Nieuwsbrief Nr. 20 - november 2004

Arnhems kerkoproerenAnneke Haasnoot zond volgend stukje in


Ooit vond er in Nederland een heuse begrafenisoproer plaats. In het jaar 1782  besloot de Arnhemse magistraat aan het verzoek van een joodse koopman toe te geven. Deze wilde graag een plein voor zijn huis maken, juist daar waar de toenmalige begraafplaats was gevestigd. Deze zou moeten worden verplaatst naar buiten de bebouwde kom. Daar werd een stuk grond aangewezen op een voormalige vuilstort. Het wekte veel weerzin bij de bevolking. Ook het respectloze omgaan met gebeente en pas begraven lichamen ging het gewone volk te ver. In een put naast de kerk werden deze zeer ruw en ongemanierd geruimd.Toen in 1783 de rode loop ofwel dysenterie toesloeg en vele slachtoffers eiste, stelde de magistraat voor de mensen die aan deze epidemie kwamen te overlijden, op het nieuwe kerkhof buiten de stad te begraven. Aangezien het Sint Janskerkhof zowiezo vol was, werd verplicht overledenen die van de diaconie afhankelijk waren geweest zeker daar ter aarde te bestellen. Deze beslissing bracht zoveel tumult in de stad teweeg, dat magistraat en gemeente hun greep op de situatie verloren. Toen een predikant aan de ziekte bezweek, bleken de nabestaanden niet van plan
deze buiten de stad zijn laatste rustplaats te geven. Het volk onder aanvoering van schoolmeester Borgardijn protesteerde fel. Het lijk van een aanzienlijke, was immers net zo besmettelijk als dat van een arme! Toen de vrouw van een garnizoenssergeant kwam te  overlijden, en de weduwnaar haar wens in de kerk te worden begraven, wilde respecteren, werd hij door zijn commandant tot meewerken gedwongen, anders zou hij gedegradeerd worden. Het vrouwvolk groef uit protest het lichaam op verzorgde een statiebegrafenis waarna de overledene werd herbegraven in de St, Janskerk. Mannen droegen de kist, maar hun rol was verder beperkt. Honderden razende vrouwen juichten de stoet toe voordat dezeaankwam bij de kerk. De klokken werden zo hard geluid, dat de grote klok uit de ophanging schoot.
‘s Middags trok het volk weer naar de begraafplaats en verwijderde de hekken. Deze werden voor de deur van de joodse koopman neergesmeten. Uiteindelijk besloot de manzijn plein voor het merendeel op te geven zodat dit wederom als kerkhof kon worden ingericht. Maar voor het zover was, zou er nog een tweede oproer volgen. Want hoewel het kerkhof opnieuw in gebruik was genomen, waren in de lente van 1784 nog lang niet alle problemen opgelost. Het geruimde gebeente was nog steeds niet herbegraven. Toen een nieuw gemetselde kerkmuur vrijwel klaar was, kwamen dit keer de mannen in het geweer. Onder leiding van wederom de schoolmeester en met hem de kastelein van de Palmboom, de herbergier van de Haagse Kermis en kleermaker Rooije Toon werd de muur vernield. Het garnizoen ging in de stad patrouille lopen en de leiders van het tweede oproer stuurden aan op een greep naar de macht samen met de schutterij. Het al dan niet bewapende volk en de schutters dropen af toen er militairen op de Grote Markt verschenen. Vrouwen hielden zich in 1784 bij de sloop en de mislukte coup afzijdig. Voerden razende wijven, onverzettelijke schutters en laffe magistraten bij het eerste oproer de boventoon, bij het tweede waren dat regenten, militairen en klagende huisvrouwen die hun rol als moeder en huisvrouw benadrukten teneinde het hier rust van hun naasten te bewerkstelligen.

Annele Haasnoot
http://members.lycos.nl/beeldentuin/index.htm