Nieuwsbrief Nr. 27 - januari 2006

Tante Kato ging op reis en ze zag het graf van Clemenceau


* Georges Clemenceau * 1841-1929 * le Colombier, Mouchamps, Frankrijk *

13 augustus 2003. De thermometer geeft 40°C aan. Vermoedelijk is het de heetste dag van die hete zomer. De Vendée ligt er op zijn mooist bij : in de bocage (te vertalen als wallen- of coulisselandschap) zijn de goudgele weiden afgezoomd met donkergroene bomen. Koeien zoeken afkoeling en drommen samen in die éne reep schaduw. “Dicht bijeen is lekker warm”, geldt alleen in de winter. Nu is het ondraaglijk warm. Arme koeien. Gelukkig biedt le Colombier, verlaten en slaperig, aan de eenzame toerist de gevraagde koelte.

Le Colombier is een gehucht van Mouchamps en slechts enkele huizen rijk. Dominant is de ferme-manoir waar vanaf de 17de eeuw de vooraanstaande familie Clemenceau woonde. Net buiten het dorp in een heuvelachtig park, ver van alle begraafplaatsen, werden Paul-Benjamin Clemenceau (1810-1897) en zijn zoon Georges begraven. In 1927 had Georges per testament laten vastleggen dat hij naast zijn vader wenste begraven te worden. Zijn begrafenis moest in alle sereniteit gebeuren : géén stoeten, ceremonies of afscheidsredes.
Zijn graf (op de vanuit de hoogte genomen foto rechts maar links als je ervoor staat) moest identiek zijn aan dat van zijn vader : een naamloze sobere steen met een ijzeren gril er omheen. In zijn kist wilde hij souvenirs als een wandelstok, een koffertje, een boek en twee boeketten gedroogde bloemen. Er werd gefluisterd dat hij staande wou begraven worden, een gerucht dat door Bertrand Beyern in zijn “Guide des tombes d’hommes célèbres” ontkracht wordt. Maar hij zou toch lichtjes scheef begraven liggen, wat sowieso het geval is als de lijn van de heuvel gevolgd werd. Op een iets hoger “terras” staat een beeld van Pallas Athena - Minerva, de godin van de wijsheid, die minzaam glimlachend neerkijkt op “les deux Clemenceau”.

Dorst ! En de frigobox is leeg ! Gelukkig stelt ene Madame Jauzelon haar huis open voor bezoekers. Zij werd geboren in 1935, haar vader had nog gevochten aan de zijde van Clemenceau en hij was bij de uitvaart één van de kistdragers. Toen Mme Jauzelon elf was bezocht generaal de Gaulle het graf. Zij heeft een plakboek met foto’s van alle grote bezoekers : politici, prinsen, enz... verkoopt boekjes én drankjes en vertelt honderduit over deze grote man, voor wie ze een enorme bewondering heeft :

Hij werd in 1841 geboren in Mouilleron-en-Pareds, eveneens in de Vendée, in een woning die de inbreng van zijn moeder was. Na zijn studies geneeskunde ging de jonge Georges zich op alle vlakken vervolmaken in de Verenigde Staten. Terug in Frankrijk (1869) gooide hij zich in de politiek. Hij werd chef van de radicale linksen, speelde een leidende rol in de Dreyfus-zaak van 1898, steunde Zola en bedacht de titel “J’accuse”. Hij werd geroemd om zijn scherpe tong en welbespraaktheid en werd le Tigre genoemd. Mme Jauzelon bedekt met de mantel der liefde dat hij zich als minister van arbeid tegen de werkmens keerde en dat hij het vuur liet openen op betogende stakers. Zijn houding van stakingsbreker wordt hem nog altijd kwalijk genomen. Gedurende twee periodes was hij eerste minister (1906-1909 en 1917-1920). In 1919 was hij Voorzitter van de Vredesconferentie van Versailles en dàt leverde hem de bijnaam Père de la Victoire op. In 1920, na zijn nederlaag bij de presidentsverkiezingen trok hij zich terug uit de politiek. De laatste jaren van zijn leven keerde hij terug naar zijn geliefde Vendée, meer bepaald naar het kustplaatsje St-Vincent-sur-Jard, waar zijn laatste woning na zijn dood als museum ingericht werd.

Tekst en foto : Tante Kato