Nieuwsbrief Nr. 31 - september 2006

BalticsRindert Brouwer bezocht de Baltische staten, zevende deel


Ons lid Rindert Brouwer en dé stuwende kracht achter de buitenlandse activiteiten van de Terebinth bezocht de Baltische staten en de begraafplaatsen aldaar. Hij bezorgde ons, in feuilletonvorm, de neerslag van zijn ervaringen.
 
feuilleton deel 7
 
ESTLAND - TALLINN (deel 1)
 
inleiding
 
Op de kruising van de Falgi tee en de Toompea ligt een groot blok graniet. Het is afkomstig uit een steenhouwerij van grafstenen, die dergelijke blokken aanleverde om de toegangswegen naar de stad te barricaderen bij een eventuele aanval van de Russen, toen Estland zich op 20 augustus 1991 onafhankelijk verklaarde. Die datum staat ook op de steen. Hiermee begon voor Estland een nieuw leven: de onafhankelijkheid van de Republiek Estonia. In tegenstelling tot Litouwen en Letland verliep de overgang in Estland zonder bloedvergieten.
Hoezeer de Esten zich daarna nationalistisch en anti-Russisch zijn gaan gedragen, illustreert onze stadsgids.
Zij is een aardige vrouw, zeer bevlogen, maar nationalistisch tot op het bot. Omdat ze daardoor nog al eens langdradig wordt en bij wijze van spreken om de vijf meter oreert over weer een ander stukje Estse geschiedenis, gelardeerd met anti-Russische gevoelens, haken wij af na drie uur en gaan lunchen op een van de terrassen van de oergezellige Raekojaplats (Raadhuisplein). Dat de gids op onze vraag naar begraafplaatsen alleen de Metsakalmistu vermeldt als de belangrijkste begraafplaats, omdat daar veel beroemde Esten liggen, is niet de enige reden voor ons deze begraafplaats niet te bezoeken. Hij ligt erg ver in de noordelijke wijk Pirita en wij hebben maar één dag om kennis te nemen van de funeralia in Tallinn. Zij ontkent hiermee wel een stuk Estische geschiedenis, want de Metsakalmistu werd pas geopend in 1933, terwijl de oudste begraafplaats uit 1775 stamt, de Siselinna kalmistu.
Volgens de legende heeft Tallinn een funeraire oorsprong. Linda, de weduwe van Kalev, bracht na de dood van haar man stenen bij elkaar voor een waardevol graf. Daaruit ontstond de Domberg. De laatste steen liet ze echter vallen en uit teleurstelling begon ze te huilen. Daaruit ontstond het Ülemiste meer, waar vandaag de dag nog de laatste steen, de Lindakivi, ligt. De Domberg is daardoor nooit afgekomen en dat is maar goed ook. Want bij het meer woont een gnoom die dreigt de stad te overstromen, als ze voltooid wordt.
In Tallinn zijn niet zoveel begraafplaatsen als in Vilnius en Riga. Er zijn er acht, die verspreid liggen over het stadsgebied. Het zijn over het algemeen centrale begraafplaatsen, die bestaan uit verschillende afdelingen voor diverse groeperingen of religies, al of niet gescheiden van elkaar door muren of wegen. Wij kiezen voor de Siselinna kalmistu, bestaande uit een Russisch-orthodox, een Estisch en een militair gedeelte, en voor de Rahumäe kalmistu, bestaande uit verschillende religieuze delen, o.a. joods. Beide begraafplaatsen liggen bovendien aan beide zijden van het traject van buslijn 23 en 23A, die vertrekt vanaf halte Vabaduse väljak net ten zuiden van het centrum.
Een zoektocht in diverse boekhandels levert een boek op over de begraafplaatsen in Tallinn: Tallinna Kalmistud van Karl Laane. Het boek is echter in het Estisch, een taal die verwant is aan het Fins, maar daardoor voor ons niet leesbaarder wordt (ooit gedacht dat üks-kaks-kolm hetzelfde is als een-twee-drie?) . Een woordenboekje Eesti- Saksa (estnisch-deutsch) en wat gepuzzel brengt een beetje uitkomst om wat meer te weten te komen over de kalmistud in Tallinn. Er staan in elk geval plattegrondjes en foto’s in.
 
TOOMKIRIK (Domkerk)
 
De Domberg is niet alleen uit legendarisch oogpunt funerair interessant, maar ook uit historisch oogpunt. Hier is in en rond de Domkerk het christelijk begraven in Tallinn begonnen. Op de berg werd eeuwenlang op het kerkhof rond de Domkerk begraven, maar vooral in de Dom.
 
Via de Toom-Kooli kom je op de Toompea, waar de Toomkirik ligt; aan de voet van de berg ligt het Toompark, waarlangs de Toompuiestee loopt (Dom-Schoolstraat, Domberg, Domkerk, Dompark, Domhoofdweg). Uit het herhaaldelijke gebruik van het woord Toom blijkt al welk een centrale plaats de Dom inneemt in de geschiedenis van Tallinn. Van een simpel bouwwerkje in 1219, na de inname van de nederzetting door Waldemar II van Denemarken en de invoering van het christendom, groeide de Dom in de 15e eeuw uit tot een gotische kathedraal. Daarna werden er nog wat bouwwerkjes toegevoegd tot en met de laatbarokke westertoren in 1779. Als belangrijkste religieuze bouwwerk in Tallinn was de Dom de plaats waar de adel en de geestelijkheid zich in de kerk en de gewone burgers zich rond de kerk lieten begraven. Het kerkhof heeft bestaan tot in de zeventiger jaren van de 18e eeuw. In 1772 vaardigde de regerende senaat een verordening uit, waarin het begraven in de kerk en op het kerkhof werd verboden. Naast het barokke altaar en de preekstoel van Christian Ackermann, vallen in het interieur vooral de prachtig gesneden en kleurrijke wapenepitafen aan de wanden en de grafmonumenten tegen de wanden op.

Grafmonumenten

In de Dom zijn een aantal grafmonumenten bewaard gebleven. Tot de Reformatie in juni 1561 werden ook de geestelijken in de kerk begraven en wel onder de sacristie. De belangrijkste en bezienswaardigste grafmonumenten in de kerk zijn van na de Reformatie. Toen won de hoogadel aan belangrijkheid en legden zij de grondslag voor een nieuw soort grafmonumenten. Tot dan toe waren de graftekens voornamelijk rechthoekige grafzerken in gotische stijl in de vloer met als inscriptie of in licht reliëf de gestalte van de overledene. Na de intrede van de Renaissance in de kunst, werd het grafteken vervangen door een soort paradebed, waarop de dode lag omgeven door een Renaissancedecor met teksten die de dode de hemel in prezen.

1.   Gregoriuskapel
2.   grafmonument van Adam
      Johann von Krusenstern
3.   graf van Samuel Greigh
4.   grafmonumenten:
      - Familie von Tiesenhausen
      - Ferdinand von Tiesenhausen
5.   grafmonument van
      Pontus de la Gardie
6.   grafzerken van:
      - Carl Heinrichson von Horn
      - Otto von Uexküll
7.   epitaaf van Johan Hastfer
8.   zuidwestkapel
9.   voorportaal
10. grafkapel van Otto Wilhelm
      von Fersen

In het priesterkoor, te beginnen rechts van het altaar (zuidzijde):
- Pontus de la Gardie (1520-1585) met zijn vrouw Sophia Gyllenhjelm († 1583). Pontus, een geboren Fransman, was Zweedse stadhouder, die bij een belegering in de rivier de Narva verdronk; het tafereel siert de zijkant van de sarcofaag. De uitvoering van het graf door Meester Arent Passer is beïnvloed door het Franse maniërisme.
-Van de sarcofaag van Carl Heinrichson von Horn (1550-1601) en zijn vrouw Agnes von Delwig is alleen de renaissancistische dekplaat bewaard gebleven.
- Daarnaast staat de grafplaat van de door de Zweden aangestelde veldmaarschalk Otto von Uexküll (1563-1601). De plaat bedekte vroeger zijn grafgewelf voor het hoogaltaar.
In het priesterkoor, te beginnen links van het altaar (noordzijde):
- De sarcofaag in renaissancistische stijl van de familie von Tiesenhausen, een van de oudste adellijke families van Estland, gemaakt door Meester Arent Passer in 1599 voor ridder Caspar von Tiesenhausen en zijn vrouw Märta Oxenstierna.
- Als laatste werd in de grafkelder van von Tiesenhausen Berend Gregor Ferdinand von Tiesenhausen (1782-1805) bijgezet, de vleugeladjudant van tsaar Alexander I, gesneuveld in de slag bij Austerlitz tegen Napoleon. Er mocht na 1772 officieel niet meer begraven worden in de kerk, maar de tsaar zelf gaf toestemming. Er werd voor hem een classicistisch grafmonument, een marmeren obelisk, naast het familiemonument geplaatst.
Tegen de noordwand zien we grafmonumenten in de stijlen barok, classicisme en neogotiek, van oost naar west:
- Fabian von Fersen (1626-1677), Zweedse veldmaarschalk en gouverneur.
- Otto Reinhold Taube en zijn vrouw Margaretha Oxe (2e helft 17e eeuw). De paradebedvormige sarcofaag met daarop de gestalten van de overledenen uit de Renaissance werd in de barok vervangen door een kistvormig monument, waarop de tekst soms geheel ontbreekt en waar naast barokke versieringen veel geslachtswapens zijn afgebeeld. Beide ‘kisten’ zijn werken van de Zweedse Meester Johann Gustav Stockenberg.
- Samuel Greigh (1735-1788). Admiraal Greich was een Schot, die bij de Russische marine roem verwierf in de Turks-Russische zeeslagen. Dit vroeg-classicistische tempelachtige grafmonument was een ontwerp van de Italiaanse architect Giacomo Quarenghi en werd in Italië gebeeldhouwd in marmer door Giuseppi Luciani.
- Adam Johann von Krusenstern (1770-1846), een Duits-Estische ontdekkingsreiziger, die de eerste zeiltocht rond de wereld onder Russische vlag ondernam, had op zijn sterfbed de wens te kennen gegeven begraven te willen worden naast Samuel Greigh. Hoewel het begraven in de kerk al sinds 1772 verboden was, gaf de tsaar toch toestemming von Krusenstern in de kerk bij te zetten. Het grafmonument in neogothische stijl is een werk van steenhouwer Johann Gottfried Exner. Als laatste werd in 1849 de weduwe van Von Krusenstern, Juliane Charlotte von Taube (1780-1849) in de kerk bijgezet.

Wapenepitafen

In 1252 sloten de vazallen van de Deense koning in Estland zich aaneen tot de communitas vasallorum, waaruit de Estlandse Ridderschap voortkwam, de grondslag voor de Estische adel, die aanvankelijk alleen uit Denen en Duitsers bestond, maar waar later ook Esten lid van werden. De Estlandse Ridderschap werd in 1920 bij wet afgeschaft. De leden van de Ridderschap lieten zich in de kerk, o.a. de Dom, begraven. In de grafkelders van de Dom werd meerdere malen begraven en de namen van hen die later werden bijgezet, werden op epitafen aan de muur gehangen, zo dicht mogelijk bij de grafplaats. En zo ontstond aan de wanden in het interieur van de Dom een wonderlijke, kleurrijke, maar tevens unieke verzameling van 103 wapenepitafen.
De traditie van de wapenepitafen is terug te herleiden tot in de Renaissanceperiode, toen het gebruik werd bij de uitvaartprocessie van iemand van adel zijn wapen(epitaaf) voor de kist uit te dragen en deze na de begrafenis aan de muur of een pilaar te hangen. Het oudste in Estland bekende wapenepitaaf stamt uit 1586.
De wapenepitafen zijn uit hout gesneden, polychroom beschilderd en bestaan uit twee delen, het familiewapen boven en de epitaaf onder, waarin naast naam, data, rang en stand ook allerlei loftuitingen aan het adres van de dode werden toegevoegd. De meeste epitafen zijn in barokstijl gemaakt.
Tot het midden van de 17e eeuw waren kleine wapenepitafen gebruikelijk, die gemakkelijk door een knecht gedragen kon worden. Eenmaal opgehangen in de kerk waren ze niet meer zo imposant. Daarom groeide in de tweede helft van de 17e eeuw de vraag naar grotere en fraaier versierde wapenepitafen. Elert Thiele was de eerste houtsnijder, die beduidend grotere epitafen maakte, maar het was zijn leerling Christian Ackermann die de decoratief versierde epitafen tot bloei bracht. Hadden de eerste epitafen een doorsnee van een halve meter, hij maakte ze tot 2,60 m doorsnee. Tot de interessantste epitafen behoren de zes, die onder het wapenschild of los op palmbladeren ook nog een stamboom hebben.
Toen de senaat in 1772 in een verordening het begraven in kerken en op kerkhoven verboden had, nam het gebruik van wapenepitafen drastisch af. De weinige die dan nog opgehangen worden zijn dan ook eigenlijk wapencenotafen, gedenktekens voor personen die elders zijn begraven.
Van het einde van de 17e eeuw tot in het eerste decennium van de 20e eeuw zijn er wapenepitafen gemaakt en opgehangen in de Dom.

NB. NIGULISTE KIRIK (Nikolaaskerk)

Helaas was de Niguliste kirik (Nikolaaskerk) gesloten op de dagen dat wij in Tallinn waren. De kerk is nu een filiaal van het Estische kunstmuseum en tevens concertzaal.
In het interieur bevindt zich het beginstuk van een 15e eeuwse Dodendans van Bernt Notke uit Lübeck. Van de aanvankelijke compositie van 50 figuren zijn alleen de eerste 13 bewaard gebleven: prediker, paus, keizer, keizerin, kardinaal en koning, en 7 reidansende skeletten.

Wordt vervolgd.
Volgende keer: Estland - Tallinn deel 2

Rindert Brouwer

© Atelier ‘Terre aarde’
tekst: Rindert Brouwer
foto’s: Jeannette Goudsmit & Rindert Brouwer

Wie niet kan wachten op de volgende verhalen: alle verhalen en gegevens zijn verwerkt tot een boekje van 52 bladzijden, met 65 foto’s (zwart-wit).
Het boekje NON OMNIS MORIAR. Begraafplaatsen in de Baltische Staten is te koop voor
€ 7,50. Ofwel incl. verzendkosten: Nederland € 9,00; België € 10,00
[email protected]
www.atelier-terreaarde.nl