Nieuwsbrief Nr. 18 - juli 2004

Duitsland & DenemarkenreisJacques Buermans pleegde volgend verslag over de Terebinthreis van 3 tot 10 juli


Ik produceerde volgend reisverslag. Natuurlijk zult u het moeten doen met mijn, soms, sarcastische opmerkingen maar gedenk dat ik echt van de trip genoot.
 
Zaterdag 3 juli: Vroeg dag voor iedereen. De Belg Cecilia en de Vlaming Rudy hadden al een treinrit achter de rug wanneer ze met mij, per wagen, naar Breda trokken. Carlo, Antwerpenaar maar woonachtig in Wallonië, werd door zijn dochter naar de startplaats gevoegd. Daar vervoegden de “Zeeuwse meisjes” ons. Na een ommetje via Groningen, de Nederlandse spoorwegen zijn zo mogelijk nog slechter dan de Belgische, was de groep, 37 in totaal, compleet. Niettegenstaande we 700 kilometer dienden te overbruggen werden we reeds een eerste maal op onze funeraire wenken bediend. Friedhof Riensberg in Bremen was keurig aangelegd, rijk aan bloemen met hier en daar een kanjer van een mausoleum, zo kennen we de Duitsers weer. De eerder verloren tijd werd ingehaald en rond 19 uur bevonden we ons in “the middle of nowhere” maar wel in een prachtig hotel met diner in buffetvorm.
 
Zondag 4 juli: Na een uitstekend ontbijt reden we richting boot. Na anderhalf uur varen op een rustige zee bereikten we Amrum. Een lokale busmaatschappij bracht ons naar de begraafplaats van de naamlozen. Een eenvoudige kruis sierde het graf van deze drenkelingen. Vandaar naar het Sankt Clemenskerkhof. Links van de ingang bevonden zich 30 “sprekende grafstenen”. Zij vertelden ons een heel verhaal over de overledene. Terug op het vasteland trokken we naar Lunden waar we, rond de Sint Laurentiuskerk een aantal “geslachtenzerken” konden aanschouwen, een soort van familieclans die zich op een bepaald ogenblik verenigden in de Ditmarsche boerenrepubliek. In Friedrichstadt was er funeraire keuze te over: menorieten, remonstranten, lutherianen, joden en katholieken iedereen vond hier zeker zijn gading. Daarnaast was het stadje een bezoekje meer dan waard. Na nog een afzakkertje in  Husum waar het storm liep voor het graf van dichter Theodor Storm.
 
Maandag 5 juli: Richting Schleswig getrokken. In de Sankt Petridom ligt Frederik I van Denemarken onder een marmeren grafmonument van Antwerpenaar Cornelis Floris, een prachtig staaltje van vakmanschap. Op wandelafstand ligt Holm. De begraafplaats vormt hier het middelpunt van de gemeenschap. Vandaar trokken we naar Denemarken. Onderweg vonden enkele Terebinthers het nodig om een soort Nederlands songfestival te organiseren waarbij enkele liederen ten beste werden gebracht waaronder iets dat leek op Vagina Vanitatum. The points of the Belgian jury waren aan de lage kant: zij werden immers in hun slaap gestoord. Odense bracht ons de Sint Knudskerk. Blikvanger was de Ahlefeldtskapel, een werk van Thomas Quellin. In de crypte vonden we de heiligschrijnen voor koning Knud en zijn broer Benedikt die in 1066 de marteldood stierven. Ook een aantal grafzerken lagen hier waaronder die voor “Hartenkoning”, Brigitte Raskin schreef er een boek over, Christian II. Na de lunchpauze trokken we naar Kopenhagen. Eerste funerair item was een bezoek aan de crypte van de Christianskerk. Niet zo bekende personen kregen hier toch een indrukwekkende laatste rustplaats. Na het hotel opgezocht te hebben was er tijd voor Tivoli, het oudste pretpark ter wereld in het centrum van Kopenhagen. Not my cup of tea.
 
Dinsdag 6 juli: Eerste stop op deze vierde dag was Roskilde. In de kathedraal bezochten we de koningsgraven. Misschien niet zo overweldigend dan Parijs of niet “te veel van dat alles” zoals in Londen maar net genoeg sarcofagen om te bewonderen. Nogal wat anders dan de saaie bedoening in Laken. Uitschieters in Roskilde waren Christian 4, 5, 6 en 9 en Frederik 2 en 8. Missen kun je enkel met het nummer want ze heten allemaal Christian of Frederik. Het mausoleum van de laatst bijgezette Frederik 9 kon mij echt niet bekoren.
Boven: koning Christian V in Roskilde. Rechts onder: sprookjesverteller Hans Christian Andersen in Assistens en links onder Eriksen, de beeldhouwer van de kleine zeemeermin. Hij ligt op de Kopenhaagse Westerbegraafplaats
Vandaar terug naar Kopenhagen om de Assistens, hulp, begraafplaats te bezoeken. Wat opviel was de keurig onderhouden begraafplaats. Al wat we tot nu toe bezochten, in Duitsland en in Denemarken was tot in de puntjes verzorgd. Als Vlaamse beleidsmensen hier eens een kijkje zouden komen nemen én voldoende middelen uittrekken om personeel voor onderhoud te voorzien zou Vlaanderen niet altijd zo negatief in de belangstelling komen. Assistens herbergt ook een aantal grote namen: sprookjesschrijver Hans Christian Andersen, Nobelprijswinnaar Niels Bohr en filosoof Kierkegaard. Wat hier ook opviel was een hoekje voor jazzmusici. Tof, zou kunnen ze samen nog wat jammen na sluitingstijd. Na de middag naar de Westerbegraafplaats, met zijn 54 hectare de grootste Deense dodenakker. Weer keurig onderhouden met waterpartijen een urnentuin met waterpartij en een antiek tempeltje waar men, via rechthoekige poorten en metalen platen naartoe kan. Hier ligt Eriksen, de beeldhouwer van misschien wel Kopenhagens belangrijkste attractie: de kleine zeemeermin. Ook Knud Rasmussen, de Poolvorser kreeg een mooi modern grafmonument. Filmactrice Asta Nielsen, in Vlaanderen bekend door een gedicht van Paul Van Ostaijen, werd begraven in een “graf der onbekenden”.
 
Woensdag 7 juli: Laatste dag op Deens grondgebied en een, funerair, rustige dag. Kort na de middag zaten we na een boottocht terug op Duits grondgebied met een bezoek aan de begraafplaats van Lübeck. De Burgtorbegraafplaats was niet zo uitzonderlijk, na vijf dagen treedt een soort “verzadiging” op, maar Rindert zorgt toch steeds van iets extra’s. Op de erebegraafplaats, in een bos gelegen, ontdekten we grafmonumenten en herdenkingsmonumenten voor Duitse gevallenen van beide wereldoorlogen. Vandaar naar Hamburg waar als toetje, dat taalgebruik krijg je wanneer je met “leuke” Nederlanders optrekt, een rondrit op de begraafplaats Ojendorf, met zijn 94 hectare de eerste grasveldbegraafplaats van Duitsland gemaakt werd.
 
Donderdag 8 juli: Dagje Ohlsdorf. De voormiddag werd doorgebracht in de bus om deze 405 hectare grote kanjer te bezoeken. Her en der werd eens gestopt. Bij oorlogsgedeelten zegde Rindert “dat we hetgeen we gingen bekijken op onze dienden in te laten werken”. Sommigen onder ons hadden daar zo stilaan een eigen interpretatie aan gegeven. In de aard van “er is geen bal te zien”. Het viel op dat Nederlanders veel meer belang hechten aan die oorlogen dan wij Belgen en dan hebben wij er zelfs twee meegemaakt. Misschien is dat de reden dat wij dat meer relativeren. Ook maken onze Noorderburen constant vergelijkingen tussen verschillende geloofsovertuigingen. Wij liggen daar echt niet wakker van. Dan was het tijd om het  boekenwinkeltje bijna te plunderen. Grappig om zien was dat de oude vrouwelijke bediende het op een bepaald moment niet meer zag zitten en om hulp ging smeken bij haar overste. Deze dame ging echter onverstoord voort met hetgeen zij bezig was: eten gevolgd door het lezen van een damesmagazine. Dat is Duitsland op zijn best: ieder heeft zijn taak en een hogere treedt niet ter hulp wanneer een lagere in de shit zit. Ook commercieel denken is anders. De namiddag brachten de “die hards” door op eigen kracht, bij sommigen was de kracht ver te zoeken. Heel veel groen maar, verhoudingswijze weinig interessante monumenten, enkele enorme mausolea niet te na gesproken. ’s Avonds bleef ondergetekende in dezelfde sfeer. Hij bezocht de musical “Tanz der Vampire”.
 
Vrijdag 9 juli: Rustig begonnen met het Ottenserfriedhof waar dichter Klopstock, die niet in een kerk begraven wilde worden en daarmee een trendzetter bleek, begraven is. Aan de Koningstraat konden we, Rindert krijgt alle deuren open, de Joodse begraafplaats bezoeken. Dit keer een meevaller zeker omdat er vele sefardische joden begraven liggen. Op een aantal vlakke stenen zagen we prachtige funeraire symbolen. Daarnaast waren er ook sarcofaagachtige grafbedekkingen. Het akenazische gedeelte bevatte voornamelijk stèles.
Volgende halte was de Sint Michaelskerk. Niet alleen bezochten we de crypte met het graf van componist Carl Philipp Emanuel Bach maar we beluisterden ook de drie verschillende orgels die de kerk rijk is. Na de middag trokken de “die hards” nog naar Bahrenfeld, de begraafplaatswijk. In Diebsteich waren kleurrijke zigeunergraven te bewonderen. In Bornkamp troffen we een lapidarium aan. Holstenkamp was niets bijzonders alleen vielen hier, zoals elders, de verzorgde, onderhouden, graven op. Als laatste bezochten we het Menorietenkerkhof waar 40 grafzerken uit een oude begraafplaats een nieuwe bestemming kregen. Heel veel van die families waren afkomstig uit Nederland wat uit de opschriften kon afgeleid worden.
 
En dan was er het afscheidsfeest. Blijkbaar waren er wat problemen om een geschikt lokaal te vinden. Een maaltijd in een oud crematorium ging uiteindelijk niet door. Niet getreurd dank zij Rindert en Ruud konden we dineren vlakbij Ojendorf, het nieuwe crematorium. Een resem toespraken werden gehouden en in naam van de Belgische deelnemers sprak Cecilia een woordje. Dat Gent en Antwerpen in Vlaanderen liggen namen we er maar bij. O ja, gegeten werd er ook.
 
 
 
 
Zaterdag 10 juli: Zwaar gepakt, iedereen zeulde wel enkele extra boeken mee sommigen hadden tussen al hun aangekochte boeken nog een klein plaatsje gevonden om wat kledij op te bergen werd de terugreis aangevat. Laatste funerair gegeven werd in Bremen bezocht: de Bleikeller waren een achttal mummies ons laten op te wachten. Er bleef nog tijd over om de binnenstad van Bremen te bezoeken en dan ging het richting Nederland. Rindert zorgde nog voor een kwisje en alhoewel ondergetekende de Nederlanders een kans wilde geven door een van de vijf vragen onbeantwoord te laten ging de eerste prijs naar Rudy uit Gent en de derde prijs naar mijzelf. Iets later dan voorzien en na onderweg enkele keren afscheid genomen te hebben in respectievelijk Zwolle en in Utrecht kwamen we aan in Breda. Daar namen we afscheid van de Zeeuwse meisjes en van de état-major van de Terebinthreizen, Lia en Ruud en Jeannette en Rindert, en reden we terug richting Antwerpen. We voelden ons onmiddellijk weer thuis wegens de opeenvolgende wegwerkzaamheden.
 
Noten:
- een funeraire reis met Rindert en Jeannette je weet waar dat voor staat vooraleer je er aan begint: tot in de puntjes verzorgd en met oog voor de kleinste details. Rindert vertelt en wandelt met het purpere vlaggetje voorop, Jeannette sluit de rij met dito paars vlaggetje. Bij elk vertrek is zij het die haar “schapen” telt. Programma: gevuld , voor sommigen té gevuld met een funeraire afwisseling waar over nagedacht is.
- voor velen werd het tijd dat de reis afgelopen was. Kapotte knieën waren er legio, de algemene vermoeidheid sloeg toe maar het ergst was een vrouwelijke deelnemer er aan toe: zij was ernstig gewond aan beide ellebogen, een gevolg van het drummen om overal als eerste bij te zijn om een foto te nemen.
 
Persoonlijke noten:
- kan iemand mij een T-shirt , XXL, bezorgen met  daarop”IK HAAT GROEN”? Voor de Vlaamse Grafzerkjes voor alle duidelijkheid NIET “ik haat Groen!” alhoewel ik er voor durf uit te komen dat ik hun gedachtengoed allerminst onderschrijf maar dan begeef ik mij op het o zo gladde politieke vlak. “Ik haat groen” dus. Nu verzorg ik reeds gedurende jaren een gedoogbeleid ten opzichte van dat groen, ik ben niet zo extreem dat ik alle bomen met een cirkelzaag te lijf ga, maar er zijn grenzen. Het is er voor wat mij betreft “over” wanneer je dagelijks tot in den treure geconfronteerd wordt met enkele Terebinthers die je kennis willen verrijken met een verklaring over bloeiwijze van de “pissebloemus ordinarus” of het voortplantingsgedrag van de “kriekebomus kakkerijus” om maar te zwijgen over de fragiele behandeling van het “mossus trapterniopus”. Volgens Rudy, mijn kompaan op deze trip is het allemaal goedbedoeld. Hij stelt “om iemand van zijn allergie af te brengen bestaat er een therapie waarbij de zieke een overaanbod van zijn allergie over zich gegoten krijgt. De ideale wijze om hem over deze allergie af te zetten.” Bij mij is dit tot op heden niet gelukt.
- zondagmorgen: terug naar de realiteit van elke dag. Groot was mijn verwondering toen ik zondagmorgen niet ontwaakte bij een welgevuld ontbijtbuffet maar bij de aanblik van een lege koelkast.

Tekst en foto's : Jacques Buermans