Nieuwsbrief Nr. 23 - mei 2005

Wat is dood?Johan Moeys pleegde volgend artikel


Dood is het einde van het leven en wordt traditioneel aangenomen op het moment dat het hart stopt. Nochtans is biologisch gezien dood geen afgelijnd voorval, maar een gradueel proces dat eindigt met het onomkeerbare verlies van het functioneren van het gehele organisme. Zoals Morrison zei: “Er is geen magisch moment wanneer alles verdwijnt. Dood is net zo min een eenvoudig, duidelijk afgebakend tijdelijk fenomeen als dat het geval is voor kinderjaren, adolescentie of middelbare leeftijd.” En Horan voegt er aan toe:”In tegenstelling tot de juridische beroepen kijkt de medische wereld naar de dood als een doorlopend proces en niet als een ogenblik of een moment in de tijd, zoals de wet denkt.”
 
Hoewel een persoon “dood” kan zijn omdat zijn hart gestopt is, blijven sommige spieren, huid en beendercellen nog voor vele dagen verder leven. Met andere woorden, terwijl de gehele persoon als functionerend organisme dood is, blijven gedeelten van het biologisch organisme voor verschillende perioden verder leven. De tijd dat deze cellen en weefsels leven hangt af van hun mogelijkheid om zonder zuurstof en andere voedingsstoffen te overleven en met een toenemend aantal metabole afvalstoffen die in hen opstapelen. Richard Selzer beschrijft deze laatste levende onderdelen als “buitenposten waar groepen cellen schitteren, belaagd, kleine lichtjes in de toenemende duisternis. Ten dode opgeschreven soldaten die verder vechten. Tot de Dood alles overwonnen heeft.”
 
Wanneer is iemand dan dood?
 
Duidelijk niet als elke individuele cel bezweken is, maar eerder wanneer het aan het individu ontbreekt “aan de eigenschappen die mensen moeten hebben om als levenden in plaats van dode personen beschouwd te worden.” Deze eigenschappen nodig om te behoren tot de levenden variëren tussen de verschillende culturen, in verschillende omstandigheden en in de tijd.
Het 22ste World Medical Assembly wees er op dat “de klinische interesse niet ligt in de staat van bewaring van geïsoleerde cellen maar in het lot van een persoon. Het moment van dood van de diverse cellen en organen is niet zo belangrijk als de zekerheid dat het proces onomkeerbaar geworden is.”
Het bepalen van de dood als definitie op het moment dat het hart stopt werd verwarrend toen de cardiopulmonaire resuscitatie (CPR) de intrede deed om mensen wiens hart stilviel te reanimeren. Deze definitie is nu nog minder correct omdat hartchirurgen doelbewust het hart tijdens de operatie stilleggen of verwijderen tijdens transplantaties. Deze patiënten zijn niet dood, maar worden geacht te herstellen en normale levens te leiden na de operatie. Dit kan suggereren dat het stoppen van de bloedsomloop eerder dan het stoppen van het kloppen van het hart de dood bepaalt, doch beiden zijn slechts mechanismen in plaats van definities van dood.
 
Een nieuwer en dikwijls emotioneel moeilijk concept is dood op hersencriteria, beter gekend als “hersendood”. Bij hersendood werkt het hart dikwijls normaal en de bloedsomloop gaat verder. Deze definitie berust niet op de afwezigheid van hartactiviteit of bloedsomloop maar op de onmogelijkheid van het gehele organisme, de persoon, om verder te functioneren en zichzelf onafhankelijk in stand te houden. De hersenen werken niet langer meer, hoewel alle andere organen en weefsels in het lichaam nog voor een beperkte tijd normaal kunnen functioneren.
Vele individu’s met gevorderde hersenbeschadiging sterven wanneer hun gezwollen hersenen op het ademhalingscentrum in de hersenstam drukt en hun ademhaling stopt. Gelijkaardig is als het ademhalingsmechanisme in de hersenen blijvend beschadigd is na zuurstoftekort gedurende een langere tijd, zoals bij hartstilstand, wurging of verdrinking. Zoals de bekende fysioloog John Scott Haldane zei: “de machine is vernield”. Kunstmatige beademingsmachines kunnen het lichaam laten “ademen”, maar schakelen zo het elementaire eerste teken van de dood uit. Deze machines hebben vele mensen het leven gered, maar kort na hun ontwikkeling was het duidelijk dat de dokters niet langer meer wisten wanneer ze hun patiënten dood moesten verklaren.
In 1957 vroeg paus Pius XII zich af of dokters “het levensproces niet verder zetten terwijl de ziel het lichaam al had verlaten” en of “de dood al was ingetreden na een zwaar hersentrauma dat diepe onbewustheid en centrale ademhalingsverlamming tot gevolg had, fatale gevolgen die uitgesteld werden door kunstmatige beademing.” Spijtig genoeg beantwoordde hij zijn eigen vragen niet, door te zeggen dat “dit niet tot de bevoegdheid van de Kerk behoorde.”
Door “hersendood” te definiëren is de maatschappij verplicht om een grotere vraag te beantwoorden: wat is de relatie tussen een mens en zijn lichaam? Deze vraag, meestal gesteld als “geest-lichaam dualiteit” heeft filosofen, religieuze experts en dokters door de jaren heen bezig gehouden.
Twee tegengestelde antwoorden op deze vraag zijn gegeven door de “lichamelijken” die de mens zien als alleen maar het lichaam, en de “dualisten” die het lichaam als zuivere bijkomstigheid bij de zuivere wil en reden (en die geloven in menselijkheid, geweten en autonomie) beschouwen. Er bestaat geen theoretische oplossing tussen deze twee visies. Westerse culturen, hoewel, hebben pragmatisch gekozen voor de dualisten, met gevolg het concept van dood door hersencriteria – hersendood.
In de toekomst zullen mensen wellicht kunnen kiezen onder welke omstandigheden ze dood willen verklaard worden: wanneer hun hart onomkeerbaar is gestopt, hun volledige hersenen niet meer werken, of alleen het gedeelte van de hersenen dat de persoonlijkheid bepaald (neocortex) is afgestorven. Sommige staten, zoals in Arizona, laten nu al mensen toe op voorhand te bepalen of ze al dan niet verder willen leven in blijvende vegetatieve toestand; de andere mogelijkheden kunnen weldra elders ter beschikking zijn. Dan kan elk individu voor zichzelf dood bepalen.