesen. Wat verder kardinaal de Franckenberg, kardinaal tijdens het Oostenrijkse bewind en de laatste kardinaal voor de Franse revolutie. Zijn grafmonument dateert uit 1818 en werd samengesteld uit beelden die van elders kwamen mits toevoeging van een medaillon met daarop kardinaal de Franckenberg. Zijn lichaam werd in Breda begraven en pas in 1924 naar Sint Rombouts overgebracht. 
   
Tussendoor zagen we ook de grafkapel voor kardinaal Sterckx uit het midden van de 19e eeuw. Aan de overzijde van het koor ligt de voorganger van kardinaal de Franckenberg: kardinaal d’ Alsace. Verder in de kerk wees de heer Wellens ons op de laatste rustplaats voor kardinaal de Méan. Kardinaal Mercier kreeg een gisant van de hand van een Pools priester-kunstenaar. Daarnaast kardinaal Van Roey. Een heel sombere grafplaat voor kardinaal Suenens, die in 1996 overleed. Onze gids had terecht Sint Rombouts als eerste gezet want we dienden de gebedsplaats te verlaten om plaats te maken voor een begrafenis.
Vandaar trokken we naar de Grote Markt van Mechelen. Onze gids vertelde over de twee bloeiperiodes van de stad: de Middeleeuwen en de Bourgondische tijd. Het beeld van Margaretha van Oostenrijk, die Mechelen uitkoos als residentiestad, moest wijken voor de wekelijkse markt en werd naar de hoek verbannen. De heer Wellens had nog enkele pittige anekdotes voor ons. Over het huis “het varken”, met een afbeelding van het dier op het dak, wist hij te vertellen dat de toenmalige eigenaar ruzie had met zijn buurman. Daarom deed het zijn gevoeg in de dakgoot van de buurman. Over een huis in de onmiddellijke omgeving wist de heer Wellens te vertellen dat het eertijds “de engel” heette. Na een nachtelijk bezoek van Karel de Stoute waar hem een allesbehalve vriendelijke ontvangst te beurt viel liet Karel de Stoute de naam “de engel” wijzigen in “den beer”, omdat hij de eigenares een beer van vrouw vond. We vernamen ook hoe de Mechelaars aan hun spotnaam “maneblussers” kwamen. Tijdens een “vochtige” nacht dachten ze dat Sint Rombouts in brand stond, de brandweer werd opgeroepen en kwam ter plaatse en begon te blussen. Toen pas constateerden ze dat het de maan was die achter Sint Rombouts scheen. We eindigden in de trouwzaal van het Mechels stadhuis waar we even dienden te wachten voor een aan gang zijnd huwelijk. Dus al onze tweede “begrafenis” van de dag. In de kolommenzaal bewonderden we een gigantisch wandtapijt “het beleg van Tunis” voorstellende dat geschonken werd door kardinaal de Granvelle. Een rondleiding met de vzw Grafzerkje zou niet geslaagd zijn zonder het steeds weerkerend “mysterie”. Onze An Hernalsteen zadelde de gids op met een vraag. Bij een wandtapijt van de hand van Willem Geets stelde zij dat bij  deze kunstenaar er een plooi in het afgebeelde tapijt ligt. Volgens kenner An is dit het geval voor elke afbeelding van een tapijt van de hand van deze kunstenaar. Ik dacht de het misschien te maken kan hebben met het feit dat Willem Geets, zoals onze An, een kettingroker was en hij ergens met zijn “stompeltjes” diende te blijven: onder het tapijt dus. De heer Wellens beloofde de zaak te zullen onderzoeken.
Om 14 uur van startten we met 15 deelnemers voor onze tweede funeraire ontdekkingsreis onder leiding van de heer Wellens. Op een plaats waar niemand, buiten onze Johan Moeys maar die was verdorie toch ter plaatse op prospectie geweest, verwachtte stond een plaquette voor Frederik de Merode die hier stierf. Hier waren er ook weer vragen want was de Merode niet overleden in Berchem bij Antwerpen? Neen, ziehier het verhaal: Frederik de Merode, Nederlander die tegen Willem I vocht, werd op 26 oktober 1830 gewond in de strijd bij Antwerpen. Dokter Seutin amputeerde het been van de onfortuinlijke de Merode in de hoop diens leven te redden. Dezelfde dag wordt Frederik naar zijn familie in Mechelen vervoerd. Op 4 november 1830 overlijdt hij aan zijn verwondingen te Mechelen. Zijn familie beslist om hem in Berchem te begraven. Onze eerste namiddagkerk was Petrus & Paulus, een Jezuïetenkerk. De heer Wellens vertelde hier over Marghareta van Oostenrijk. Haar lichaam werd begraven in een grafmonument in het Franse Bourg en Bresse, stad waar haar toenmalige echtgenoot overleed. Zij werd landvoogdes van de Nederlanden en haar hart vertoeft in het klooster van de Annunciaden te Brugge, omdat men zegde dat zij daar haar hart verloren had en haar ingewanden bevonden zich in een grafurne hier in Mechelen, omdat zij leefde en at in deze stad. Het graf werd vernield en overgebracht naar de Jezuïetenkerk waar zij rust onder een zeer eenvoudige plavei. Even schrokken we op toen we op een schilderij lazen “SEX doet de afgoden omwerpen”? Bleek dat het aan onze ogen lag want de heer Wellens wees er ons op dat er wel degelijk “S.F.X.”, Sint Franciscus Xaverius op stond. Of waar de mond van vol is? Tijdens de periode 1773 – 1783 werden hier 94 paters begraven in de crypte, die we niet konden zien. Wel zagen we een prachtig beeld “Maria met Jesus”, Maria houdt hier het kindje Jesus niet vast, het staat apart. Het beeld is van Maria Faid’herbe uit het begin van de 17e eeuw, zuster van Lucas Faid’herbe, waarvan we eerder reeds enkele meesterwerken mochten ontdekken. 
We bewonderden ook nog een beeld van Franciscus Xaverius op zijn sterfbed. Bij het verlaten van de kerk vergaapten we ons aan de 17e eeuwse preekstoel, de vier werelddelen symboliserend: Europa steunt op de hoorn des overvloeds; Amerika is een indiaan met typisch pluimenhoofdtooi; Azië wordt voorgesteld door een vrouw op blote voeten omwille van het brandend zand van de woestijn. Afrika is een negroïde figuur met aan zijn voeten een olifant en een krokodil met opengesperde bek – neen, dit is niet het symbool van de Brusselaar. Buiten stonden we op de plaats vanwaar we zicht hadden op de vier “akten”:  “Geloof” met de kerk die we juist verlieten, “liefde” met de stadsschouwburg (het voormalige paleis van Margaretha van York), “hoop” met het ziekenhuis en “berouw” met het gerechtshof, (het paleis van Margaretha van Oostenrijk). We namen een kijkje in dit prachtige gebouw. Vandaar toog het gezelschap op een drafje naar het Hof van Busleyden voor een bezoek aan een grafepitaaf. We zagen ook werk van de Mechelse kunstenaars Ernest Wijnants en Rik Wouters en konden ook een “schandpaard” bewonderen waarop vrouwen die zich prostitueerden te kijk werden opgezet. Het schijnt was het daar indertijd aanschuiven geblazen. We zagen daar ook het originele “Opsignoorke”. Deze houten pop, vroeger “sotscop” of “vuilen bras” genoemd, werd tijdens stoeten omhoog geworpen en terug opgevangen in een laken. In 1775 raakte de pop buiten het bereik van het doek en een Antwerpenaar, een zekere Jacobus De Leeuw, stak zijn armen uit om de pop af te weren maar werd van diefstal beschuldigd. Sindsdien kreeg de pop de naam “Opsignoorke”. Onze volgende kerk was niet toegankelijk wegens een doopfeest (dus we hadden op één dag een overlijden, huwelijk en doop gekregen) maar via het prachtige begijnhof en de kerk togen we naar Onze Lieve Vrouw aan de Dijle. We zagen daar het altaar van de visverkopers met een schilderij van Pieter Pauwel Rubens, de wonderbaarlijke visvangst. Moe maar voldaan en met een zak vol extra opgestoken kennis verlieten we Mechelen. De avondmis heb ik die avond maar even gelaten voor wat ze was want “trop is teveel”.
Tekst en foto's : Jacques Buermans