Nieuwsbrief Nr. 28 - maart 2006

Van Grafzerkjes en Javelboeren“Kuifje” ofte An Hernalsteen maakte een verslag van onze nieuwjaarsuitstap op Schoonselhof


Een kort en bondig, zeer subjectief verslag van een snikhete, zonnige zaterdagnamiddag op ’t Schoonselhof.
28 januari 2006
 
De afwezigen hadden eens te meer ongelijk en veel wijzer zullen ze van dit ernstig stukje kolder niet worden.
 
Noch een merg en been doordringende koude, noch een snijdende wind kon 42 vermetele fanatiekelingen tegenhouden. Na het traditionele academisch kwartiertje van 5 minuten schaarden we ons rond straalkacheltje Jacques, die met bulderende stem iedereen (doden incluis) welkom heette.

Het thema van de wandeling: ” Projecten gerealiseerd dank zij de innige samenwerking tussen Grafzerkjes en Antwerpse leveranciers van bleekwater” werd uitvoerig toegelicht.
We betreurden de onlangs overleden Swa Beerten, bewierookten Marcus Conces. en de niet-intimi onder ons konden eindelijk kennis maken met “onzen” onvolprezen William. Ze werden allen in de ijsbloemetjes gezet.
Spieren verkleumden, vingers kleurden blauw, tenen vertoonden reeds afstervingsverschijnselen, pegeltjes drupten aan wit weggetrokken neuzen. Tijd dus om er de “pas gymnastique” in te zetten. Onder de gedreven leiding van Marc begonnen we aan onze barre overlevingstocht over ’t Schoonselhof.
De eerste die we opgesmukt mochten aanschouwen, was brouwer Carolus Hermans en echtgenote Joanna Kryn. Door een korte maar hevige worsteling met een struik (waarbij de groene onverlaat het onderspit moest delven), had Marc de tombe weer te voorschijn getoverd. Wat ooit dienst deed als knekelput en compostvat van een zwerver blonk nu als nooit tevoren. Maar, oh wat een ontgoocheling, er was geen spat javel op het graf gemorst.
Niet getreuzeld, niet getalmd. Een kranige dame wachtte op ons. Levend had ma Schoeller nooit een voet op Belgische bodem gezet. Pas na haar dood werd ze door de reismicrobe gebeten. Vanuit het verre Duitsland, met een tussenstop op ‘t Kiel, belandde ze uiteindelijk op haar eindbestemming. Leo D’Heu, een goeie ziel, zal haar laatste “hotel” opkalefateren zonder er een druppel javel aan te spenderen. (Ontgoocheling slaat om in diepe wanhoop.)
De volgende, Marc’s eerste liefde, kon niet op het programma ontbreken: François Van Rysselberghe. Bekend als ”de man die zijn volk door één draad leerde telefoneren” of zoals die van ’t Stad het zo mooi zeggen “de man die het electrisch licht aanknipte in de donkere Antwerpse straten”. Marc, nog niet door ervaring wijs geworden, had bij den opkuis de javelfles onaangeroerd thuis laten staan. Ondergetekende werd stilaan radeloos want de titel van de themawandeling bleek langs geen kanten te kloppen.
Tijd nu voor een straf verhaal. Juni 2002 hield het bronzen mannetje van het graf Bertels het voor bekeken en zette het op een lopen. Zoveel lichaamsbeweging niet gewoon zakte hij na luttele meters in elkaar en blies de laatste adem uit. Behulpzame handen vervoerden de stoffelijke resten naar ’t depot. Om te voorkomen dat hij opnieuw de benen zou nemen, schroefde de niet-genoeg-geprezen William onlangs de vluchteling met pinnen en bouten diefstalvrij vast.
Onze voorzitter en maagdekens, dat weten we, dat gaat samen, hand in hand. Het vrijgezellenhart heeft een zwak voor lelieblanke, reine, door het vuur gelouterde zieltjes. Maria ’S Heeren, als moderne heks op de brandstapel gestorven, werd de uitverkoren maagd. Boomstronken en “ de teerbeminde echtgenoot” werden vakkundig gewipt. En hoera, maagden brengen altijd redding want, oef, het verlossende woord javel is ten langen leste toch gevallen.
Tere meisjeszielen zijn daarentegen aan onze computervirtuoos Willy niet besteed. Hij heeft een boontje voor familiekwesties. Arthur Pierre, Hermanus Pierre en Guillaume Pierre passeerden de revue waarbij het stilaan doordrong tot de diepgevroren hersenen van de toehoorders dat Pierre niet de voornaam maar wel de familienaam van de uitverkorenen was.
Pas echt brutaal gewekt uit onze winterslaap werden we door het glasheldere bewijs dat de heer Marc Coremans het niet al te nauw neemt met “ den huwelijkschen trouw”. Beenhouwer Henri Van Poyer, bij leven en welzijn, gelukkig in den echt verbonden met boerendochter Ursula Verbeeck werd na zijn dood door Marc’s schavuitenstreken gekoppeld aan de voor hem totaal onbekende Cecile Vaster. Overspel tot in de kist, foei. Een compleet verloren gelopen Nederlander die ondertussen ijverig grafmonumenten zocht in en rond de Aldi kreeg dit schandaalverhaal gelukkig niet te horen. ( Kort nadien vergaven we unaniem Marc’s scheve schaats toen we vernamen dat zelfs zijn familie warm gemaakt wordt voor de redding van het funerair erfgoed)
Om de gemoederen wat te sussen, troonde Jacques, diplomaat in hart en nieren, ons mee naar het monument voor logebroeder Adolf Dumont. Eerst werd “zijnen” Dolf geadopteerd, later werd de concessie door onze voorzitter ingekocht. Met open mond, stoomwolkjes blazend, aanschouwden we de toekomstige laatste rustplaats van onze grote roerganger. Aangezien het hier een kelder voor 2 personen betreft en we onze leider ook wat plezier gunnen, volgt hier een oproep tot vrouwelijke medeliggers. (On)gehuwde dames kunnen nog steeds hun kandidatuur indienen. Een onschuldige hand zal de gelukkige winnares aanduiden. Indien deze oproep geen vruchten afwerpt kunnen we natuurlijk, in extremis, nog altijd Maria ’S Heeren overbrengen. Het zal er daar beneden dan vurig aan toe gaan.
We zwierven van graf naar graf. Ons hoofd begon te tollen van zo’n overweldigend aanbod en ons hart smolt toen we vernamen dat Grafzerkjes ook zwarte familieschapen zoals Jules Pecher en Theo Van Rijswijck met de tederste zorgen omringen. Laatstgenoemde, een volksdichter, dronk graag een glaasje. Willem hief een Schiedamlied aan. Een ware bezweringsformule voorwaar. Vanuit de struiken (die als bij wonder aan de snoei- en ontwortelingsdrang van de Grafzerkjes ontsnapt waren) doken flessen jenever op. De verdwaalde Nederlander die inmiddels ontdekt had dat den Aldi toch ’t Schoonselhof  niet kon zijn, hoefde de jeneverwalmen maar te volgen.
Vanaf dit moment voltrokken zich fantastische mirakels. Jacques’ straalkacheltje metamorfoseerde zich tot frigobox (echt wel nodig bij zo’n verzengende hitte); 1000 liter javel werden over het graf Flamant geplengd; een aannemer zou gratis, kosteloos voor niets het monument Driessens restaureren; een te Remouchamps van zijn fietsje gevallen kereltje had zijn eerste, plechtige communiekostuumpje aan getrokken om opnieuw op zijn vaste stek te staan; Leo Frenssen op zijn bakfiets en in zwembroek reed voor ons uit richting café Nicolopulo, het clubhuis van de Antwerpse Grafzerkjes. 
Nieuwe flessen geestrijke drank werden ontkurkt. De meute, ondertussen aangegroeid tot 88 stuks (of had dit te maken met de licht benevelde toestand van schrijfster dezes ?) werd uitzinnig.
Rond 16u30 lonkte het einddoel, de warmte van de Leuvenaar. Peis en vree daalden opnieuw over ’t Schoonselhof neer. De doden haalden opgelucht adem.
Besluit en samenvatting van al deze onzin ; goe gewerkt mannen en doe zo verder.

Tekst : An Hernalsteen
foto's : Jacques Buermans
   
WAARSCHUWING ; Aan de welwillende lezer die dit gewrocht onder ogen krijgt en ons niet kent. We zijn een deftige en beschaafde vereniging.
Een nuchter, historisch gefundeerd, accuraat verslag kan eventueel altijd bij onze voorzitter opgevraagd worden.
 
Foto’s van Erika Raven.