Nieuwsbrief Nr. 30 - juli 2006

Bestuur Grafzerkjes als BV’s ontvangen te Menende stad Menen bezorgde het vzw Grafzerkjesbestuur een prachtige dag. An Hernalsteen maakte het verslag


Om hun waardering uit te spreken voor de inspanningen die vzw Grafzerkje, lees ons bestuurslid Martin Demedts, deed voor de stad Menen werden we door het stadsbestuur uitgenodigd. An Hernalsteen maakte volgend verslag:
 
Op zaterdag 29 mei, om stipt 10u ’s morgens, verzamelde het niet voltallig bestuur van jullie meest favoriete vereniging aan het Schippershof te Menen. Binnen keek een stapel koffiekoeken reikhalzend uit naar onze komst. Het niet voltallig bestuur want Kuifje controleerde nog of de slogan “De trein is altijd een beetje reizen” inderdaad op een grond van waarheid berust en de heer Coremans genekt, gekraakt en aan het bed gekluisterd door een oud, hardnekkig sportletsel gaf voor die dag algemeen forfait. Onze penningmeester, de heer Nelissen, had echter zijn lieftallige echtgenote Marie-Claire meegebracht. Zij kreeg de zware, moeilijke opdracht de heer Coremans op een passende wijze te vervangen. Een taak die ze glansrijk tot een goed einde bracht. (cfr. Haar rol ´s namiddags op de Duitse militaire begraafplaats). De heer Demedts, vandaag gebombardeerd tot manusje-van-alles (bestuurslid, gids en privé-chauffeur) pikte in zijn limousine, ondergetekende op aan het station om klokslag 10u02.
Eenmaal voltallig werd de heer Desloovere van de toeristische dienst in het lang en het breed bedankt voor zijn uitnodiging. Relatiegeschenken veranderden van eigenaar. Ondertussen wierp de voorzitter begerige blikken op het eetfestijn op tafel, het eetfestijn blikte begerig terug. Na het afhandelen van dit officiële hoofdstuk en het breken van het ijs, smolt de berg lekkers als sneeuw voor de zon. [ Tussen haakjes Jupiter en andere weergoden waren ons die dag uiterst gunstig gezind; grijs, bewolkt, frisjes en slechts met een vergrootglas een spatje regen te bespeuren.]
Calorieën dienen om verbrand te worden en we waren niet naar Menen gekomen om koeken te eten en te lanterfanten. Met enige vertraging, te wijten aan het feit dat onze voorzitter de laatste kruimels uit zijn bord aan het likken was, begonnen we aan onze exploratie van Menen. Terwijl we naar het asfalt staarden, gaf Martin ons een gedegen uitleg over hoe en waar de Leie  zich ooit een weg door Menen vocht. Het krinkelende, winkelende waterding was echter in de loop van vorige eeuw voor altijd uit het stadsbeeld verbannen.
Deuren die voor normale mensen gesloten bleven, openden zich voor ons. In het huis Kapelle kregen we een wonderbaarlijk trapje te zien, een waar staaltje van technisch vakmanschap, dat ik direct ter plaatse had willen uitbreken om het alsnog een nieuwe thuis in Melle te schenken. (foto bladzijde 33 links bovenaan)
Wie Menen zegt, zegt vesten en kazematten. De neuzen van onze schoenen richtten zich daarom derwaarts. Van op de vesten kregen we voor het eerst de reeds uitvoerig besproken Leie in het vizier. Van alteratie schoot de heer Cornelissens deze keer geen kemel maar wel een heuse bok.
Na een duik genomen te hebben in een mooi interbellumbadhuis (1937) vernamen we de reden dat Gent-Wevelgem, Omloop het Volk, de Tour de France, de Giro, enz. Menen mijden als de pest. De Menenaars zijn namelijk wieltjesvangers en met de gevangen wieltjes organiseren ze elk jaar wieltjesfeesten. We verklaren ons nader. Op een mooie, zonnige zomerdag reed een paardenkoets een kind ondersteboven. De inwoners van Menen, snugger als ze zijn, haalden de 4 wielen, zijnde de echte boosdoeners, van de koets en plaatsten ze op een rantsoen van water en brood in de gevangenis. De koetsier, nog snuggerder, kocht 4 nieuwe wielen en vertrok met de noorderzon. We hebben de 4 moordenaars, echt waar, met onze eigen ogen gezien.
 
In de kazematten goochelde Martin met kaarten en plattegronden. Hij schudde allerhande datums en historische wetenswaardigheden uit zijn mouw. De essentie van het verhaal was dat d’ Ollanders, krenterig als ze zijn ( met mijn verontschuldigingen aan onze Nederlandse zielsverwanten, jullie behoren zeker niet tot dit ras) Vauban zijn kazematten (1679-1689) gebruikten om de hunne te bouwen. Na zoveel wapengekletter hadden we dringend nood aan iets religieus. De Capucijnenkerk (1745) bracht soelaas. Er scheen zelfs nog een crypte met beentjes onder de kerk te zitten maar die was voor het publiek niet toegankelijk.
We hadden stilaan alles gehad; een scheutje water, een snufje religie, een korreltje militaire strategie, alleen de marketentsters ontbraken nog. Op dus naar de Koningstraat, naar de meisjes van plezier. Het thuisfront mag op beide oren slapen, de 2 dames van het illustere gezelschap hielden de mannelijke bestuursleden gepast aan de leiband. Geen enkele onwelvoeglijke misstap werd begaan.
Na deze geneugten volgden kwellingen. Okseldiep wadend door het kolkende water van de Geluwebeek met aanpalend park, onze kleine maar dappere voorzitter heldhaftig torsend op onze schouders, zochten we de volgende curiositeit, het belfort, op. Ondertussen vocht ik, wild om me heen zwaaiend, een duel op leven en dood uit met de enige hondenstront die Menen rijk was.
Het belfort (overwegend 16° eeuw) eindpunt van onze voormiddagwandeling, haalde ons triomfantelijk binnen met beiaardgezang. Maar welke oen heeft het in zijn hoofd gehaald dit fiere gebouw met een moderne GSM  mast te ontsieren. Knoop hem op! Maar de mast werkt. Het bewijs werd proefondervindelijk door onze telefonerende voorzitter voorgelegd. Buiken knorden, magen rammelden. Met 30 minuten vertraging schaarden we ons rond tafel. Voor de geïnteresseerden volgt hier het menu :
Soep zonder ballekes
Vlees, vraag mij niet welk soort want als vegetariër raak ik die dooie dingen niet aan
Knapperige groentjes
Kroketjes
Koffie en toetje
Ondertussen lasten wij een korte maar heftige vergadering in. Jullie zien wij zijn een noest en vlijtig werkend bestuur dat altijd het nuttige aan het aangename weet te koppelen. Ook de heer Desloovere kon niet echt van zijn maaltijd genieten. Hij zette de zoektocht in naar de sleutels van de Capucijnencrypte. Honderden telefoontjes later kwamen ze boven water (die mast werkt echt). Soepel als we zijn, haalden we het namiddagprogramma vakkundig overhoop. We bewonderden de crypte en de beentjes. (De crypte is dringend aan renovatie toe, de opschriften vervagen).
Pas dan trokken we per wagen, stoetsgewijs naar de Duitse militaire begraafplaats: 48.049 stuks Duits kanonnenvlees vond hier een laatste rustplaats. Je wordt er stil van en automatisch spoken de woorden:” Wo sind alle Männer hin, wo sind sie geblieben “ door je hoofd. Een centraal gelegen kapel domineert het grafveld. Een engel met bazuin fungeert als sluitsteen boven de toegangsdeur. Volgens de gids was de beeldhouwer van deze vleugeltjesdrager onbekend. Ons aller Marie-Claire ontdekte echter een signatuur en datering: Gugl 1958. Wedden dat de heer Coremans het haar nooit had nagedaan.
Nog onder de indruk gingen we de boer op, naar het Hoevemuseum. Hier leerden we alles over ploegen, eggen, zaaien, wieden en maaien. Die van ’t Schoonselhof luisterden geboeid. Binnenkort is die begraafplaats, zeker weten, een groot graanveld. Onze voorzitter werd dolenthousiast toen hij een vooroorlogse hogedrukspuit zag staan. Het scheelde niet veel of we werden daar in Menen voor diefstal gearresteerd.
Op zijn Vlaams, tussen pot en pint, evalueerden we deze dag. Het was fijn, prima gidsen, veel gezien en geleerd, we gaan zeker nog eens terugkomen al was het maar om die mast  op het belfort af te breken.
 

Kuifje

Foto’s van Willy Cornelissens