Nieuwsbrief Nr. 21 - januari 2005

Parkbegraafplaats Schoonselhof “Ik hecht mij of ik sterf”: Piet Vernimmen bespreekt dit tijdschrift van OKV


Ik kreeg hulp vanuit Nederland. Piet Vernimmen, ook genoemd de bovenrivierse penningmeester, las het tijdschrift van Openbaar Kunstbezit Vlaanderen, jrg. 2004/4. Prijs € 6,20. Ziehier zijn bespreking:
 
Het laatste nummer van OKV heeft als titel “Ik hecht mij of ik sterf”. Het is in zijn geheel gewijd aan ‘onze’ parkbegraafplaats Schoonselhof. Om maar meteen met de deur in huis te vallen: het is een schitterend nummer geworden! Alle lof voor de inhoud, voor de foto’s en alle lof voor Anne-Mie Havermans, die dit nummer samenstelde. Rennen naar de tijdschriftenverkoop, naar de Antwerpse Stadswinkel of naar het OKV. ! (in dat laatste geval: een e-mailtje naar OKV is handiger) Al op de eerste pagina een prachtfoto, ‘Schoonselhof vanuit de hemel’. In het openingsartikel “Een domein voor de doden”, beschrijft Havermans de geschiedenis van Schoonselhof. In 1784 verbood Jozef II verdere aanleg van begraafplaatsen in de stad Antwerpen. In 1876 sloot het Groenkerkhof en openden Kiel en Stuivenberg de kerkhofpoorten. Toen ook Stuivenberg zelf rond 1875 midden in de woonwijk kwam te liggen, nam Kiel haar plaats als stedelijke begraafplaats over. Veel belangrijke monumenten bracht men naar Kiel over. Maar aan het begin van de 20e eeuw raakte Kiel ook overvol en kocht de Antwerpse gemeenteraad het domein Schoonselhof aan. Niet elke Antwerpenaar was aanvankelijk enthousiast: als het domein een parkbegraafplaats zou worden, zou de schoonheid van het gebied in het geding komen. Janlet & Schmitz, respectievelijk tuinarchitect en interieurarchitect, legden dan ook vooraf hun plannen aan de Antwerpse bevolking voor: concentrische dreven, hagen, diagonale lanen, waterpartijen, kortom “een rustoord vol vrede en schaduw”. In “Kunstenaars vrienden voorbij de dood” laat Anne-Mie Havermans achtereenvolgens Henri de Braekeleer, Guillaume Charlier, Henri Leys, Jaak de Braekeleer, Jules Pecher, Karel Verlat, Evert Larock en Arthur Pierre in één logische rij de grafmonumenten-vrienden-revue passeren. Haar tekst leest als een detective. En passant verrast het artikel de lezer met tal van wetenswaardigheden: de herkomst van de rode letters op het graf van Evert Larock, de twee versies van de Karel Verlat-buste, het bronzen afgietsel op de Bourla-schouwburg. Tot mijn genoegen staat bij het artikel ook een afbeelding van het schilderij “De Onnozele” van Evert Larock, een ontroerend naturalistisch doek, te zien in het Koninklijk Museum Schone Kunsten, Antwerpen. Het artikel “Eigen werk op eigen graf” geeft verschuivingen aan. Niet alleen krijgen beeldhouwers meer aandacht op Schoonselhof, maar voor veel van deze kunstenaarsgraven geldt - en ik citeer Havermans: ”De taal van de traditionele symbolen en attributen is vervangen door de tastbare werken zelf, door beelden en citaten”. Havermans besteedt daarbij uitgebreid aandacht aan Nicole van Goethem, Alfred Ost, Julius de Geyter en Jef van Hoof, Joris Minne, (vervelend dat de foto van die laatste op zijn kop staat afgedrukt). Het artikel eindigt met citaten op de monumenten van Marnix Gijsen en Herman de Coninck. Jammer is dat zij de mooiste tekst, namelijk die van Walschap, niet opneemt. Maar zij maakt het goed bij me door ruim aandacht te besteden aan het monument voor Theodoor Verstraete, een ‘van’ de vzw Grafzerkjesmonumenten. Overigens, ook maakte de al genoemde Charlier een monument voor Verstraete: het kwam vanwege het enorme formaat niet op Schoonselhof terecht, maar in het Stadspark. Dit  bijna onnavolgbaar mooi uitgevoerde nummer van Openbaar Kunstbezit Vlaanderen besteedt verder aandacht aan Père Lachaise, Steenhouwersbedrijf Cl. Jonckheer Fils, de vermoorde socialisten Pot en Grijp, de monumenten voor Louis Dousselaere, Leopold de Wael en dat van Ridder Smidt van Gelder. En aan spoken op het kerkhof, funeraire symbolen, de natuur in het park en… aan vzw Grafzerkje! Dit OKV-nummer wordt een collectors item…
 
Piet Vernimmen