Nieuwsbrief Nr. 17 - mei 2004

Een ludieke kijk op Père Lachaiseverhaaltjes over de bewoners van de “moeder van alle begraafplaatsen”


Père Lachaise is wereldbekend. Dat mochten we ondervinden toen we in een mum van tijd twee busreizen naar de moeder van alle begraafplaatsen konden organiseren.. Voor degenen die er niet bij waren later dit jaar volgend nieuwe mogelijkheden. Maar daarover elders meer. Maar er is meer. Er zijn de verhalen. Het ene verhaal is al geloofwaardiger dan het andere. Sommige kan men zelf onder de noemer “indianenverhalen” klasseren. Maar leuk zijn ze in ieder geval. Onder het moto “is het niet waar, dan is het toch goed gevonden” maken we een ludieke rondgang op deze necropool.
 
Wilgenboom en Poolse aarde.
 
Op divisie 4 hebben we Alfred de Musset, dichter. Een romanticus zeker na zijn relatie met schijfster George Sand met wie hij in 1833 door Italië reist. Daar wordt Musset ziek en ontdekt, na zijn genezing, dat George Sand een relatie met zijn Italiaanse geneesheer is begonnen. Gebroken keert hij naar Frankrijk terug. Verdere pogingen om met Sand een romantisch leven te leiden mislukken en zij kiest uiteindelijk voor componist Frederic Chopin (zie verder). Musset raakt aan de drank en schrijft een van zijn bekendste werken “On ne badine pas avec l’ amour” ofte “Liefde laat niet met zich spotten” over zijn ongelukkige liefde voor George Sand. De verdrietige liefde blijft zijn voornaamste thema. Uit zijn gedicht “Lucie” komt zijn laatste wens, die op zijn grafsteen staat: “Lieve vrienden, wanneer ik sterf. Plant dan een wilg op het kerkhof. Ik houd van zijn treurend lover. Zijn bleekheid is mij zoet en aangenaam. En zijn schaduw zal ijl zijn. Boven de grond waarin ik rust”. De tragiek wil dat elke treurwilg, die sinds 1857 op zijn graf is geplant, om onverklaarbare reden afsterft. Marmeren monument van de hand van Jean Barre. Achter Alfred de Musset ligt Charlotte Lardin de Musset, zijn zuster. Het beeld is van François Sicard. In de onmiddellijke nabijheid ligt Giacomo Rossini, de pionier van de korte komische opera. Bekendste werken zijn “De barbier van Sevilla” en “WillemTell”. Rossini was enorm bijgelovig en haatte vrijdag de 13de. Hij overleed op: een vrijdag de 13de. Het betreft hier echter een cenotaaf. Zijn lichaam werd, negen jaar na zijn dood, overgebracht naar Firenze waar hij begraven ligt in de Santa Croce.
 
In divisie 11 treffen we Fréderic Chopin aan, de romantische componist bij uitstek. In 1830 concerteert hij in Parijs en vestigt hij zich permanent in de lichtstad. Hij heeft een verhouding met George Sand maar deze intrigerende romance eindigt, tien jaar later, in verbittering. Na de scheiding is Chopin aanhoudend ziek en hij vraagt, uit schrik om levend begraven te worden, om zijn hart uit zijn lichaam te verwijderen. Na zijn dood wordt inderdaad zijn hart verwijderd en in een urn naar Warchau gebracht, waar het wordt bijgezet in de Heilige Kruiskerk. Chopin kiest tijdens zijn leven zelf de plaats waar hij begraven wil worden, in de buurt van zijn vriend Bellini. Een deel van de aarde waarin hij begraven is, is afkomstig uit Polen. Chopin bracht die zelf mee in een koffer wanneer hij, op 21-jarige leeftijd, Polen verlaat. Zijn lichaam wordt hier begraven maar enkele jaren na zijn dood overgebracht naar Polen. Hier rest alleen nog zijn grafsteen met een “Euterpe” van de hand van Jean-Baptiste Clésinger.
 
In divisie 18 ligt François Vincent Raspail, chemicus en politicus. Hij is een groot voorstander van de republiek. Zijn politiek leven staat in het teken van conflicten en hij beland twee maal in de gevangenis. De gesluierde rouwdraagster, op zijn grafmonument, strekt haar hand uit naar Raspail. Deze bevindt zich in een gevangeniscel. Een werk van Antoine Etex. (volgende bladzijde boven rechts)

Het meest in het oog springende graf is, in divisie 19, het bouwwerk voor gravin Elisabeth Demidoff – Strogonoff. Dit mausoleum in drie verdiepingen wordt bekroond door een sarcofaag van architect Quaglia. Het grafelijke geslacht Strogonoff bezaten een groot aantal zout- en ijzermijnen. De Demidovs vergaarden hun fortuin in de wapenindustrie en uit het bezit van enkele goudmijnen. De overlevering wil dat degene die een jaar onafgebroken in de graftombe durft te blijven een bedrag van twee miljoen roebels krijgt. Voor zover bekend heeft niemand het ooit uitgeprobeerd. Let wel, dit verhaal doet ook de ronde bij een ander monument dat we later zullen bespreken. In divisie 36 kunnen we de laatste rustplaats voor Antoine de La Valette vinden. Deze graaf was terdoodveroordeeld wegens zijn aanhankelijkheid aan de keizer. Hij werd opgesloten in de Conciergerie. De vooravond van zijn executie kon hij ontsnappen in de kleding van zijn vrouw, die zijn plaats innam. Op het monument staat, naast een bronzen buste, een bas-reliëf van de “ontsnapping”.
 
In divisie 39 ligt Antoine-Augustin Parmentier begraven (bladzijde 11 onderaan). Deze militaire apotheker schreef zijn leven lang over voeding en hij vestigt daarbij de aandacht op de aardappel, die hij in Frankrijk introduceerde. Op vele menukaarten staat bij de aardappel de toevoeging “parmentier” en op zijn grafsteen staat “l’ inventeur de la pomme de terre”. Rondom graf bevonden er zich aardappelplanten. De vader van het Franse spiritisme Allan Kardec (vorige bladzijde links) ligt in divisie 44. Het graf van Kardec is het meest bloemrijke van alle graven op Père Lachaise. De bronzen buste, van de hand van Capellaro, glanst door de vele aanrakingen van Kardecs getrouwen. De buste staat onder een granieten dolmen dat het Keltische karakter van Kardec moet benadrukken. Vrouwelijke adepten willen nog wel eens in zwijm vallen voor het beeld van hun meester. De fanatiekste volgelingen geloven dat de ogen op en dichtgaan. In het verleden vonden en nachtelijke mystieke rituelen plaats bij het graf. Op dezelfde divisie ligt markies Antoine de Casariera. Hij werd uit Spanje verbannen door Isabella II omdat hij het kind van zijn vrouw doodde. Het kind had dezelfde zwarte huidskleur als de kamerknecht van mevrouw.
 
Klanten winnen voor Père Lachaise.
 
De schrijver Jean de la Fontaine ligt begraven in divisie 25. Hij lag eerst in de Saints Innocents en werd, in 1817, overgebracht naar Père Lachaise door toedoen van Alexandre Lenoir. De bedoeling was de Parijzenaars ertoe te bewegen hun overledenen naar de nieuwe en buiten de stad gelegen begraafplaats te brengen. Om dezelfde reden werd de schrijver Jean Baptiste Molière overgebracht van Saint Joseph. Beide sarcofagen zijn meer gedenktekens dan grafmonumenten daar ze leeg zijn. In divisie 44 ligt Imre Nagy, eerste minister van Hongarije. Hij werd slachtoffer van de opstand in1956 en werd, in 1958, gefusilleerd in Praag. “Le bateau de la liberté” is enkel een monument. Nagy werd in 1989 te Budapest herbegraven en kreeg een staatsbegrafenis. Een groot monument in divisie 48 is voor Louis Félix de Beaujour, diplomaat en consul. Het monument is 16 meter hoog, de ondergrond is 21 meter breed. Parijzenaars bedachten het monument met twee bijnamen. “De grote penis” spreekt voor zich maar de ander bijnaam vind ik zeker zo goed gevonden: “de schoorsteen”. Het monument is van de hand van François Cendrier. Een zeer passende naam. Voor het monument bevindt zich de laatste rustplaats voor de familie Diaz-Santos. Het werd opgericht ter ere van dochter Charlotte, die overleed op 16-jarige leeftijd, en is een werk van Fessart. Volgens de “geschiedenis” zou één miljoen Franse frank, uit 1827, aangeboden  zijn aan wie een jaar in de kelder opgesloten bleef. Niemand lukte, iedereen werd gek voor de periode omwas. Een identiek verhaal doet de ronde bij de graftombe Demidov-Strogonov.
 
 
In divisie 54 ligt Marie d' Agoult. Ze schreef onder het pseudoniem Daniel Stern. Ze is niet zozeer beroemd dor haar schrijverschap maar door haar verhoudingen met Goethe en Franz Liszt. Uit deze laatste relatie kwam Cosima, de latere vrouw van Richard Wagner, voort. Monument door Antoine Chapu. In divisie 57 vinden we Emmanuel de Grouchy, maarschalk. Hij hield slechts een gedeelte van het Pruisische leger tegen en kwam te laat in Waterloo en wordt daarom aangeduid als de grote verantwoordelijke voor Napoleon's nederlaag.
 
In divisie 63 een grote granieten kapel voor Alfred Chauchard, stichter van de Grands Magasins du Louvre. Hij overwoog om de lijkwagen te volgen door zijn vrienden en relaties, die elk een schilderij uit zijn kunstverzameling zouden dragen. Hij stapte van het idee af omdat hij niet goed wist welke van zijn vrienden de meest kostbare werken zou moeten dragen. Bij zijn begrafenis waren, na vijf lijkwagens, 50 bedienden aanwezig die allen, sommigen tot 500000 Franse frank, erfden. Chauchard werd begraven in een hemd met 500000 Franse frank aan parels. Divisie 86 herbergt de laatste rustplaats voor Jean Pezon, dierentemmer (bladzijde 8 onderaan). Pezon is gezeten op de leeuw Brutus die hem, volgens de legende, verslond. Dit klopt niet daar Brutus reeds overleden was voor zijn meester stierf. Het beeld werd door Pezon zelf bekostigd, 50 000 Franse frank, en werd door hem in 1885 geplaatst.
 
In het columbarium vinden we Isadora Duncan. Zij wordt als een der belangrijkste grondleggers van de moderne dans beschouwd. Zij komt abrupt aan haar einde. Op 14 september 1927 stapt ze in haar gloednieuwe open Bugattisportwagen. Om haar nek draagt ze een lange rode sjaal. Vlak voordat ze instapt roept ze “Dag vrienden, ik ben op weg naar de glorie”. Dat zijn dan ook haar laatste woorden, want de lange sjaal wappert tussen de wielen van de auto en vindt Duncan in één klap de dood. Wanneer ze een week later wordt gecremeerd bedekt de rode sjaal de lijkkist.
 
Vruchtbaarheid troef.
 
In divisie 89 ligt Oscar Wilde, een der meest toonaangevende Europese dichters en schrijvers. In 1895 wordt hij in een proces van homoseksualiteit beschuldigd. Hij moet een gevangenisstraf van twee jaar uitzitten in het Engelse Reading. Na deze gevangenschap vlucht hij naar Parijs. Wilde wordt begraven op de begraafplaats van Bagneux en één jaar later overgebracht naar Père Lachaise. Het grafmonument is geschonken door een anoniem gebleven vrouwelijke bewonderaar en ontworpen door beeldhouwer Jacob Epstein. De sfinx heeft de gelaatstrekken van Wilde. Zijn geslachtorganen zijn sinds mensenheugenis verdwenen. Volgens bepaalde geruchten bezigt de directeur van de begraafplaats de testikels als onderleggers. In divisie 92 ligt Victor Noir, journalist. In 1870 lopen de gemoederen in Frankrijk op tussen de aanhangers van Napoleon III en degenen die terug een republiek wensten. Noirs republikeinse collega-journalist Pascal Grousset heeft een fel anti-Bonapartistisch artikel geschreven. Prins Pierre Bonaparte, een volle neef van keizer Napoleon III eist genoegdoening en daagt Grousset uit voor een duel. Wanneer Victor Noir naar het huis van de prins komt, om plaats en tijd van het tweegevecht af te spreken, wordt hij daar door Pierre Bonaparte doodgeschoten. Tijdens het daaropvolgende proces beweert Pierre Bonaparte dat Noir hem heeft beschimpt en een handschoen in het gezicht heeft geworpen. Het gerechtshof spreekt hem vrij. Noirs begrafenis loopt uit tot een grote manifestatie tegen het keizerrijk en de Bonapartes. Het levensecht monument, door Jules Lalou, wordt nog altijd druk bezocht. Noir was een berucht vrouwenversierder en het zijn vooral dames die het koperen beeld komen bekijken. Het verhaal wil dat aanraken van zijn geslachtsdeel de vruchtbaarheid vergroot. De bobbel in de broek van het beeld is dan ook altijd opgepoetst.
De graffitiopschriften in divisie 6 leiden ons naar Jim Morisson, zanger van de rockgroep The Doors. Morrison stierf aan een overdosis drugs in. De stenen buste is, in 1987, door een fan van de sokkel gewrikt en meegenomen. Tientallen jongeren maken van het graf een bedevaartplaats voor rockfanaten en roepen de atmosfeer van “seks, drugs en rock and roll” op met het spelen van gitaarmuziek, het roken van jointjes en het nuttigen van de nodige drank. De nabestaanden van de buurgraven zijn niet gelukkig met deze situatie zodat er tegenwoordig constant door politie gepatrouilleerd wordt en de fans, die het iets te bont maken, verwijderd worden.
 
In divisie 7 vinden we een monument ter ere van Abélard & Heloïse. Monnik Abélard onderrichtte theologie en raakte in vervoering van zijn leerling Heloïse was een van zijn leerlingen. Zij kregen een kind. Abélard werd door de oom van Heloïse, kanunnik Fulbert, gecastreerd. Abélard trok van klooster naar klooster terwijl Héloïse abdis werd. De briefwisseling tussen die twee was vurig en ontroerend. Na de dood van Heloïse werden zij samen begraven in de kerk te Nogent sur Seine (1164). Na de Franse revolutie kwamen de lichamen bij Alexandre Lenoir die een nieuw grafmonument oprichtte in gotische stijl en de twee geliefden samenbracht op Père Lachaise eveneens met de bedoeling om de Parijzenaars ertoe te bewegen hun overledenen naar de nieuwe en buiten de stad gelegen begraafplaats te brengen.      


Tekst en foto : Jacques Buemans